Onder het station

Enkele maanden geleden maakte ik een bijzondere avondwandeling in het Jetse Boudewijnpark. Het was een erg warme dag geweest. In de vooravond had het hard geregend. Rond een uur of acht ’s avonds was het weer opgeklaard. Ik besloot te gaan wandelen. Ik herkende het park niet meer. Het was in een mysterieuze nevel gehuld. Ik was er alleen. Ik leek in een fantasiewereld terecht te zijn gekomen. Ik nam veel foto’s en schreef er een verhaal over. Niet veel later zond ik enkele foto’s uit deze reeks in voor de wedstrijd ‘Jette in beeld’. Tot mijn blijdschap werd een van de foto’s uitgekozen. Deze komt in de voetgangerstunnel onder het Jetse station te hangen. Samen met de foto’s van zeven andere Jetse fotografen: Caroline Adam, Paul Barbieux, Willy Dirckx, Fabrice Grégoir, Michel Picard, Ludivine Szaba en Werner Van den Mooter. We exposeren ons werk ook in Atelier 34zero muzeum.

De tunnel onder Jette station wordt ingehuldigd op 29/09 om 18u30. Welkom!

Expo Jetse fotografen in Atelier 34zero van 29/09-07/10

Lees hier over mijn bijzondere wandeling.

Advertenties

Zon dag kind

Om kwart voor zes trek ik de deur van mijn tijdelijk verblijf aan zee dicht. Zacht, om niemand wakker te maken. Van de zesde verdieping reis ik met de lift naar beneden. Het is al een beetje licht buiten, dat valt mee. Niet het donker of de leegte zijn beangstigend op dit vroege uur. Wel de meeuwen. Oostende is nu van hen. De wachtende vuilniszakken maken van de straten hun paradijs.

Bij het casino zie ik een meeuw net de hoek om lopen. Daar vindt hij een plastic mayonaisepotje van een frietkot. Het ligt ondersteboven. De meeuw speelt er voetbal mee in de hoop het om te keren. Na een tijdje geeft hij het op. Hij steekt de straat over, op het zebrapad. Weinig meeuwen vliegen, ze wandelen.

Ah ah ah! Het geroep gaat in crescendo. Alsof ergens een raam openstaat en ik getuige ben van het hoogtepunt van een ochtendlijke vrijpartij. Het is een meeuw hoog boven mijn hoofd die deze orgastische geluiden maakt. Overdag heb ik ze nog nooit gehoord.

Ik moet doorstappen, de zon zal opgaan om 6u10. Ik kom bij het Zieliedenmonument. De zon is er nog niet, maar kleurt al strepen aan de hemel. De meeuwen op het strand zijn stil. Niet zo opgewonden als hun soortgenoten in de stad. Twee vroege pootjebaders wandelen in de verte langs de vloedlijn.

_DSC4531 (3).JPGEr zijn nog geen wandelaars op de westelijke strekdam. Aan het einde staan drie vrouwelijke gestalten op het muurtje. Pas wanneer ik vlakbij ben, merken ze me op. Ik vraag of de boot al voorbij gevaren is. Ze hebben gewuifd naar een boot, iemand zwaaide terug. Ze zijn niet zeker of het de juiste boot was.

Waarom we hier zijn? We willen zwaaien naar het kind dat iets of iemand verloren heeft. Het heeft een nacht op zee doorgebracht, in gezelschap van de Zonnekoningin. Vanochtend zullen ze samen de zon opzingen.

Wij zullen hen niet horen. Wel voorbij zien varen. En wuiven. We zijn hier om er te zijn, voor een kind met verdriet.

De boot komt niet. We staan al een uur te wachten. Ik stel voor een foto te maken van de drie vriendinnen. Ze gaan naast elkaar zitten op het muurtje en kijken lachend in mijn lens. Alsof we elkaar al lang kennen.

