Paden

Negenentwintig mei. Het gaat even niet zo goed met mij. Ik neem de trein naar Oostende. De voorbije twee jaar heeft de zee altijd rust en raad gebracht. ‘Oostende trekt mensen aan die willen veranderen,’ schrijft Koen Peeters in zijn ode aan de kuststad. Ben ik hier daarom zo vaak naartoe gekomen?

Van het station wandel ik meteen via de dijk naar de bibliotheek. Het is een zonnige dag. Op het terras van het café van de bibliotheek  zal ik mijn meter ontmoeten. Zij is pas met pensioen, na jaren pendelen tussen Oostende en Brussel.

De uitbater van het café van de bibliotheek is een voormalige collega. Hij werkte lang geleden als barman in het café van het Brusselse theater waar ik vijftien jaar de personeelsadministratie verzorgd heb. Hij bleef er niet lang.

Op een dag ging hij met zijn vriendin een dagje naar zee. Toen ze ’s avonds naar Brussel terugkeerden, hadden ze een huis gekocht, heel impulsief. Hij woont nu al vele jaren in Oostende, kreeg er twee kinderen.

Ik bestel een cappuccino. ‘We hebben er toch nog eens goed van genoten,’ zeg ik, ‘een laatste keer in Océade zwemmen.’ ‘Ja,’ zegt hij. De vorige keer dat we elkaar zagen was aan het einde van vorige zomer. Een toevallige ontmoeting in een draaikolk van het Brusselse zwemparadijs, kort voor het moest sluiten. Hij kwam er afscheid nemen met zijn zoontje, ik met mijn jongste dochter en haar vriendin. ‘Zo erg dat ze het afgebroken hebben,’ zeg ik, ‘er is daar veel te weinig tegen geprotesteerd.’

Ik vertel mijn oud-collega dat ook ik eindelijk de moed heb gehad om weg te gaan bij het theater dat me nauw aan het hart lag. En dat ik nu Nederlandse les geef aan anderstaligen. Hij vertelt dat zijn beste vriend in Brussel dezelfde job doet, met hart en ziel. Binnenkort gaat hij naar het trouwfeest van de vriend, in Afrika. Intussen maakt hij mijn cappuccino. Nog even praten we over de toekomst van het Oostendse zwembad, dat ook ten dode is opgeschreven. ‘Van mij mogen ze het afbreken, en niets nieuws in de plaats zetten. Dan kan ik van hieruit de zee zien. Ik zou er graag een groot plein van maken, van de bibliotheek tot aan de zee.’

Ik installeer me op het terras. Op mijn telefoon zie ik een berichtje verschijnen. ‘Hoe gaat het met je? En je werk? Als je nog vragen hebt, laat het mij gerust weten.’ Het is een half jaar geleden dat ik haar hoorde, en langer dan een jaar geleden dat ik haar zag. Net nu  informeert ze naar me. Soms lijk ik telepathisch verbonden met mensen die om me geven.

Het was de voorbije maanden niet nodig dat ik haar bezocht. Ik antwoord haar niet meteen. Dat verwacht ze niet. Nu moet ik me vooral ontspannen, zou ze zeggen, zeelucht inademen. Pas twee weken later schrijf ik haar. Ik zeg dat ik nog eens wil afspreken. Om samen over mijn voorbije jaar te reflecteren.

Vierentwintig juni. Wij zullen elkaar treffen in haar kantoor in de Scepterstraat in Elsene. De Scepterstraat is een straat met een actief wijkcomité, dat zich inzet voor meer groen. Geïnteresseerd kijk ik naar de klimplanten, de stokrozen en de veldbloemen die her en der gezaaid zijn, de bloembakken die bewoners voor hun huizen geplaatst hebben. Op een kaartje bij een roze hortensia lees ik: ‘Les voisins fleurissent la rue et voient la vie en rose.’ Ik zie een toekomst voor mijn treurige kaalgeslagen plein.

Ik heb haar veel te vertellen. Zij luistert. Pas na een tijd spreekt zij. Zij vult me met adviezen, ideeën, zin. Dan vallen we even stil. ‘Waar zou je het nog graag over hebben?’ zegt ze. ‘Hebben we nog tijd?’ Nog vijf minuten, zie ik. We zijn te vroeg klaar. Dat gebeurde nooit eerder. Het is omdat het goed gaat. Ik heb deze gesprekken niet meer zo nodig als ooit.

Wanneer ik wegga, zegt ze dat ze me graag wat vaker zou horen. ‘Jij bent diegene die al het langst bij me komt. Ik wil graag weten hoe het met je gaat.’ ‘Ik moet wel betalen om met je te praten,’ lach ik. ‘Een berichtje is ook goed,’ zegt ze.

Bij het afscheid wijst ze me een weg: ‘Als je hier naar links en dan naar rechts gaat, kom je bij de nieuwe promenade over de spoorweg.’ Ik volg haar raad. Ze heeft talent om iemand de juiste richting uit te sturen.

Ik heb nog veel werk maar gun me de omweg naar huis. Het pad is prachtig. Er ligt een verborgen parkje achter, het Viaductpark. Daar liggen mensen uit te blazen op deze hete dag. Beneden  me kruisen twee treinen elkaar. Zij proberen op tijd te zijn.

Via de promenade kom ik in het Leopoldpark, een verrassend groot park met veel hoogteverschillen. Hoe goed verborgen ligt dit groen achter de lelijke paleizen van de Europese wijk. De prachtige Wiertz- en Vautierstraat geven nog een idee van hoe het hier vroeger was. Ik heb deze buurt nog gekend ten tijde van de onteigeningen, mijn Franstalige pennenvriendin woonde hier. Binnenkort, als het vakantie is, kom ik eens terug om het Wiertzmuseum te bezoeken.

Wanneer ik weer bij de metro kom, weet ik niet wat het meest deugd deed: het gesprek of de wandeling.

Advertenties

Zakdoekjes

Ik ben op weg naar Wijnheuvelen voor een wereldbol. Waarom de halte zo heet, weet ik niet. Misschien waren er lang geleden wijngaarden in de Wijnheuvelenstraat. Waarom het geen Wijnheuvels zijn, weet ik ook niet. Wellicht werd het meervoud nog anders gebouwd toen hier wijn verbouwd werd.

