Mussen

De Rode Valies was enkele dagen in Berlijn. Voor het eerst. In de mooie buurt Prenzlauer Berg. Samen met man, dochters, moeder en vader Valies. De gele metro denderde over een donkergroene brug voorbij ons raam. Dat was ’s avonds mooi om te zien.

Wandelend langs de brede, groene lanen besefte ik meteen: het is hier aangenamer dan in Brussel. Groener, vriendelijker, schoner, gezelliger. Wat was er nu zo verschillend van Brussel? Na enkele dagen maakte ik een lijstje:

Veel meer leuke cafés. Smaakvol ingericht met retro meubeltjes, zonder té trendy te zijn. Met tot de verbeelding sprekende namen zoals ‘Zu mir oder zu dir’, ‘An einem Sonntag in August’ of ‘Lass uns Freunde bleiben’. Meer mensen op café. Van ’s ochtends al. Er wordt veel ontbeten, vaak samen met vrienden. Je kan er ook veel goedkoper eten en drinken. Vaak krijg je gratis water. En staat er vegetarisch en veganistisch eten op de menukaart. Ook in de supermarkt is het eten goedkoper. Er zijn meer bio supermarkten. Meer jonge mensen. Meer kinderen. Meer baby’s in draagdoeken. Meer borstvoedende vrouwen, soms wandelend over straat. Meer ijsjes. Meer speelpleinen. Meer fietsers. Meer fietspaden. Minder lange wachttijden voor voetgangers bij de verkeerslichten. Meer bomen. Meer groen. Meer verwilderd groen. Meer brandnetels.

Meer parken. Meer picknickende mensen in de parken. Stipter en regelmatiger openbaar vervoer. Sympathiekere metrostellen. Een eenvoudiger te doorgronden metronetwerk. Meer graffiti. Meer tweedehands. Meer monumenten en gedenkplaten.

Veel meer aandacht voor het verleden. Meer levenswijsheden en slogans op straat. Meer wereldverbeteraars.

Een nieuw elan. Betere straatmuzikanten. Meer artistieke en creatieve werkplaatsen. Minder afval. Geen hondendrollen. Meer boekenwinkels. Meer mussen.

Meer graffiti vind ik niet beter – al hoort die onmiskenbaar bij mijn beeld van Berlijn. En onze metrostellen zijn moderner. Onze parken beter onderhouden. Al ben ik ervan overtuigd dat een beetje verwilderd wel gunstig is voor fauna en flora. En dat hoog gras meer uitnodigt tot spelen, picknicken en rollebollen.

Op onze laatste dag bedenk ik ineens dat ik ze moet fotograferen, de verschillen. Het groen, de ongesnoeide bomen, de slogans, de café-interieurs. Ik ga aan de slag. Meteen schiet ik in de lach: een hamburgerrestaurant roept met bijzonder actueel citaat van de achttiende-eeuwse toneelschrijver Schiller (1759-1805) op om je leven een nieuwe wending te geven: ‘Elke dag is een nieuwe kans om datgene te doen wat je zou willen doen’.

Dan zie ik een kolonie mussen. Ze zitten bij een duinroos, naast restaurant Die Schule op de Kastanienallee. Ze merken me meteen op. Terwijl ik afdruk, vliegen ze uit mijn beeld.

’s Avonds bekijk ik mijn foto’s. Van één foto herinner ik me niet dat ik hem genomen heb. Betonnen tegels, een groene struik en een paar rozenblaadjes op de grond. Is mijn toestel per ongeluk afgegaan? Vermoedelijk niet, daarvoor is de foto te goed. Ik vraag mijn man of hij hem gemaakt heeft. ‘Nee. Hij is wel goed gekadreerd,’ zegt hij. Dan pas besef ik: het is de foto van de mussen. Die weggevlogen zijn. De foto toont hun afwezigheid.

We kennen stadsmussen en huismussen. Maar de stadsmus is geen soort. De stadsmus is een huismus die in de stad woont – huismussen wonen ook op het platteland. De stadsmus is meestal een mens. Maar een mens kan ook een huismus zijn. En toch in de stad wonen. Het verschil tussen mensen en mussen is kleiner dan we denken. Mussen zoeken onze nabijheid ook op.