Terwijl ik de foto maakte, is de zon achter hen opgegaan. Ik zou ook op het muurtje moeten gaan staan om betere foto’s te maken, zeg ik, maar ik heb hoogtevrees. Een val zou heel ongelukkig kunnen zijn. Een van de vrouwen stelt voor me te helpen. Ik wil het alleen doen. Voorzichtig sta ik recht. Ik maak foto’s van de opgaande zon. Ik kijk of de boot er nog niet aankomt.

Ik sta aan een nieuw begin, zeg ik tegen de drie vriendinnen.  Voor mij is dit ook een ritueel: het vroege opstaan, de meeuwen trotseren, de wandeling, de zon zien opgaan, de ontmoeting, samen wachten en wuiven. Iets prikt hevig in mijn rechterhand. Een wesp vliegt weg, over de zee. Hij lijkt me heel bewust te hebben aangevallen. Als een bijkomende beproeving. De steek doet pijn, mijn hand zwelt rood op. Ik blijf op het muurtje staan. De hele dag zal de pijn me herinneren.

De drie vrouwen nemen afscheid, ze gaan ontbijten. De boot zal niet meer komen. Ik krijg een e-mailadres zodat ik hen de foto’s kan sturen. Ik kom van het muurtje af en blijf nog even kijken. Nu ben ik alleen.

Dan zie ik in de verte een boot. Meteen weet ik zeker dat het deze boot is. Naast me komt een oudere, kalende man staan. Hij is erg bezweet. Hij is naar hier gejogd. Hij gaat op het muurtje staan en reikt me de hand. Deze keer laat ik me wel helpen. Hij vertelt dat hij de boot al elke dag gezien heeft. Soms van hieruit, soms vanuit zijn venster. Ik heb een heel goede verrekijker, zegt hij. Maar vandaag zag ik de boot niet. Hij was veel dieper de zee ingevaren dan vorige dagen.

De man vertelt me dat hij schrijft. Voor de Zeewacht.

Mijn wachten wordt beloond. Om half acht vaart de boot voorbij de strekdam. De Zonnekoningin, het kind en de andere opvarenden wuiven. De man van de Zeewacht en ik wuiven terug.

Mijn gezelschap springt van het muurtje en jogt weg. De boot vaart de haven binnen. Ik kijk hem na. Dan loop ik stadinwaarts. Maandag mag beginnen.

Bomen

Ik loop door de lange straat die van het Jetse station naar het Spiegelplein gaat. Bij het Garcetpark wacht ik op de hoek om over te steken. Aan de overkant staat een man met kortgeschoren haar. In zijn rechterhand houdt hij een sigaret, in zijn linkerhand zijn smartphone. Hij steekt de straat over, lezend op zijn smartphone. Dan pas herken ik hem. We kruisen elkaar, ik besluit hem niet te storen. Het is nog maar tien dagen geleden dat ik hem toevallig tegenkwam, in de koelafdeling van de Colruyt. Toen vroeg hij meteen hoe het met me ging.

Intussen heb ik weinig nieuws te melden, behalve dat ik een week geleden in de smalste, rustigste straat van onze gemeente ben aangereden. En dat ik ongelooflijk veel geluk heb dat ik nog in leven ben.

Van dat geluk geniet ik in stilte – en in pijn. Ik loop hem dus voorbij, begroet hem niet.

Wanneer ik thuiskom, stuur ik hem een berichtje: ‘Ik ben je zonet gekruist in de Leon Theodorstraat maar je was druk aan het roken en op je smartphone aan het lezen. Ik heb je maar niet gestoord. Ik had je ook wat te laat herkend met je nieuwe frisse coupe!’

Hij antwoordt: “Aha 🙂 Ja, ik ben ‘gekapt’, liever dat dan de bomen.”

Wij kennen elkaar niet goed. Maar hij weet van mijn verdriet om de gekapte bomen voor mijn huis.

Ik lach.