De wereldbol zal ik zomaar krijgen van een onbekende. Ik vond hem via Brussel Verniet, een facebookpagina waar Brussellaars spullen weggeven. Waarom de wereldbol weg moet, weet ik niet.

Het is een zonnige ochtend. Ik geniet van de tramrit. Een bedelaar stapt op. Hij bedelt niet zomaar, hij biedt mensen een pakje papieren zakdoeken aan. De Marokkaanse vrouw schuin tegenover me koopt een pakje zakdoeken van hem, de andere mensen schudden het hoofd, ik ook. De man loopt niet door maar gaat tegenover me zitten.

Hij is nu geen bedelaar meer maar gewoon een medepassagier. Ik heb tijd om naar hem te kijken. Hij heeft een mooie bruine huid. Hij is niet onknap, maar wel getekend. Ik schat hem ergens in de dertig. Hij is vrij verzorgd gekleed en heeft een sportieve rugzak bij. Hij is uit zijn land gevlucht, denk ik. Hij heeft zijn fierheid bewaard. Hij wil niet zomaar geld vragen, maar de mensen iets in ruil geven. Iets wat ze nodig hebben, maar vaak vergeten. Zakdoekjes. Voor vuile monden, snotneuzen, tranen.

Hoeveel de zakdoekjes kosten? Wat ik wil, zegt hij. Ik heb nog maar één euro bij. Die geef ik hem. Hij overhandigt me het pakje zakdoekjes. Ik steek ze in mijn handtas. Uit welk land hij komt, vraag ik in het Frans. Hij verstaat me niet. Hij vraagt aan de Marokkaanse vrouw naast me of zij wil tolken. Eerst kijkt ze verbaasd. Met een bedelaar spreken? Maar dan vertaalt ze zijn vraag. ‘Uit Palestina,’ zegt de man. Hij vraagt vanwaar ik kom. ‘From Belgium,’ zeg ik, want hij vertelde net dat hij wel een beetje Engels begrijpt.

Dan raakt hij aan de praat met de Marokkaanse vrouw naast me. Ik versta hen niet. Maar de vrouw koopt nu ook een pakje zakdoekjes. Ik geniet ervan dat ik hen met elkaar in contact heb gebracht. Even later stapt de man af. De Marokkaanse vrouw zegt iets tegen haar overbuurvrouw, de eerste vrouw die een pakje zakdoeken kocht. Ze spreken Arabisch. Uit hun toon maak ik op dat ze met mededogen praten. Ze hebben ook gezien dat deze man te fier is om te bedelen.

Ik heb te weinig met hem kunnen spreken, denk ik. En ik heb hem te weinig gegeven. Niet eens genoeg om een nieuw pak papieren zakdoekjes te kopen.

DeschanellaanBij Wijnheuvelen stap ik uit. Ik wandel naar de Paul Deschanellaan. Dit is zo’n plek waar je je in Brussel in Parijs waant. Bij een van de prachtige statige huizen bel ik aan. Een jonge blonde vrouw doet de deur open, de wereldbol in de hand. ‘Het lichtje is wel stuk,’ zegt ze. Niet erg. Ik steek er wel een nieuw lampje in. We praten nog even, over hoe leuk het is om te krijgen én te geven. Dan vertrek ik weer.

Ik wandel de laan uit. Bij het café op de hoek bestel ik een cappuccino. Van op het terras zie ik de Brusiliatoren. Daar op de vijftiende verdieping woont een goede vriendin van me. Ik heb nu geen tijd om haar te zien. Maar we zouden naar elkaar kunnen wuiven.

Ik haal de wereldbol uit mijn tas. Ik draai hem rond tot ik bij het Midden-Oosten kom. Het land van de zakdoekman staat er niet op.

Pepertjes

Vandaag hebben we berichtjes gelezen in de klas.

Berichtjes die bij de ingang van de supermarkt hangen.

Mensen bieden iets aan, of ze zoeken iets.

Ze bieden iets aan dat ze goed kunnen. Ze kunnen goed klussen, babysitten of strijken.

Ze willen graag bij jou komen klussen, babysitten of strijken.

Als jij iemand zoekt die kan klussen, babysitten of strijken, mag je hen bellen.

Er hangen in de supermarkt ook berichtjes van mensen die iets zoeken.

Ze zoeken iemand die bijles wil geven aan hun kind. Of iemand die hun tuin wil onderhouden. Sommige mensen zoeken een vriend of vriendin om Nederlands mee te praten.

In hun berichtje schrijven ze bijvoorbeeld:

‘Babysit gezocht voor mijn zoontje van twee jaar. Elke donderdagavond van 18-22 uur.’

Of: ‘Wil jij onze Belgische vriend(in) worden en met ons naar de markt gaan, koffie drinken, koken?’

In het handboek stonden veel verschillende berichtjes.

Mijn studenten zeiden dat ze die berichtjes nog nooit hadden gezien in de supermarkt.

‘Niet iedereen post een zoekertje op tweedehands.be,’ zei ik. Sommige mensen hebben geen internet. Zij schrijven nog een ouderwets briefje. Ze hangen het aan de muur in de supermarkt.

’s Avonds ging ik boodschappen doen in de Colruyt. Toen ik naar buiten ging, zag ik de berichtjes hangen. In Brussel zijn ze bijna allemaal in het Frans. Maar er was één berichtje in het Nederlands.

Dit was het:

Tomaten, pepertjes & paprika’s en andere planten

Ik heb een passie voor het kweken van groenten en andere plantjes in mijn moestuin in Brussel. Dit jaar heb ik een 40-tal variëteiten gezaaid, maar ik zal ze niet allemaal in mijn tuin kunnen planten. Ik bied jullie een zeer ruime keus aan planten van zeer speciale, kleurige en lekkere soorten tomaten en pepertjes. De planten stammen af van pure, niet genetisch gemanipuleerde zaadjes. Bovendien werden ze nooit chemisch behandeld!!!