In Brussel zie je nog weinig huismussen – de vogels bedoel ik. Op het internet lees ik dat ze verdwijnen omdat onze daken vaak te goed geïsoleerd zijn. De mussen vinden geen opening meer waarlangs ze naar binnen kunnen om een nest te maken. Er is in de steden te weinig groen of het groen is te ‘steriel’, té goed onderhouden. Maar niet in Berlijn. Daar zijn de mussen nog graag. Spijtig dat ik ze niet kon vastleggen. Een beetje schuw waren ze wel.

Voor ik ga slapen vraagt mijn vader om naar zijn foto’s van die dag te komen kijken. Mijn verbazing is groot wanneer hij me een foto van een tafel vol mussen toont. Ze smullen van een stuk taart. Ik ben er zeker van dat ik hem niet over de mussen gesproken heb. Ik vraag waar en wanneer hij de foto genomen heeft. Bij Café Fleury, 16 minuten na de mijne, slechts 750 meter verder dan waar mijn mussen wegvlogen.

(Bij het schrijven van deze tekst werd dankbaar gebruik gemaakt van de info over mussen op de site van Vogelbescherming Vlaanderen)

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Het dorp van René

Zoek je nog een betaalbare citytrip dicht bij huis? Dan kan ik je het bezette Jette aanbevelen. Volgend jaar zal het Spiegelplein volledig heraangelegd zijn en zal de nieuwe tram 9 stil langs de Jetselaan zoeven. Dan wordt Jette het nieuwe Elsene of het nieuwe Sint-Gillis. Maar voor de gentrificatie hier toeslaat, kan je nog even komen genieten van een unieke situatie.

Om de overlast voor de werkende en schoolgaande mens te beperken, heeft de gemeente besloten in de vakantie zowat heel het centrum van Jette open te leggen. De impact hiervan wordt me duidelijk wanneer ik op een dag naar de Colruyt ga en ik de Leopold I-straat alleen nog via een smal oneffen pad kan oversteken. Twee dames helpen een oude man met een rollator over de losse stenen. Het is mooi om te zien, die solidariteit. De volgende dag hebben ze over het pad een wiebelige metalen plaat gelegd. Ik loop erover terwijl een groot gevaarte van een graafmachine op amper twee meter van mijn hoofd in de weer is. Enkele dagen later is de tijdelijke oversteekplaats verdwenen. In plaats van rechtdoor te gaan voor de Colruyt moet ik moet rechtsaf slaan, de straat helemaal uitlopen en dan aan de overkant opnieuw inlopen. Ik denk aan de man met zijn rollator. Voor hem moet het een enorme omweg zijn.

‘Jette is Bagdad,’ hoor ik de krantenverkoper tegen een klant zeggen. Overal op straat hoor je mensen klagen. Er zijn geen andere gespreksonderwerpen meer dan de werken. Maar het leven gaat voort. Op het terras van ‘Il Cappuccino’ slurpen de Jettenaren onverstoord van hun koffie, met het geluid van drilboren op de voorgrond. Op de kermismolen draaien kleuters hun rondjes – je hoort Claude François nog net van onder de herrie. Daarnaast genieten de mensen als vanouds van hun pak frieten op het terras van de Friterie du Miroir. Het stof van de nabije graafwerken waait net niet in hun mayonaise.

werken Jette 1Het valt me op dat er overal pijlen hangen met ‘Colruyt’. Ook op plekken vanwaar ik de weg naar de Colruyt niet zou kunnen uitleggen. Het lijkt alsof alle wegen naar de Colruyt leiden – allicht omdat schijnbaar geen enkele weg nog naar de Colruyt leidt. De pijlen worden door voorbijgangers gemakkelijk gedraaid, waardoor op sommige plaatsen de Colruyt zowel naar links als naar rechts is. Een grotere gratis promocampagne kon Colruyt zich niet wensen. Het is me trouwens een raadsel waarom de plaatselijke Carrefour (in dezelfde straat van de Colruyt) en de Delhaize nauwelijks zulke pijlen hebben.

Ingevolge de openhartoperatie van onze gemeente zijn we met het openbaar vervoer moeilijker bereikbaar geworden. Wanneer ik bus 13 of 14 wil nemen naar Simonis, moet ik naar een tijdelijke halte stappen die zo ver is, dat ik even goed te voet kan gaan. Tram 19 is nu bus 119 geworden. Die extra 1 ervoor schept veel verwarring bij de reizigers en is na enkele dagen weer verdwenen. De tijdelijke halte Miroir is al een paar keer verplaatst – altijd weer spannend of ze er nog zal zijn. Eén keer kom ik te laat op een afspraak omdat ik zo lang moest zoeken. Een andere keer kan ik nog net op tijd uitstappen, op meer dan honderd meter van de oorspronkelijke halte.