Na de regen

Het is avond.
Het heeft geregend.
Het heeft heel hard geregend na een warme dag.
Nu is het gestopt.
Ik ga naar buiten.
Naar het park.
Elke avond wandel ik in het Boudewijnpark.
In het park is er goede lucht.
Er is vandaag niemand in het park.
Ik ben alleen.
Ik herken het park niet.
Het is anders.
Zo heb ik het park nog nooit gezien.
Er hangt mist.
Maar het is geen mist.
Het zijn geen wolken die naar beneden zijn gekomen.
Het is de regen die als rook uit de warme grond komt.
Zo mooi.
Net een sprookje. Of een film.
Ik ben in een andere wereld. Of is dit de hemel?
Het ruikt heel lekker.
Naar gras en naar daslook.
Fris en pittig.

Een wandelaar komt voorbij.
‘Bonjour,’ zegt hij.
Hij zegt dag omdat er niemand anders is.
Ik loop verder.
Ik maak veel foto’s.
Ik hou veel van bomen.
Al van toen ik kind was.
Ik ben graag dicht bij bomen.
Nu zijn de bomen dicht bij mij.
Ze komen naar mij toe.
Alsof ze tegen mij spreken.
Mij troosten.
Mij alleen.
Waar zijn alle mensen?
Denken ze dat het nog regent?
Zitten ze binnen voor de tv?
Zo spijtig.Ik kom bij de vijver.
Nog nooit was het hier zo stil.
Ineens ben ik bang.
Ik zit in een griezelfilm.
Straks komt er een monster. Of een zombie.
Maar het is ook romantisch.

Ik wil hier niet weg.
Dit zou ik willen tonen.
Aan mijn vrienden, aan mijn familie.
Ik loop naar de overkant van het park.
Naar de andere vijver, bij de speeltuin.
Ik denk aan een schilderij.
Er zijn geen kinderen in de speeltuin.
Zo stil is het hier nog nooit geweest.

Snoeilingen

In de Vanderborghtstraat valt altijd iets te beleven. Misschien omdat het er zo rustig is. Bijna geen verkeer, weinig voetgangers. Of omdat ze zo lang is en zo breed. Of omdat ze door twee gemeenten loopt – Koekelberg en Ganshoren. In plaats van bus 13 of 14 te nemen, loop ik heel graag van Simonis tot aan mijn huis via de Vanderborghtstraat. Die wandeling duurt ongeveer een kwartier.

De ene keer vind ik er in een doos met afgedankte boeken de sprookjes van Godfried Bomans. De andere keer een ronde rode poef of een grote bruine fluwelen sofa. Of kamerplanten in kleurige cache-pots die worden uitgelaten op een vensterbank. In de zomer bloeien er de prachtigste clematissen en stokrozen. Eén keer vond ik er een mooi oud nachtkastje. Het staat nu, glanzend wit geschilderd, naast het bed van mijn dochter.

In de Vanderborghtstraat is het goed wonen. Ik ken een man en een vrouw die een huis wilden kopen en zeiden: ‘Het maakt niet uit wat voor huis het is, als het maar in de Vanderborghtstraat ligt.’ Dat vertelden ze me op de jaarlijkse rommelmarkt in september, waar de bewoners hun overbodige spullen voor de deur uitstallen. Het buurtcomité van de Vanderborghtstraat is erg actief. In de straat wonen ook twee gedreven politici. Burgemeester van Jette Hervé Doyen en Brussels parlementslid voor Groen Annemie Maes. Ongetwijfeld leveren ook zij een bijdrage aan het aangename karakter van deze straat.

Vanmiddag liep ik dus nog eens door de Vanderborghtstraat. Ik zag dat er hier en daar mozaïektegels zijn gelegd. Vast en zeker het werk van Jean-Christophe Duperron of zijn cursisten. Deze mozaïekmaker en -restaurateur heeft in de Vanderborghtstraat zijn eigen privé-school Art Mosaico, die zeer het bezoeken waard is.