De aanbieder had er de soorten groenten bijgeschreven: tomaten (geel-groen-rood-blauw), pepertjes, paprika’s, komkommers, erwtjes, aubergines, … en ook nog bloemen!

Ze had zelfs een tekening en foto’s van de groenten gemaakt.

Ik heb zin om deze mevrouw te bellen. Ik wil graag een paar plantjes gaan halen voor mijn tuin. Ik weet niet of ze gratis zijn. Misschien moet ik betalen. Dat staat er niet bij.

 

Bij Jettenaars thuis

Jettenaars kijken er elk jaar weer naar uit: het artiestenparcours in het laatste weekend van april.  Maar ook steeds meer mensen van buiten Jette ontdekken dit leuke evenement. Op publieke plekken maar ook bij Jettenaars thuis kan je gaan kijken naar het werk van plaatselijke (amateur)kunstenaars.

Ook de rode valies doet mee, met foto’s en teksten. Ik exposeer op 27 en 28/4 van 11-19 uur in het heerlijke huis van goede vrienden Pieter en Kristien, Baron de Laveleyestraat 23, vlakbij het rusthuis Magnolia. Je zal er mijn fotoreeks van het Boudewijnpark kunnen bekijken. Met een foto uit deze reeks was ik een van de winnaars van de wedstijd ‘Jette in beeld’, ze hangt nu in de voetgangerstunnel onder het station van Jette. Fotografe Paula Richard en illustratrice Nena Peeters – bekend van haar tekeningen op de perrons in Brussel Noord – stellen samen met mij tentoon.

Graag geef ik nog mijn tips voor een leuk parcours:

  • Bezoek het Magrittehuis in de Esseghemstraat 135, het gerestaureerde huis waar Magritte ooit woonde. Het is nu een prachtig museum, ingericht met de authentieke meubels van de bekende surrealist. Magrittes schilderijen hangen er niet, maar er zijn ontroerende kleinoden van de kunstenaar, zoals ansichtkaarten die hij schreef en een vloerkleed dat hij ontwierp en dat zijn vrouw knoopte.
  • Geniet van het werk van Clara Callewaert, de dochter van goede vrienden van me, die je hartelijk zullen ontvangen in hun gezellige en mooi verbouwde huis in de Jules Lahayestraat 174.
  • Ga eens langs bij Art Mosaico in de Vanderborghtstraat 136, een unieke privé-school voor mozaiekkunst. De leerlingen stellen er tentoon.
  • Ga eens kijken naar de foto’s van Raphaël Gorlé. Ze tonen plekken waar de natuur opnieuw zijn plaats verovert nadat ze door de mens werden verlaten (in het Centre culturel de Jette, Bld de Smet de Naeyer 145).

  • Drink iets in de unieke en heel kindvriendelijke tuin van Atelier34zero Muzeum. Bezoek er de expo van Camiel Van Breedam, een gerenommeerde Antwerpse kunstenaar die prachtig werk maakt met eenvoudige houten latjes.
  • Bezoek Hemel 75, een plek die zijn naam niet gestolen heeft. Het huis van Luc Van Cauter is tevens een antiekzaak. Bijna zijn hele interieur -van woonkamer tot zolder- is te koop! Je kan er ook de bijzondere juwelen van Hade Quaghebeur bewonderen.
  • Ga zeker ook iets drinken in de Excelsior, het tofste café van Jette op het mooie Mercierplein. Onderwijl kan je de 3D-werken van Lieve Bracke ervaren.
  • Neem op dit plein ook eens een kijkje in de Sint-Pieterskerk, bekend van zijn jaarlijkse mis in het Brussels. Deze immens populaire kerk gaat met zijn tijd mee, je ziet er verschillende kunstenaars aan het werk.
  • Laat je oren strelen door de toffe jazzplaatjes van Arnie goes DJ in de Bonaventurestraat 37, op 27/4 van 18-19u. Fotograaf Arnaud Ghys staat bij de Jettenaren bekend om zijn fantastische vinylplaten-collectie.

Het volledige programma: APA Jette 2019.

 

Vroege lente

‘Kijk goed als we afstappen, deze tramhalte lijkt op jouw sjaal.’ Een roodharig meisje van een jaar of tien zegt het tegen haar kleine zus. De kleine zus staat met de rug naar me toe, de sjaal kan ik niet zien. Ik ben benieuwd. Op de muren van halte Lemonnier staan grote handen getekend in fijne blauwe lijnen. Op de handen zijn sierlijke patronen aangebracht, zoals de fijne hennatekeningen die Marokkaanse vrouwen op hun handen maken. Maar dan in Delfts blauw. ‘Les mains de l’Esploir’ heet dit werk van de Algerijnse kunstenaar Hamsi Boubeker – de handen van de hoop. Bij het afstappen zie ik de sjaal van het kleine meisje. Hij is wit, met hetzelfde blauwe lijnenpatroon als de muurtekening. Een klein wonder, zo scherp opgemerkt door de zus.

Ik kom boven in het felle licht van de te vroege eerste lentezon. Ook ik neem vandaag alles verhevigd waar: een man die rechtstaand tegen een gevel staat te slapen, planten op een vensterbank, zonlicht op kinderkopjes, twee kleurige handdoeken over een balkonrand. Ik ben blij vroeg op pad te zijn gegaan.

Ik heb zin in koffie. Ik herinner me dat ik een tijd geleden vroeg naar een fijn adres om koffie te drinken bij het Vossenplein, in de facebookgroep ‘Durf te vragen in Brussel’. Iemand tipte me een café dat ik niet kende. Wandelend langs de Zuidlaan zoek ik het op op mijn telefoon. Ik vind het snel, hoewel mijn vraag van een half jaar geleden dateert. ‘Wij zijn vaste klant van ‘Le Père Tranquille’ in de Vossenstraat,’ schreef iemand. Dan zie ik wie me het café aanraadde. Een rilling gaat door me heen. Omdat ik weet dat ze intussen is overleden. Ze was iets jonger dan ik. Ik kende haar alleen uit de digitale wereld, we hadden veel gemeenschappelijke vrienden.