Op een avond ben ik bij vrienden uitgenodigd. En ineens zie ik het: de absurditeit van deze situatie, ja zelfs de schoonheid. Signalisatie is een vak apart. Op sommige plekken lijkt de opeenstapeling van borden op de installatie van een hedendaags kunstenaar. Op de wegwijzers voor voetgangers staat een blauw Keith Haring-achtig figuurtje. Een beetje ineengedoken, wat radeloos. Alsof hij niet op zoek is naar de Colruyt, maar naar de zin van het bestaan. Hij verbeeldt perfect de ontreddering die de Jettenaars dezer dagen voelen.

Het blauwe mensje staat ook bij het reisbureau ‘JetExpress’, dat een reis naar Amerika promoot. Ik schiet in de lach. Nee, ik blijf graag hier, waar alles traag mag gaan, te voet en met omwegen.

20170708_212929

De gemeente Jette herdenkt dit jaar de vijftigste overlijdensverjaardag van inwoner René Magritte. Een tijd geleden werd daarom in het Jeugdpark ‘het Dorp van René’ gebouwd. De geest van de surrealistische schilder was er ver te zoeken. Maar deze zomer waart hij rond bij de Miroir.

20170709_2006121-e1499717599812.jpg

In de straat van de Colruyt speelt een meisje met een grote fluo gestreepte bal. In haar eentje maakt ze van de straat van de Colruyt een speelstraat. Zoveel poëzie zag ik hier nog niet eerder.

20170708_213411

Waar wacht je nog op? Kom je mindfulness oefenen door een koffie te drinken in de herrie, doe de wandelzoektocht naar de Colruyt en de provisoire halte Miroir, geniet van de conversaties in de krantenwinkel en op straat, bewonder de installaties gemaakt met verkeersborden. Of ga iets eten bij ‘’t Alternatives’ – het bio eethuis dat een dappere vriend uitgerekend in deze periode opende. De zondagsmarkt gaat ook onverstoord door!

Volgend jaar zal het hier fijn vertoeven zijn. Maar de unieke zomer van 2017 zullen we niet snel vergeten. 20170709_200346

 

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Ontmoeting

Een zonnige woensdag in juli. We gaan koffie drinken bij ‘Il Cappuccino’. We wandelen naar het marktplein, aan het eind van onze straat. Van ver zie ik hen aankomen. Hij draagt een bermuda, zij een roze rok. Ze stralen. Van op meters afstand voel ik hun rust, hun levensvreugde, hun liefde. ‘Wat een mooi koppel,’ zeg ik tegen mijn man. ‘Ja,’ zegt hij lachend, nadat we hen gekruist zijn. We hebben hen hier nooit eerder gezien.

In de namiddag heb ik met vrienden afgesproken in het Dieleghembos. Bij de hondenweide is een kleine speeltuin. De vrienden zijn er met een groep kinderen. We praten en drinken gemberlimonade. We verbazen ons erover dat we deze gigantische tuin voor ons alleen hebben.

Ik keer terug naar huis, via het Boudewijnpark. Zal ik nog even naar de bibliotheek gaan? Dan moet ik naar links. Ik zie dat ik mijn bibliotheekkaart vergeten ben. Dan naar huis, naar rechts. Langs het pad waar ik bijna elke avond wandel. Daar op het bankje waar ik ook vaak naar passanten kijk, zitten zij: het stralende koppel van ’s ochtends. Hij zit links, zij rechts. Tussen hen in is ruimte voor een derde persoon. Ze lezen niet, ze praten niet. Ze kijken rustig voor zich uit. Ik zeg dag. Ze herkennen me niet. Ik loop hen voorbij.

In mijn rug voel ik hen nog stralen. Dit is te groot toeval. Ik loop terug. Schraap mijn moed samen. Ik vraag of ze Nederlands of Frans spreken. ‘Les deux’ antwoordt de man dus ga ik verder in het Frans. Ik vertel dat ik hen ’s ochtends zag en zo mooi vond. Ik vraag of ik een foto van hen mag maken. ‘Wacht, ik ga wat dichter bij mijn vrouw zitten,’ zegt hij en schuift naar haar toe. ‘Ik pak niet op foto,’ zegt zij. Ik spreek haar tegen. Ik hurk voor het bankje en fotografeer hen. Uit de blik van de man maak ik op dat ik mijn tijd mag nemen.