Meer dan de mozaïektegels, wekte iets anders mijn aandacht. Het groenafval in de Vanderborghtstraat zou worden opgehaald. Snoeisel weet mij altijd te boeien – net als op straat achtergelaten schoeisel trouwens, dat ik steeds fotografeer. Ik kijk er graag naar, het tijdelijke, afgedankte groen op de grijze stoeptegels. De kronkelende samengebonden takken. Het groen is grillig en gaat nooit gewillig in de voorbestemde groene zakken. Het vergt enige creativiteit om het bijeen te houden. Er komt stapeltalent en vlechtwerk aan te pas, touw of wol of zelfs een paar versleten panties. Vol verbazing kan ik ernaar staren.

Een openluchttentoonstelling van sprietjes, blaadjes, struiken, takken, twijgen, stammen en stronken. Afgemaaid, afgeknipt, afgezaagd of omgehakt. Soms zou ik die snoeilingen willen meenemen en me er in mijn kleine stadstuin mee omringen.

Film

We gingen nog eens naar de film. Mijn man, mijn oudste dochter en ik. We hadden geluk: de film die we wilden zien, speelde in zeven zalen, waarvan twee in de bovenstad en drie in het centrum. In de Brouckère draaide de film om 17:40. Hij zou dan rond 19:30 gedaan zijn, een prima uur om nog rustig ergens te gaan eten.

Toen ik rond 17:25 bij de bioscoop aankwam, waren mijn man en dochter er al. Dat verheugde me. Na jaren ben ik erin geslaagd mijn huisgenoten duidelijk te maken dat op tijd komen belangrijk voor mij is. ‘Ik heb de tickets al,’ zei mijn man. ‘De film speelt in een zaaltje met maar 89 plaatsen. Het is ook écht geen film voor de Brouckère. Meer voor de Galeries.’ Ik hield mijn hart al vast, zag ons in gedachten veel te dicht bij het scherm zitten met ons hoofd in onze nek.

Gelukkig viel het reuze mee. Zaal 1 was een brede zaal, en er waren maar weinig plaatsen bezet. We gingen op de voorlaatste rij zitten en waren tevreden, tot mijn man zei dat hij het toch iets te dichtbij vond. We verhuisden naar de laatste rij, hoewel we reeds opgemerkt hadden dat daar een zwaarlijvige, licht marginale man met enig kabaal koekjes zat te eten.

Mijn man was zo attent het dichtst bij deze knabbelende creatuur te gaan zitten, met een drietal stoelen tussen hen in. Ik mocht in het midden, met mijn dochter rechts van mij. ‘Ik hoop dat zijn koekjes op zijn als de film begint,’ zei mijn man. En gelukkig, toen de reclame en de trailers voorbij waren, gooide de man de lawaaierige verpakking op de grond.

Hij leek zich wel verslikt te hebben in enkele koekkruimels, want hij ontwikkelde nu een onsmakelijk klinkende kuch. ‘Tja, zei ik, in de Galeries zou er ook zo iemand gezeten hebben. Wij kunnen gewoon nergens komen zonder dat er mensen ons storen.’ ‘Als het te erg wordt, kunnen we altijd nog naar 3003 sms’en. Dan komen ze hem uit de zaal verwijderen. Ze zullen wel met twee moeten zijn,’ grapte mijn man. We vroegen ons af waarom de man voor onze film gekozen had. Hij leek een beetje met zijn zetel vergroeid. ‘Waarschijnlijk komt hij hier naar alle films kijken,’ besloten we. Een vermoeden dat bevestigd werd toen we na afloop van de film zagen hoe close hij was met de toiletdame.

De film begon. De film was zo goed dat we het gekuch naast ons meteen vergaten. De film katapulteerde ons terug naar onze jeugd, de tienerkamer, onze eerste liefdes, de verveling op de schoolbanken, de jaren waarin alle mogelijkheden nog open lagen, zoals nu voor onze dochter. De film toonde ook een kwetsbare moeder, die goed probeert te doen, maar dat lukt niet altijd. Ze is te bezorgd en een beetje verbitterd geraakt. De soms complexe moeder-dochterrelatie werd mooi gevat. Tegen het eind van de film pakte mijn dochter me even vast, toen ze zag dat ik met de mouw van mijn wollen trui over mijn wangen veegde.