Alles in haar ene zin raakt me plots diep. De tegenwoordige tijd. Dat zij, vanuit haar eeuwige rust, ‘Le Père Tranquille’ aanraadt. De ‘wij’ in haar zin. Wie en waar zijn zij nog zonder haar? ‘De Vossenstraat’ – ik hou van de vossen, die ’s nachts door de straten van Brussel wandelen en het bos naar de stad brengen. En de uitdrukking ‘vaste klant’. Niets  in dit leven is vast, denk ik.

Droefenis overvalt me en tegelijk geniet ik nog intenser van deze mooie dag. Het eerste wat ik zie op het Vossenplein, is een kraam met Nederlandstalige boeken. Ze liggen door elkaar in dozen. Veel politieke boeken, maar ook romans en essays. Het is duidelijk de collectie van één persoon, die grotendeels in de jaren 1980 werd opgebouwd. Het boek ‘Kernenergie? Nee bedankt, ja graag’ ligt er naast ‘Geen winnaars in de Wetstraat’. ‘De digitale toekomst’ vergezelt ‘The end of time’. De digitale toekomst is intussen allang aangebroken en het einde der tijden lijkt steeds dichterbij. En toch is er niet echt iets nieuws onder de zon, denk ik. Even overweeg ik het boekje ‘Oude mensen’ van Simon Carmiggelt te kopen, maar leg het toch terug.

‘A un certain age, on marche en arrière,’ hoor ik een man tegen een marktkramer zeggen waarna hij lachend verder wandelt. Voorwaarts, uiteraard. Ik geniet van de zinnen die ik hier opvang. ‘Dat zijn allemaal zo van die verloren cadeaus,’ zegt een vrouw tegen haar man, een blik werpend op de rommel die hier kriskras door elkaar in dozen te koop wordt aangeboden.

Toch vind ik tussen de verloren cadeaus een nog bijna intacte terrinevorm van Le Creuset, voor twee euro. Mooie Tupperwarepotjes voor een prikje. Een kitscherig blik met dahlia’s erop – de lievelingsbloemen van mijn moeder. En een prachtige glazen tafellamp met een vorm die zo sensueel is dat je hem zou willen strelen.

Het Vossenplein is een openluchtmuseum van afgedankte alledaagse voorwerpen. Soms ook van uitzonderlijke dingen en uitvindingen, die geen lang leven beschoren waren. Zoals de ‘Swing-o-graaf’. Wie weet nog wat dat is, vraag ik me af. ‘Draws pictures of breath-taking beauty with fantastic ease,’ lees ik. Het blijkt een soort tekentoestel waarbij een pen aan een draad slingert, die aan een zware metalen constructie hangt.


Ik geniet van de vormgeving van een oud hamertje tik-spel. Gezelschapsspelletjes waren vroeger veel mooier. Alleen voor de doos zou ik het willen kopen.

Zoals steeds grijpen de postkaarten en de foto’s me het meest aan. Groeten van vervlogen vakanties, huwelijksfoto’s waarop stralende koppels hun inmiddels verleden toekomst hoopvol tegemoet zien. Hun liefde en ook hun latere ruzies, die er ongetwijfeld waren, zijn inmiddels lang begraven. Dan moet ik altijd even slikken. Net als bij het afgeleefde hobbelpaard dat hoopt op een nieuwe eigenaar.

Ik wandel naar de Vossenstraat. ‘Le Père Tranquille’ ligt aan de rechterkant, dicht tegen het plein. Het interieur is sympathiek, een beetje gezellig rommelig. Het is er rustig. Vier vrienden zitten met hun rommelmarktbuit voor zich uitgestald te eten en te drinken. Ik bestel een cappuccino bij de hartelijke bazin. Ik heb zicht op de keuken. Daar staan drie pain de veaus in de oven, voor bij de stoemp. Dit is een plek waar je je meteen op je gemak voelt, vriendelijk, eenvoudig en warm, zonder chichi.

In gedachten dank ik de lieve vrouw die hier vaste klant was voor haar fijne tip. ‘Le Père Tranquille’ is een Franse film van René Clément uit 1946. Hij vertelt het verhaal van een 50-jarige man die een rustig leventje leidt maar in feite een verzetsstrijder is. Ook zij die me dit café tipte, zette zich in voor een betere wereld. Ze hielp kinderen met verdriet.

Dan wandel ik naar de hoogstad. Op de Gulden Vlieslaan sla ik links in naar de Grote Hertstraat. Nog zo’n straatnaam. Ik hou van de grote herten die ’s nachts door de straten van Brussel lopen. Lang geleden woonde mijn meter hier. Vanuit haar appartement keek je uit op het Egmontparkje, dat toen nog een geheime plek was. In de Grote Hertstraat is er een poort naar dat park. Mijn geheime plek van vroeger met het mooie beeldje van Peter Pan is intussen niet meer de oase van rust in de stad.  Veel mensen genieten er van de eerste lentezon.


Via de Wolstraat en de Zavel daal ik af. Ik ben in Parijs. Even ga ik binnen bij Wittamer om pateekes te eten met mijn ogen. Snel loop ik voorbij Manneken Pis en de talloze toeristen. Bij de Brouckère neem ik de ondergrondse. Ik verheug me erop om mijn Vossenpleinvondsten een plekje te geven in ons kleine huis.

Werkloos

Ik moest me gaan inschrijven bij de werkloosheid. Dat was vijftien jaar geleden. De nacht voordien sliep ik slecht. Ik bewaarde nare herinneringen aan de tijd waarin ik interimjobs deed en me heel geregeld opnieuw moest gaan inschrijven bij de Brusselse Hulpkas voor Werkloosheid, beter bekend als de CAPAC. Hoewel ‘werklozen’ tegenwoordig met het meer positieve ‘werkzoekenden’ worden omschreven en de BGDA (de Brusselse VDAB) intussen de dynamische naam Actiris heeft gekregen, heeft de Brusselse uitbetalingsinstelling van de RVA in al die jaren geen naamsverandering ondergaan. Het blijft een hulpkas voor werklozen – een naam die je instant een gevoel van hulpeloosheid en hopeloosheid bezorgt.