‘Zijn jullie al lang samen?’ vraag ik. ‘Aan het eind van de maand zijn we 61 jaar getrouwd. Maar we zijn al vier jaar langer samen. Door de oorlog stelden we onze trouw uit.’ Ik vertel hen dat ik ook al 28 jaar met mijn man samen ben en dat we twee dochters hebben. ‘Wij hebben één dochter en één kleinzoon. Ik ben altijd thuis gebleven om voor onze dochter te zorgen. Mijn man heeft tot zijn eenenzestigste gewerkt. Toen stopte het bedrijf waarvoor hij werkte, door de Europese unie en de grenzen die werden opengesteld.’ ‘Ja, ik had graag tot 65 gewerkt. 61 is vroeg om te stoppen.’ ‘Dat was wel even moeilijk.’

‘Mijn moeder zei het vroeger al tegen mij en nu ervaar ik het zelf ook: als je ouder wordt, gaat de tijd sneller. Soms gaan de dagen heel traag. Maar de tijd in zijn geheel gaat veel sneller. Wij hebben geluk, we zijn nog gezond. Als je hoort van vrienden, andere mensen van onze leeftijd: ze hebben allemaal iets. Wij niets. Mijn man fietst nog.’

Ik vraag of ik over hen mag schrijven voor mijn blog. Het mag. ‘Nee, we hebben geen internet. Mijn vrouw heeft wel een gsm waarmee ze kan bellen en gebeld worden. Ik niet.’ ‘Wat een geluk,’ lach ik.

Hoe graag ik ook verder zou willen praten, ik vind het tijd om hen weer in hun mooie rust laten. ‘Ik hoop dat we elkaar nog eens zien,’ zeg ik, ‘ik maak hier elke dag mijn avondwandeling’.

‘Ja. Wij wonen hier achter het park. We zitten hier vaak.’

opa oma.jpg

We woonden in de mooie Richard Neyberghlaan in Laken. Zo’n vijftien jaar geleden. Ik had nog niet zo lang geleden mijn eerste kindje gekregen en zocht een parttime job met goede uren, niet te ver van huis. In de Stadskrant zag ik een aantrekkelijke vacature: de blindenbibliotheek zocht iemand om deeltijds boeken in te lezen. De blindenbibliotheek lag om de hoek. Ik wist dat ze er vaak met vrijwillige inlezers werkten. Maar dit was een betaalde job. Ik kon het me nauwelijks voorstellen. Dat ik mijn brood zou kunnen verdienen met het luidop lezen van romans. Dictie had ik nooit gevolgd, ik had een huig-r, maar geen slechte stem. Ik vond dat ik vlot en foutloos kon voorlezen, geïntoneerd maar ook niet overdreven. Ik waagde mijn kans en solliciteerde. Niet lang erna werd ik uitgenodigd voor een leesproef.
Ik kwam in een kleine opnamestudio die ik me herinner als een warme ruimte met beige tapijt en een houten cabine. Ik werd ontvangen door een vriendelijke oude man met dikke brilglazen. Hij was de technicus van de opnamestudio. Na een kort praatje mocht ik plaatsnemen in de cabine, achter de microfoon. Ik moest een stuk uit een roman van Hugo Claus lezen, ik weet niet meer dewelke, misschien ‘Onvoltooid verleden’. Het ging goed, ik had er plezier in. Ik beeldde me in dat ik voortaan, naast mijn bestaan met een baby die veel aandacht vroeg, een inlezend leven hier zou leiden, met een vriendelijke oude man die naar me luisterde en me opnam. Door het venster van mijn cabine zag ik hem zitten. Achter zijn installatie, in de rechterhoek van de smalle kamer.
Vanuit mijn ooghoeken zag ik Willy Courteaux binnenkomen. Hij nam plaats in een zeteltje in de linkerhoek van de kamer. Ik wist dat hij hier wekelijks als vrijwilliger boeken inlas. Ik kende hem als de strenge Dwarskijker en de Man in het venster van de Humo. En van zijn Shakespeare vertalingen. Ik werd een beetje zenuwachtig maar las vastberaden door, met de twee mannen als toehoorders.
Toen ik klaar was en de cabine uitkwam, stapte Willy Courteaux op me af, schudde me hartelijk de hand en zei: ‘Heel mooi gelezen!’ Wat we verder nog zeiden, weet ik niet meer. Wel dat er een warme band was tussen de twee oude mannen. Nadien kreeg ik nog een rondleiding in de blindenbibliotheek, waar toen nog heel veel audiocassettes stonden. Ik maakte een goede kans op de job, dacht ik, te meer daar het leek alsof er geen andere kandidaten waren.
Maar ik vernam niets meer. Twee weken na mijn stemproef las ik een overlijdensbericht in de krant. De naam van de overledene kwam me enigszins bekend voor. Het was de technicus van de blindenbibliotheek. Twee weken geleden had ik Claus’ woorden aan hem voorgelezen, nu leefde hij niet meer. Ik had me een toekomst met hem ingebeeld, deze was nu verleden tijd. Onze kennismaking was ons afscheid. Zonder technicus was er ook van de vacature geen sprake meer.
Willy Courteaux heb ik nadien nooit meer ontmoet. Toen ik het nieuws van zijn overlijden vernam, op 93 jaar, beleefde ik dat ene moment opnieuw. Moge hij ons van hierboven nog eens voorlezen. De technicus zit al klaar.