Na de film liepen we naar de Mirante, al jaren ons vaste pizza-adres. Hier ben ik al een dertigtal jaar klant, als kind kwam ik hier al met mijn ouders. De Mirante zat vol. Een wat norse nonna zei dat we over een kwartier mochten terugkomen. We gingen intussen iets drinken in de Plattesteen. Waar was de tijd dat we hier elke zaterdagnamiddag kwamen lezen en koffie drinken, vroegen mijn man en ik ons af. Nu waren we hier in geen eeuwigheid nog geweest. Het blijft toch een gezellig en authentiek café. We keerden terug naar de Mirante. De nonna wees onze tafel aan, helemaal achteraan, bij de toiletten. Het rook er wat naar de toiletten. Maar mijn man ruikt sinds een recente neusoperatie bijna niets meer.  Mijn man heeft een allergie voor de slechte stadslucht. Uitlaatgassen kunnen bij hem een hevige niesbui uitlokken. De operatie was nodig om weer beter te kunnen ademen.

Mijn man nam dus liefdevol het dichtst bij de toiletten plaats, mijn dochter en ik gingen aan de andere kant van de tafel zitten. Even later smulden we van onze heerlijke pizza’s, terwijl onze dochter herinneringen aan haar middelbare schooltijd ophaalde.

Lang geleden dat we nog zo’n mooie avond hadden.

Toeval

Waar word ik gelukkig van?

Ik word gelukkig van ’s ochtends vroeg in Brussel op stap zijn.

Ik douche, ontbijt en ga dan meteen naar buiten.

Vandaag moet ik naar de dokter.

Om tien over acht sta ik bij de tramhalte.

Ik neem tram 19 naar Stuyvenberg.

Ik ben 20 minuten te vroeg.

Het is heel koud. Ik hou van de kou als de zon schijnt.

Ik wandel langs de Houba de Strooperlaan.

Daar staan mooie huizen. En je kan het atomium zien aan het einde van de straat.

Ik zie drie doodkisten in een etalage.

Het zijn ecologische doodkisten.

Een kist van karton met bloemen erop.

Een blauwe kist van hout.

En een kist van riet. Hij lijkt op een picknickmand.

Ik ril. De kisten maken mij bang.

Het is tijd om naar de dokter te gaan.

Een uur later sta ik weer op straat.

Ik loop weer naar de tramhalte.

Tram 19 komt er net aan.

Ik spring op de tram.

Ik rijd graag met de tram door de stad.

De tram rijdt snel en je kan goed naar buiten kijken.

We komen voorbij het park en het kerkhof van Jette.

Ik moet bijna afstappen. Bij halte Astrid.

Bij de halte staat een grote man met een bruine jas en een rode muts.

Ik zou hem uit een miljoen mensen herkennen.

Het is mijn man.

De tram stopt. De deuren gaan open.

Mijn man stapt achteraan op de tram. Ik ga vooraan afstappen.

Maar ik stap niet af.

Ik loop door de tram naar mijn man.

Ik kijk naar hem. Hij ziet mij niet.

Hij biept met zijn MOBIB-pas.

Ik leg mijn hand op zijn arm.

Dan ziet hij mij.

We geven elkaar een kus.

Hij bloost.

Hij begrijpt het niet.

Ik leg het uit.

‘Ik ben naar huis gekomen met de tram. Jij gaat naar je werk met dezelfde tram.’

‘Waarom ben je niet afgestapt?’ vraagt hij.

‘Omdat ik jou zag,’ zeg ik. ‘Ik rijd nog één halte met je mee.’

Wat een toeval dat we dezelfde tram genomen hebben.

Het toeval kan heel mooi zijn.

Zeker als je verliefd bent.

Bloost mijn man daarom?

Bij halte Spiegel geven we elkaar nog een kus.

Ik stap af.

‘Tot vanavond!’ zegt mijn man.

‘Tot vanavond!’