Dit gevoel wordt versterkt door de buurt waar de HVW zich bevindt. In de Plantenstraat, waar alles grijs en niets groen is. Achter de Aarschotstraat, waar vrouwen hun lichaam moeten verkopen om aan de kost te komen. In de groezelige Noordwijk, waar vuile, verkommerde straten sterk contrasteren met steriele, anonieme, hypermoderne buildings. Wat zal het worden? De grens tussen een job als topmanager en een leven in de goot is hier bijzonder klein.

Vijftien jaar geleden kwam je  de CAPAC binnen en moest je met trappen naar boven. In de trappenhal had iemand een graffiti op een deur gespoten: ‘FUCK CAPAC’. Hij was er al jaren, niemand leek er aanstoot aan te nemen. Dan kwam je in een kleine ruimte met een zestal loketten. Je moest een nummertje trekken. Soms had je 96 terwijl ze nog maar aan 9 waren. Het wachten op de harde banken kon beginnen. Er stonden harde banken die voor een park bestemd waren, banken met een gietijzeren onderstel en een zitting van houten latjes die een sierlijke achterwaartse boog maakten zo net onder je schouderbladen. Je rug hield het er hooguit een half uurtje op uit.

Het wachten duurde makkelijk twee tot drie uur. Soms had je pech, en werd je niet meer voor de middagpauze behandeld. Die middagpauze duurde een uur of twee. Er zat niets op dan even de stad in te gaan en in de namiddag terug te keren. Of de volgende ochtend, want de HVW was op sommige dagen niet in de namiddag open – dat is nog steeds zo.

Als het dan eindelijk jouw beurt was, kon het zijn dat je weer pech had en een Nederlands onkundige bediende voor je kreeg. Dan kon je wachten tot er iemand vrij was die Nederlands sprak, of je beste Frans bovenhalen. Het was koud bij de CAPAC en het tochtte er erg. De bedienden zaten achter een glasplaat waar gaatjes in zaten om het geluid door te laten. Ze plaatsen voor deze gaatjes echter een stuk bruin karton omdat er anders te veel tocht door kwam. Daardoor moest je altijd roepen aan het loket, anders verstonden ze je niet. Zo kreeg je tijdens het wachten altijd delicate verhalen over ontslagen en moeilijke privé-situaties te horen. Privacy bestond er niet.

Deze herinneringen zorgden ervoor dat ik er niet echt naar uitkeek om me nog eens te gaan inschrijven bij de HVW. De reviews op het internet – want niet alleen restaurants en reisbestemmingen worden daar tegenwoordig gerecenseerd – beloofden alvast niet veel goeds. Incompetent, lange wachttijden, telefonisch onbereikbaar,… Ik zag dat je tegenwoordig online een afspraak kon maken, dit leek me een goede service. Maar toen ik het probeerde, bleek de eerste vrije plaats pas over drie weken te zijn.

Mijn bezoek aan de werkloosheid zou misschien een stukje opleveren, troostte ik me. Vol goede moed vertrok ik maandagochtend. Ik stapte uit bij Rogier. De deprimerende tunnel van  hetRogierplein naar de Plantenstraat was intussen een beetje gerenoveerd zonder echt een vrolijker aanblik te bieden. Een kleine Brico rechts en enkele troosteloze winkels links zorgden er voor wat licht.

Aan het eind van de tunnel zag ik een sluikstort en daarachter een rij wachtenden die tot bij de hoek van de Plantenstraat kwam. Het was kwart na acht. Om half negen zou de dienst openen. De wachtrij viel nog mee, een tiental meter lang was hij. Voor me in de rij wachtte ook een werkloos droogrek op zijn beurt.

Ik was nog net op tijd, want na mij werd de rij al snel langer en langer. De eerste mensen werden binnengelaten. Het ging traag, ik wist niet hoe dit kwam. Pas toen ik zelf naar binnen mocht, begreep ik het: meteen bij het binnenkomen gebeurde een triage. Er vormden zich twee rijen voor twee loketten. Ze vroegen waarvoor je kwam. Dan kreeg een nummertje.

Er hing een hippe neonlamp met HVW-CAPAC in gele en groene letters. Je moest geen trappen meer op. ‘FUCK CAPAC’ was na vijftien jaar verdwenen, al had het me niet verbaasd als het er nog steeds gestaan had. De sloophamer had het weggehaald. Er was op het gelijkvloers een grote hal met daarin een soort voetbaltribune van waaruit je zicht had op de tafeltjes beneden. Daar werden de werklozen geholpen.

Ik had nummer N005 en hoopte vurig dat de N voor Nederlands stond. Hoewel: waar stonden A, B, C en D dan voor? Het was best mogelijk dat ik de vijfde Nederlandstalige vandaag was. Ik nam plaats op de betonnen tribune. Witte en groene plastic stoelen wisselden elkaar af. Ergonomisch leken ze niet, maar toch beter dan de banken van vroeger. Ik ging op een groene zitten.

De meeste mensen zaten op hun smartphone te staren en keken niet naar de match die de werklozen beneden aan de tafels met hun dossierbeheerders speelden. Twee mensen waren aan het lezen. Eén man las een boek van Michel Tournier over Robinson Crusoé. Nummer N002 werd behandeld, ik dacht dat het wel snel aan mij zou zijn. Maar het vorderde traag, het duurde bijna een half uur eer het volgende nummer aan de beurt was.

Intussen kreeg ik per mail een jobaanbod. Dat beurde me op. Hopeloos was mijn situatie niet. Meteen nadat ik me had ingeschreven  kon ik gaan solliciteren. De tribune was intussen goed volgelopen. Er zaten meer dan honderd mensen, mannen waren duidelijk in de meerderheid. Er was weinig contact tussen de mensen. Dit was een omgeving vol rijen met geduldig wachtende ruggen.