Willy Courteaux leest voor op de verwendag van Luisterpunt in 2009. Foto: Saskia Boets

Willy Courteaux las in totaal 200 boeken in. 20 jaar lang las hij 2 halve dagen per week boeken in voor de luisterbibliotheek. Luister naar een fragment uit ‘Het kleine meisje van meneer Linh’ van Philippe Claudel.  Een mooie passage die ook over oud en nieuw leven gaat.

Ontmoeting in Muntpunt

Ik ben in Muntpunt.
Muntpunt is de bibliotheek van Brussel.
Op het Muntplein.
Ik kijk bij de boeken over naaien.
Ik neem een boek uit de kast.
‘Love at first stitch’ is de titel.
Liefde op de eerste steek.
Niet op het eerste zicht.
Een man komt naar mij toe.
Ik vind hem knap.
Hij heeft een briefje vast.
‘Ik zoek,’ zegt hij.
Hij toont me het briefje.
Ik lees: ‘525’.
Hij zoekt 525.
‘Een boek over wiskunde,’ zegt hij.
De boeken over wiskunde hebben nummer 525.
‘Ik zal je helpen zoeken,’ zeg ik.
‘Misschien om de hoek,’ zeg ik.
We gaan kijken.
We zien een bordje: ‘opvoeding’.
‘Nee hier staan ze niet.’
We lopen terug.
‘Zijn we op de juiste verdieping?’ vraag ik.
We kijken op het grote bord.
Wiskunde is op de derde verdieping.
Daar zijn we. We zijn juist. We moeten verder zoeken.
‘Soms is het moeilijk,’ zeg ik.
‘Hier!’
‘Nee, hier is informatica,’ zegt de man.
‘Misschien in de volgende kast? Ja, hier! Onderaan.’
We hebben de boeken over wiskunde gevonden.
De man is blij. ‘Bedankt,’ zegt hij.
‘Graag gedaan,’ zeg ik. Ik lach. Ik help graag mensen.
Ik loop weg.
Ik kijk nog even naar de man.
Hij heeft zijn hand uitgestoken.
Hij wou mij een hand geven.
Ik zie het nu pas.
Ik ben dat niet gewoon.
Dat iemand ‘dank u’ zegt met een hand.
Ik wil teruglopen.
Zijn hand schudden.
Maar ik durf niet.
Ik ben al te ver.

Sneeuw

Begin december 2016, een natte winteravond. Ik liep naar het Kaaitheater. Bus 14 had me tot bij Thurn en Taxis gebracht. Ik had niet, zoals gewoonlijk, de metro naar Yzer genomen. Waarom ik de bus had genomen? Afwisseling is soms nodig. De bus of de metro, het zijn van die kleine beslissingen die het verschil kunnen maken in een leven, in goede of in slechte zin.