Winterochtend

_DSC3937 (2).JPGEr is weinig wat mij zo gelukkig maakt als vroeg in deze stad op pad zijn. ’s Ochtends douchen, ontbijten en dan meteen naar buiten. Vanochtend heb ik een doktersafspraak. Om tien na acht sta ik bij de tramhalte. Ik neem tram 19 richting De Wand. Bij Stuyvenberg stap ik uit. Ik hou van de buurt rond Stuyvenberg, met de Eendjesvijver en de zijstraten van de Houba de Strooperlaan die uitkijken op het atomium. Er staan veel prachtige herenhuizen in deze buurt. Ik ben twintig minuten te vroeg. Ik wandel langs de mooie laan met geen ander doel dan wat tijd voorbij te laten gaan. Ik geniet van de kou. De koude doet enorm veel deugd.

Op de Houba de Strooperlaan zie ik een zaak met ecologische doodkisten. Er staan drie kisten in een verder lege etalage. De ene lijkt van wit karton, er zijn lelijke lelies op geschilderd. De andere is van hout, hij heeft de kleur van een stralend blauwe hemel. De middelste kist is van riet. Het lijkt een picknickmand, maar dan voor een lijk. Deze kisten staan hier zo troosteloos op een rij. Ze zijn lelijk en goedkoop. Ze passen totaal niet bij elkaar. En ze staan rechtop. Dat is raar. Een kist moet liggen. Een huivering gaat door me heen. Dan is het tijd voor de dokter.

Een uur later sta ik weer op straat. Zal ik nog even naar de nabije Albert Heijn gaan? Als halve Nederlandse heb ik soms heimwee naar eten uit mijn kindertijd, zoals krentenbollen en Calvé pindakaas.

Nee, ik ga naar huis. Ik stap naar de tramhalte bij de Eendjesvijver. Er stopt net een tram, ik ren om hem te halen. Ik spring op de tram. Mijn wangen voelen rood. Warm van het praten met de dokter, bevroren door de kou. De tram is het fijnste vervoermiddel. Niets heerlijkers dan door deze stad te zoeven en naar buiten te kijken. We passeren het Jeugdpark en vervolgens het kerkhof van Jette.

Ik nader mijn afstaphalte, Astrid. Bij de halte zie ik een grote man met een beige jas en een bordeaux muts. Ik zou hem uit miljoenen meteen herkennen. Hij steekt er altijd een beetje bovenuit. Het is mijn man. Hij kijkt door zijn grootte dan weer altijd een beetje over me heen. Ik sta op het punt vooraan van de tram te stappen, hij staat klaar om achteraan op te stappen. Ik loop door de tram naar hem toe. Hij stapt op, haalt zijn metropasje boven, laat het biepen. Het is vreemd je geliefde te bespieden. Pas wanneer ik vlak naast hem sta en mijn hand op zijn arm leg, ziet hij mij. Intussen zijn de tramdeuren gesloten.

We kussen elkaar. Hij bloost. Eerst begrijpt hij het niet. Dat ik ben gekomen met de tram waarmee hij vertrekt. Ik moet het uitleggen. Waarom ik niet afstapte? ‘Omdat ik je zag. En jij achteraan opstapte. Ik rijd een halte met je mee,’ zeg ik. Het is laat. Het is kwart na tien. Meestal is hij nu al lang vertrokken. Er was veel toeval nodig om deze ontmoeting plaats te laten vinden. Alsof het zo moest zijn. Een toevallige ontmoeting is intens. Ook als je elke nacht samen slaapt. Bloost hij daarom?

Bij halte Spiegel kussen we elkaar nog eens. Ik stap ik af. ‘Tot vanavond!’

Op zoek naar Pêle-Mêle

Ik ben op zoek naar Pêle-Mêle, de bekende Brusselse tweedehandsboekenwinkel. In geen eeuwigheid ben ik er nog geweest. Mijn man was er onlangs. Hij heeft me gezegd dat de zaak in al die jaren niet veranderd is. Dat er nog steeds zo’n gezellige sfeer hangt en dat je er echt koopjes kunt doen. Daar wil ik me van vergewissen. Ik weet niet meer precies waar de boekhandel gevestigd is, zo lang is het geleden.