Ik zag N005 op het scherm verschijnen, daalde de tribune af en nam plaats aan de juiste tafel. Een vriendelijke jonge vrouw hielp me in het Nederlands. Ze nam haar tijd om me alles goed uit te leggen en gaf me nuttig advies. Ze zei dat ik me bij Actiris moest inschrijven binnen de acht dagen, en raadde me aan dat online te doen. Ik vroeg haar hoeveel tijd je had om je in te schrijven bij de HVW. ‘Twee maanden,’ zei ze tot mijn verbazing. Ik antwoordde dat op hun site stond dat je je onmiddellijk moest inschrijven. ‘Ja, ik weet het,’ zei ze. ‘Die info is niet juist. Je had gerust die afspraak over drie weken kunnen nemen.’ Mijn werkloosheidsvergoeding zou dan wel wat langer op zich laten wachten hebben. Maar toch goed om te weten.

Bij het verlaten van het gebouw stonden er lange rijen. Vroeg komen is de boodschap. Ik voelde dat mijn bezoek aan de CAPAC de pijnlijke herinneringen van vroeger een beetje verzachtte. Ik verliet het kantoor en vertrok naar mijn sollicitatiegesprek.

De ster van het Noord – een kerstverhaal

Ergens in het najaar van 2015 kreeg ik op het werk een sollicitatiebrief. Ik twijfelde steeds vaker of mijn administratieve job me nog genoeg voldoening gaf, maar sollicitatiebrieven kreeg ik graag. Ik las ze aandachtig en probeerde steeds een persoonlijk antwoord te geven. Deze brief raakte me: ik kende de afzender ervan. Niet persoonlijk, ik had over haar gelezen. Niet lang geleden had zij een prachtig boek over oude winkelinterieurs gepubliceerd. Met haar vzw Arsène streed ze voor het behoud van waardevolle oude winkelinterieurs.

Ik antwoordde dat zij niet voldeed aan de vereisten voor de job, maar dat ik vond dat zij bijzonder nuttig werk leverde en dat ik haar liefde voor oude winkelinterieurs deelde. Dezelfde dag werden Katherine Ennekens en ik vrienden op Facebook.

Niet lang daarna postte Katherine een foto van de ster van Brussel Noord. ‘Je weet toch dat die ster gaat verdwijnen?’ reageerde Stijn Tormans. Stijn kende ik niet. Hij bleek al jaren prachtige stukken te schrijven voor Knack. Over dingen waar niemand anders over schreef, omdat niemand er oog voor had, kleine menselijke verhalen, vaak in het verleden geworteld. Stijn had aandachtig gekeken op de borden die de renovatiewerken van de centrale hal aankondigden. Hij had gezien dat de ster plaats zou moeten maken voor het lelijke nieuwe NMBS-logo in regenboogkleuren. We waren verontwaardigd: hoe was het mogelijk dat de NMBS de waarde van de ster niet inzag?

De ster zoals ze vroeger was en het geplande ontwerp voor renovatie, zonder ster met NMBS-logo

Niet veel later, op 1 november, reisde ik met de trein naar een literaire ochtend in Boekhandel De Zondvloed in Mechelen. Onder de titel ‘Beste Buren’, stelden enkele Vlaamse schrijvers een Nederlandse schrijvende zielsverwant voor. Dank zij Bernard Dewulf leerde ik daar Miek Zwamborn kennen, een naam die hier niet meteen bekend klinkt omdat zij een schrijver in de luwte is. Niet iemand die met luide stem op sociale media aanwezig is. Miek Zwamborn vertelde die dag dat zij graag wandelingen in de natuur maakte en dan terugkeerde met zes stenen in haar zak. Niet meer, niet minder.

Ze straalde een zekere wereldvreemdheid uit. Ik vond haar intrigerend. Ik was dan ook heel blij toen ik op de terugweg van die literaire ochtend naast deze schrijver op de trein van Mechelen naar Brussel belandde. De trein is een goede plek voor toevallige ontmoetingen. Miek Zwamborn vertelde me dat ze soms als sluiswachter werkte. Zij had gewerkt bij een sluis aan de Vecht, in het mooie stadje Weesp waar ik elke zomer kwam, omdat mijn oom er een tweedehandsboekenwinkel had. Ook dat vond ik een wonderlijk toeval.

Miek Zwamborn en ik stapten uit in het Noordstation. Zij moest ’s avonds in Leuven zijn en vroeg me welke trein ze moest nemen. In de centrale hal keken we samen op de aankondigingsborden. Ik wees naar de ster en vertelde dat die moest verdwijnen. Ik zei dat ik het zo erg vond. ‘Je moet actie voeren,’ zei ze. En omdat ik denk dat het toeval geen toeval is, maar ons iets wil vertellen, besloot ik haar raad te volgen.

Nooit eerder had ik actie voor iets gevoerd. Hoe begon je daaraan? Ik vroeg Katherine en Stijn, die ik in het echte leven nog niet ontmoet had, of ze mijn bondgenoten wilden zijn. Niet veel later zaten we samen aan tafel in café Flamingo.

Katherine vertelde me hoe belangrijk ze het vond dat erfgoed op zijn oorspronkelijke plek bewaard werd. Niet in een museum en zeker niet in een depot. Wat konden we ondernemen? Een petitie vonden we zinloos en zielloos. En dat was onze ster net niet. Wie had hem ontworpen?  We zouden het proberen te achterhalen. We zouden fotografe Saskia Vanderstichele vragen een foto van de ster te maken. En zou Plaizier daar een postkaart van willen drukken? Kerst kwam eraan, het zou een mooie kerstkaart zijn.

© Saskia Vanderstichele

We konden schrijvers en dichters vragen om een ode aan de ster. Fotografen om een foto. Illustratoren en schilders konden hem tekenen. We moesten een facebookpagina maken. Een collega van me kon die naar het Frans vertalen. Iedereen die we kenden, zouden we spreken over de ster. Een draagvlak creëren voor onze actie vonden we belangrijker dan het verzamelen van een paar duizend handtekeningen.