Het was donker langs het kanaal. Ik liep over de brug. In het midden van de brug werd het voetpad versperd door het statief van een fotograaf. Ik probeerde te zien wat hij fotografeerde. Het nachtelijk verkeer dat vanuit de stad de brug over reed. Ik zag de poëzie er wel van in. Ik had zin om de man aan te spreken, maar durfde niet goed. Hij was heel toegewijd bezig, leek alle tijd van de wereld te hebben. Ik niet, ik had een beetje haast. Ik liep naar het theater, haalde mijn ticket af. De fotograaf bleef in mijn gedachten. Misschien had er een verhaal in gezeten.

Tot mijn verbazing zag ik hem even later in de inkomhal van het theater. Weer had hij zijn statief opgesteld. Hij nam foto’s van de foyer en van de neon van Tim Etchells die er boven de deuren hangt: ‘Al we have is words all we have is worlds’. Ik verzamelde mijn moed en sprak hem aan. Waarom nam hij foto’s, wat deed hij ermee? Was hij beroepsfotograaf? Nee, dat niet. Hij had in de sociale sector gewerkt en was sinds enige tijd werkloos. Elke dag ging hij wandelen door Brussel om foto’s te nemen, ‘om niet gedeprimeerd te raken’. Ik vroeg of ik zijn beelden ergens kon zien, hij schreef zijn naam voor me op een briefje. Toen moesten we afscheid nemen, de voorstelling begon.
De volgende dag waren we vrienden op facebook. Zo snel gaat dat soms in deze wereld. We hadden geen gemeenschappelijke vrienden, wat ik prettig vond. We bewegen ons te vaak in dezelfde vertrouwde kringen waarin vrienden vrienden van vrienden zijn. Ik zag de foto die hij van de foyer van het Kaaitheater had genomen. Het was niet de volle foyer waarin ik me had bevonden, maar de verlaten foyer tijdens de voorstelling, met één persoon die in schemerlicht op deall-we-have-2 bank zit te wachten onder de woorden ‘Optimism in practice’.

De foto was genomen op dag 29 van de ‘Défi 365 jours’ die de fotograaf zich gesteld had. Nog 336 foto’s te gaan, nog 336 dagen rondwandelen in Brussel. Sindsdien volg ik hem. Ik vind zijn foto’s niet altijd goed. Maar het gaat niet om goed zijn. Ook niet om consequent zijn. Het gaat om het wandelen, het ontdekken, het onderzoek: van de stad en van de fotografie. De ene dag in kleur, de andere dag in zwart-wit. De ene dag bewerkt, de andere dag niet. De ene dag figuratief, de andere abstract. De ene dag een studie van gezichten weerspiegeld in ramen, de andere dag de regendruppels op die ramen. Ik deel zijn interesse voor bomen, mensen en vensters. Die keren steeds terug in zijn werk. Het is een plezier om elke dag mee te kijken naar mijn geliefde Brussel door de ogen van deze fotograaf.kim-sattler-2

Gisteren lag de eerste sneeuw van deze winter in onze stad. Ik ging niet naar buiten: het was te koud en te glad, bovendien had ik binnen te veel werk. ’s Avonds zag ik Kims foto. Een bankje in het Warandepark. Een man zit erop, met één been in de sneeuw. De voet van zijn andere been rust op de knie van het been dat in de sneeuw staat. Het been dient als een bankje voor een tengere gestalte in amazonezit. Haar benen bungelen in een grappig benenspel naast de zijne, haar voeten in elkaar gehaakt. Ze draagt een jas met grote ruiten die haar kleine lichaam benadrukken. Hun hoofden zijn versmolten in een innige kus. Ze zijn zo klein in vergelijking met de bomen. Die kijken stilzwijgend naar het leven dat beneden voorbijgaat. De vluchtigheid van de kus versus de eeuwigheid van hun kruinen.

Even ben ik het weer wier benen boven de sneeuw bungelen. Dan zoom ik uit en zie ik de fotograaf staan, een eind van hen verwijderd, in zijn aangename eenzaamheid. Ik ben hem dankbaar voor de wandeling die ik vandaag zelf niet kon maken. Hoeveel boeiende, getalenteerde mensen lopen zo nog rond in deze stad? Het enige wat je moet doen is om je heen kijken en iemand aanspreken. Het helpt om niet gedeprimeerd te raken.

Foto’s: Kim Sattler – met dank!