Ik wandel van het Anneessensplein naar de Beurs. Ik loop aan de schaduwkant van de straat. De schrale noordoostenwind die het kmi vanochtend voorspelde, maakt dat het bij 4°C stevig lijkt te vriezen. Ik wil aan de overkant gaan lopen, waar de zon schijnt. Bij het oversteken zie ik mensen gewoon in het midden van de Lemonnierlaan lopen. O ja, dit is de voetgangerszone. Ik ben er nog steeds niet aan gewend. Ik loop dan ook maar in het midden van de boulevard.

Ik kom voorbij het voormalige Italiaanse restaurant de ‘Rugantino’. Het is nog steeds gesloten. Het ziet er ook niet naar uit dat het binnenkort zal heropenen. Hoe lang is het geleden dat het restaurant bij een gasexplosie zwaar beschadigd raakte? Zou het prachtige interieur nog te restaureren zijn? In gedachten proef ik weer de flinterdunne pizza’s, ik zie weer de altijd norse obers, ik hoor weer de pianist die hier geregeld zat te spelen. Ik denk aan de mooie avonden die ik hier doorbracht, in wisselend gezelschap. Ik denk aan mijn nonkel, de bon vivant, die me dit restaurant leerde kennen. Voor hem en zijn vrouw was het hun tweede huiskamer. Wanneer ik hier kwam eten, was er veel kans dat ik hen tegenkwam. Nu is het zeker een jaar geleden dat ik mijn nonkel zag. Hoewel we allebei in Brussel wonen, gaan we uiterst zelden bij elkaar op bezoek. In twintig jaar ben ik misschien vijf keer bij hem thuis geweest, hij nooit bij mij. We komen elkaar niet zo vaak tegen. Soms eens in het theater.

Hoor ik mijn nonkel nu spreken in mijn hoofd? Het is zijn stem. Ik kijk opzij en zie een buik onder een beige regenjas. Daarboven een hoofd onder een donkere muts. Ik herken hem niet meteen. Ik ga een klein beetje dichterbij. Ja, het zijn mijn nonkel en zijn vrouw. We moeten al even naast elkaar hebben gelopen. Ook zij herkennen mij niet meteen. Ik heb ook een muts op en ze hebben me nog niet gezien met mijn nieuwe bril. Ik vertel dat ik net aan hen aan het denken was, omdat ik de Rugantino passeerde. ‘We zijn de patron een tijd geleden tegengekomen. Hij zei dat hij in december zou heropenen. Maar het is nog steeds dicht. Al vijf jaar. Waarschijnlijk heeft hij er geen zin meer in. Hij was al oud. Hij geniet nu zeker van zijn pensioen.’
Ik wandel verder met mijn nonkel en zijn vrouw door de voetgangerszone. Een kort eindje praten we wat bij. Mijn tante neemt afscheid bij de Delhaize waar ze haar boodschappen gaat doen. Ik wandel met mijn nonkel door tot aan de Brouckère. Ik vraag waar hij mee bezig is. Met een boek over Oostende, zegt hij en met een radio-uitzending over mei ’68. Met naar de cinema gaan en met heel veel lezen. Ik vraag wat hij leest. ‘Annie Ernaux – zware kost.’ Ik hoop dat ik later een even actieve gepensioneerde zal zijn.

We komen aan bij de Brouckère. Mijn nonkel gaat naar Muntpunt, ik ga de metro in. We nemen afscheid. Wie weet duurt het weer een jaar eer we elkaar nog eens zien.

Pêle-Mêle vind ik wel een volgende keer.