Ik schreef Geert Van Istendael over de ster. Toch erg dat deze in Trainworld zou komen te hangen, in plaats van in het Noordstation. ‘U hebt gelijk. Wat verwacht u van mij?’ luidde zijn antwoord. Ik vroeg of hij een ode aan de ster kon schrijven. ‘Wanneer moet het klaar zijn?’ ‘Volgende week?’ ‘Dat is goed.’ Onze correspondentie was even kort als krachtig. Niet veel later stuurde Geert Van Istendael zijn gedicht, een pleidooi in sappig Brussels voor het behoud van de ster. Ook Kevin Bellemans  en Frank De  Crits schreven hun ode aan de ster. En Tom Schamp stuurde een prachtige tekening.

© Tom Schamp

Snel begon de ster te leven. Mensen begonnen me erover aan te spreken. Ze stuurden foto’s en tekeningen van de ster. Soms voelde ik enige gêne hierover. Het was maar een ster. Hadden we niet beter voor iets groters, iets nobelers gestreden?

Maar de ster van het Noord had een symbolische waarde. Ze verwees naar L’Etoile du Nord, de stoomtrein die vroeger van Parijs naar Brussel reed. Deze trein was op zijn beurt vernoemd naar de Poolster, die bij nacht de weg naar het noorden wijst en zo verhindert dat mensen verdwalen. De ster was een herkenningspunt voor verdwaalde reizigers. In Brussel Noord en het nabije Maximiliaanpark verbleven mensen die noordwaarts waren gereisd, op zoek naar een beter leven. De ster hing nergens beter dan hier.

Toen we van de NMBS vernamen dat de ster sneller dan verwacht zou verdwijnen, besloten we  de stadskrant Brussel deze Week  (nu Bruzz) te contacteren. Tot onze verrassing haalde de ster de voorpagina.  Andere kranten namen het bericht over. De ster was nieuws. Het hielp ongetwijfeld dat het bijna Kerstmis was.

Ook tv Brussel berichtte in het nieuws over de ster. Stijn trad op als woordvoerder. Tot onze verbazing kwam ook Geert Van Istendael opdraven om zijn ode voor te dragen. In die reportage zeiden reizigers dat ze de ster nooit eerder hadden opgemerkt. Maar ze vonden toch dat ze moest blijven. Mensen waren bereid om te strijden voor iets waar ze nooit oog voor hadden gehad.

We planden nog een flyeractie aan het station. Dat was niet meer nodig. De NMBS besliste dat de ster mocht blijven. Ze zou worden weggehaald tijdens de restauratiewerken van de centrale hal en intussen zelf gerestaureerd worden. Nadien zou ze netjes teruggehangen worden.

De NMBS hield belofte. Drie jaar later is de centrale hal met ster in eer hersteld. Zonder Katherine, Stijn en mij zou ze er niet meer geweest zou zijn. En zonder alle mensen die ons gesteund hebben. Het troost me dat je in deze wereld soms wél het verschil kunt maken. Niet met een petitie. Maar met gedichten, foto’s en tekeningen. Door met veel mensen te spreken. Over de betekenis van iets. Door hen te wijzen op iets wat ze niet eerder hebben gezien.

Er zijn zoveel dingen om voor te strijden. Maar actie voeren is intensief. Je kunt het niet altijd opbrengen in deze drukke tijden. Daarvan wordt geprofiteerd om boven onze hoofden beslissingen te nemen waar we het niet mee eens zijn. Vaak krijg je ook de kans niet om actie te voeren. Omdat je onvoldoende geïnformeerd bent. Omdat je onvoldoende tijd krijgt, voor voldongen feiten wordt geplaatst. Het had niet veel gescheeld of we hadden op een dag ineens vastgesteld: de ster is verdwenen.

De ster dankt haar redding aan een reeks toevallige ontmoetingen en gebeurtenissen. Katherine, Stijn en ik zullen door de ster voorgoed verbonden blijven. Intussen vond ik de moed opnieuw te gaan studeren en mijn werk te verlaten. Ik geef nu Nederlandse les aan mensen die de Noordster gevolgd zijn, op weg naar een vredevoller leven. De voorbije maanden passeerde ik elke dag langs de ster, op weg naar mijn nieuwe werk. Met de gedachte: een mens is soms sterker dan hij denkt.

Kerst 2018. Drie jaar na onze actie schittert de ster als nooit tevoren in het Brussel Noord. Eén mysterie blijft. We weten nog steeds niet wie de ster ontworpen heeft. Na de overwinning vertelde iemand op onze facebookpagina dat ze in het Noordstation een dame had aangesproken die een foto maakte van de ster. Ze bleek de dochter te zijn van de ontwerper. Ze vertelde dat haar vader het jaar voordien op 90-jarige leeftijd overleden was. Hij was erg verknocht geweest aan zijn ster.

Dat is het enige wat we weten over de vader van de Noordster. Ooit hopen we zijn naam te kennen.

 

bekijk hier de reportage van Bruzz over de ster 

bezoek de facebookpagina van Red de ster

Pleinpijn

Pleinpijn

Mijn opa en oma woonden in een bos. Vanuit haar keuken zag mijn oma haar grote composthoop, waarin de kippen van een nabije boerderij pikten. Er stond een vogelhuisje naast waaraan mijn oma halve kokosnoten hing, die ze vulde met frietvet en een zadenmengeling. ‘Daar is het winterkoninkje,’ of de bonte specht – ik hoor het haar nog zeggen. Elke dag zag ze dezelfde eekhoorn in dezelfde hoge boom.

Mijn opa was een dromer. Sommige dromen realiseerde hij, zoals in een bos gaan wonen. Wanneer je tegen hem praatte, staarde hij vaak door het raam. Je wist dan niet zeker of hij wel luisterde. Zoals nu bij mensen die op hun smartphone kijken terwijl je hen iets vertelt. In het midden van een gesprek zei mijn opa soms plots: ‘Wat zijn de bomen toch mooi.’ Dan wist je dat hij niet geluisterd had.

We wonen al jaren in deze stad, mijn man en ik. Maar altijd hebben we gewoond in een huis waarin we naar bomen konden kijken. Ons eerste adres was in de Léon Lepagestraat, een van de weinige straten in Brussel centrum die aan weerszijden hoge bomen heeft. Toen het centrum ons te druk werd, verhuisden we naar de Richard Neyberghlaan in Laken, een heerlijk groene laan die je vanop het nabije grijze Bockstaelplein niet kan vermoeden. We woonden er op de eerste verdieping, te midden van de kruinen. ’s Zomers ruisten de fijnbladige bomen er als de zee.