Oud papier

Net Brussel heeft de regeling voor de ophaling van huisvuil drastisch veranderd. De communicatie hierover was bijzonder onduidelijk: we kregen een folder in een bruine envelop. Nergens stond er dat deze belangrijke nieuwe informatie bevatte over de huisvuilophaling. Er was ook geen moeite gedaan om het enigszins visueel duidelijk te maken, voor mensen die het Nederlands of Frans nog niet zo goed beheersen. De gevolgen voor de stad laten zich raden. Omdat we niet zo graag elke dag op afval uitkijken, hebben we zelf een affiche met de nieuwe regeling op de boom tegenover onze deur gehangen. De huisvuilophaling is ontregeld. Toch zag ik vanochtend ook poëzie in de enorme papierberg voor onze deur (die intussen wel werd opgehaald).

_dsc1406

 

 

Muntthee

Naast de school waar ik op zaterdag les volg, is een kleine snackbar uitgebaat door twee Marokkanen. Je kunt er niet goed naar binnen kijken. Op het gelijkvloers staan bakken in plexiglas waar je zelf met een grijptang een koffiekoek uit mag nemen. Om naar het verbruikersgedeelte te gaan, moet je trapjes op. Daar is de toog. Je kan er een broodje smos bestellen, maar ook een broodje kefta of een tajine. Een cappuccino kost er maar 2,20 euro, als ze de prijs niet afronden naar 2 euro. De muntthee is er ook lekker, je krijgt hem mee in een kartonnen beker met een deksel. De school heeft momenteel geen cafetaria. Wie in de pauze een betere koffie wil dan die van het automaat, gaat naar de snackbar. Soms ben je dan wat te laat in de les, want in de koffiebar kennen ze geen haast. Het interieur is wat stoffig en bruinig en er heerst altijd een gezellige familiale sfeer.

Gistermiddag ging ik er rond een uur of drie een muntthee halen. Er was niemand in de zaak. De twee uitbaters zaten samen aan een rond tafeltje naar een film op tv te kijken. Een zwart-wit-film op één. Ik wist niet dat ze dat nog deden, oude klassiekers uitzenden op zaterdagnamiddag. Als kind en als tiener keek ik er vaak naar. Zo ben ik fan geworden van de screwball comedies uit de jaren 1930-1940, waarin een man en een vrouw voortdurend bekvechten maar eigenlijk verliefd op elkaar zijn. Naar zo’n film waren de twee mannen aan het kijken. Ik bestelde de muntthee. ‘Met of zonder suiker?’ ‘Een beetje suiker,’ zei ik, want ik weet dat de suiker er volgens het echte recept in móet. De man verdween naar de achterkeuken om thee te gaan zetten. Ze maakten die niet met heet water uit de koffiemachine maar waarschijnlijk op de traditionele manier, bedacht ik toen hij lang wegbleef. Zijn kompaan keek intussen verder naar de film. ‘Welke film is dat?’ vroeg ik. ‘Ik weet het niet,’ antwoordde hij. ‘Mooi dat ze nog zo’n oude films geven op tv. Ik wist niet dat ze dat nog deden. Vroeger als kind heb ik er veel gezien, zei ik. ‘Ik zie dat graag. Ze acteren anders dan nu,’ zei de man. Het geluid stond niet aan, maar er werd met veel mimiek en gebaren geacteerd. ‘Een beetje nog zoals in de stille films,’ zei ik, ‘expressiever’. ‘Ja, expressiever,’ zei hij. Ik vond het mooi dat hij dat woord herhaalde.

Zijn Nederlands was beperkt, later zou hij een van mijn cursisten kunnen zijn. Ik vertelde dat ik de lerarenopleiding volgde. ‘De SLO?’ vroeg hij. Ik verbaasde me erover dat hij de afkorting voor ‘specifieke lerarenopleiding’ kende, tot voor kort had ik daar zelf nog nooit van gehoord. ‘Ik ga me ook inschrijven. Om Frans te geven aan Nederlandstaligen. In februari begin ik.’ Later zou ik ook een cursist van hem kunnen zijn. We keken verder naar de film. Een man en een vrouw zaten samen op een grote passagiersboot. ‘Ik denk dat die actrice Claudette Colbert is,’ zei ik. Het had me niet verbaasd als hij haar had gekend. Toen was mijn muntthee daar. Ik nam afscheid en kwam iets te laat in de les aan. Met binnenpret om die kleine scène in de snackbar, die zelf uit een film had kunnen komen. Ik nam een slokje van de muntthee. Mierzoet.it-happened-one-night