Verdwenen

Misschien omdat er geen deur was. Je er zo kon binnenstappen. Misschien omdat hij in mijn hoofd geen naam had. Of omdat je je bezoeken nooit bewust plande. Je er gewoon heen ging  als je in de buurt was. Omdat het handig was. En snel. Misschien omdat het hier zo goed draaide. Het altijd druk was. En niet echt mooi. Of omdat hij te midden van een ongezellige plek lag. Misschien omdat ik er nooit bekenden tegenkwam. Misschien omdat het leek of er zo dertien in een dozijn waren. Misschien omdat ik er nooit langer dan nodig bleef. Of omdat er geen wc was. Misschien omdat ik me een beetje schaamde om hier te komen. Het een gemakkelijkheidsoplossing was. Misschien omdat ik hier al mijn hele Brusselse leven kwam.

Nooit ben ik bang geweest dat deze plek er op een dag niet meer zou zijn. Nooit is het bij me opgekomen dat ik verdriet zou hebben bij zijn verdwijnen.

‘Bunny Snack déménage’. Geschokt lees ik het briefje. Talloze broodjes at ik hier. Maar ik wist niet dat hij Bunny Snack heette. Naar Bugs Bunny. Er overvalt me een instant gemis. Van de rode formica tafeltjes. Van de Italiaanse specialiteiten in het interieur van een Amerikaanse diner. Van de samen lunchende collega’s met hun stropdassen en de shoppende vriendinnen die even bekomen met hun boodschappentassen. Van de kleine toog waarachter een ongelooflijke bedrijvigheid heerste. Van de lange file die wachtte op een broodje om mee te nemen. Tot ver in de City 2 stonden de klanten.

Toen Le Suisse overstapte op afbakstokbrood, bood het lekker knapperige stokbrood van de Bunny Snack me troost.

Mijn dochter en ik staan verweesd te kijken. We herinneren ons nog goed de laatste keer dat we hier waren. Niet zo lang geleden. Mijn dochter at een overheerlijke panini met gegrilde groenten en mozzarella. We wisten niet dat het onze laatste keer was. Graag had ik toen bewuster afscheid genomen. Met een dessert of zo, of een glaasje cava. En nog wat foto’s gemaakt.

Ik herinner me nog dat ik hier vaak een broodje kwam halen, ten tijde van mijn eerste job. Ik werkte toen op de personeelsdienst van H&M. Zij hadden hun kantoren in de Nieuwstraat. Twintig jaar geleden. Een broodje tonijn, zalm met cressonette, pain de veau, omelet, tomaat-mozzarella of gegrilde groenten met ricotta. Vaak at ik het wandelend op. Altijd hopend dat ik geen bekenden zou tegenkomen. Want met iemand moeten spreken terwijl je net lekker wandelend een broodje aan het eten bent, is vervelend.

Op het briefje staat dat de Bunny Snack naar de kelderverdieping van de City 2 verhuisd is. Aan de uitgang van de metro. Ik vind het een magere troost. Ik heb geen enkele hoop. Maar ook niet meteen een alternatief. Mijn dochter en ik nemen de roltrap naar beneden. We zien hem meteen. De snack heeft de plaats van de Mothercare ingenomen, een winkel van babyspullen. Maar de geborgenheid is weg. Van het interieur word ik niet warm. De snackbar is vier keer groter dan vroeger. Er loopt vier keer zoveel personeel rond. Aan Bugs Bunny-tempo. Ook de mensen die de metro in- en uitstromen, komen als opgejaagde konijnen voorbij. De rust is ver te zoeken. De stilte ook. In de vorige zaak zat je een beetje uit de drukte van het shopping center. Er meer middenin dan hier kun je niet zitten.

Mijn dochter bestelt dezelfde panini als vorige keer. Hij is niet zo lekker. Veel te erg gepeperd. Ze haalt de boosdoener, de aubergine, er tussenuit. Ik neem een hap van mijn platgedrukte stokbrood. Het smaakt naar nooit meer.

Wie was Bugs Bunny weer, vraag ik me even later thuis af. Ik zoek het op. Tot mijn verbazing lees ik dat Bob Givens, de geestelijke vader van Bugs Bunny, overleed op 14 december 2017. Een maand geleden. Hij was 99 jaar. De Brusselse Bunny Snack ging hem achterna.