Twaalf jaar geleden verhuisden we naar het Jetse Brusselaarsplein. Het huis was klein, het uitzicht groots. Een pleintje met een tiental kleine platanen lag voor onze deur. Daarachter nog de dubbele rij platanen van de Jetselaan. Hoge, oude bomen, die veel wind vingen. Inkijk kenden we niet, in de zomer konden we de overkant niet eens zien. Twaalf jaar lang heeft dit uitzicht ons geluk en rust gegeven.

Tot de tram kwam. En alle bomen voor onze deur genadeloos tegen de grond gingen. Een van de ergste dagen van ons leven. De Ster van het Noordstation heb ik kunnen redden, de bomen voor mijn deur niet. Waarom niet? Ik heb nooit geweten dat ze omgehakt zouden worden. Op de plannen stond dat ze bewaard zouden blijven. Pas later is beslist ze te kappen. Dan sta je als burger machteloos. De plannen voor ons plein waren onduidelijk. Zelfs de ombudsman van de tramwerken kon, toen ik hem raadpleegde, er niet meteen uitleg bij geven. Ook hij geloofde niet dat een kale vlakte met nauwelijks banken en één boom ons pleintje zou vervangen.

‘Het pleintje voor je deur gaat heel mooi worden. Vroeger was het wat sinister,’ zei de Ecolo-schepen me toen ik bezorgd informeerde naar de toekomst.

Alsof iemand zei dat mijn kind lelijk was. Het deed pijn hem op deze manier over ons plein te horen praten. Een plein waar oude mannen in de zomer triktrak speelden. Een plein waar oude dames elkaar in vertrouwen namen over hun kwalen en medicijnen, terwijl ze op de bus wachtten. Waar een koorddanseres tussen de bomen moeizaam haar evenwicht zocht. Waar honden elkaar besnuffelden terwijl hun baasjes aan de praat geraakten. Een plein waaronder het zonlicht zo mooi viel, dat zelfs een achtergelaten stoel of sofa een bijzondere glans kreeg.

Het plein waar ooit de rode valies stond waarnaar ik mijn blog heb vernoemd. Waar je het gevoel had in de Provence te zijn, wanneer de zondagse markt op een zomerse dag voor de deur stond. Ja, soms zat er een clochard, maar hij deed geen vlieg kwaad. Hij leek zelfs over het plein te waken. Hier, aan de kop van de Vlamingen- en de Walenstraat, kwamen Brusselaars samen. Het Brusselaarsplein droeg zijn naam goed.

Wij, de bewoners, wisten dat het hier niet sinister was. Niemand heeft ons iets gevraagd. De bomen werd ook niets gevraagd. Nochtans weten we dat bomen kunnen spreken. Ondergronds, via hun wortelstelsel, communiceren ze met elkaar. Wij kunnen dat niet horen. Daarvoor zijn wij bovengronds veel te lawaaierig.

Er komt een tijd waarin we zullen beseffen dat bomen levende wezens zijn. Die zoveel ouder en wijzer zijn dan wij. Die ons zoveel geven.  Ons beschermen voor onze domheden. Met schaamte zullen we terugkijken op onze barbaarse daden jegens deze weldoeners. “We zijn niet geïnteresseerd in de redding van de aarde, maar wel in de redding van onze eigen arrogantie,” stelde schrijver Richard Powers onlangs in De Morgen. In zijn laatste roman spelen bomen de hoofdrol.

De tram waarmee we tien minuten sneller in het centrum zijn zouden we meteen inruilen voor ons vroegere groen.

‘Heb je gezien dat ze onze nieuwe boom eindelijk hebben geplant?’ vroeg mijn man gisteren. Nee. Ik had hem niet gezien. Een smalle spriet. Dat het herfst is en hij maar enkele bladeren heeft, helpt natuurlijk niet. Ik heb medelijden met hem.

Ik kijk naar de lege vlakte met één boom en betonnen banken zonder leuning. Veel kouder kan het komende winter niet meer worden. Vroeger hingen er kerstlichtjes in de bomen. We zullen ze nu aan ons balkon hangen. In de zomer zullen we wat bloempotten buitenzetten. En een bankje. Zodat we een beetje kunnen praten met de voorbijgangers. Over vroeger.

Ik voel mijn grootvader, dertig jaar na zijn dood, zo dichtbij de laatste tijd. In mijn herinnering zit ik niet tegenover hem te praten, maar naast hem. Samen kijken we door het raam. De bomen waren zo mooi.

 

Onder het station

Enkele maanden geleden maakte ik een bijzondere avondwandeling in het Jetse Boudewijnpark. Het was een erg warme dag geweest. In de vooravond had het hard geregend. Rond een uur of acht ’s avonds was het weer opgeklaard. Ik besloot te gaan wandelen. Ik herkende het park niet meer. Het was in een mysterieuze nevel gehuld. Ik was er alleen. Ik leek in een fantasiewereld terecht te zijn gekomen. Ik nam veel foto’s en schreef er een verhaal over. Niet veel later zond ik enkele foto’s uit deze reeks in voor de wedstrijd ‘Jette in beeld’. Tot mijn blijdschap werd een van de foto’s uitgekozen. Deze komt in de voetgangerstunnel onder het Jetse station te hangen. Samen met de foto’s van zeven andere Jetse fotografen: Caroline Adam, Paul Barbieux, Willy Dirckx, Fabrice Grégoir, Michel Picard, Ludivine Szaba en Werner Van den Mooter. We exposeren ons werk ook in Atelier 34zero muzeum.

De tunnel onder Jette station wordt ingehuldigd op 29/09 om 18u30. Welkom!

Expo Jetse fotografen in Atelier 34zero van 29/09-07/10

Lees hier over mijn bijzondere wandeling.

Zon dag kind

Om kwart voor zes trek ik de deur van mijn tijdelijk verblijf aan zee dicht. Zacht, om niemand wakker te maken. Van de zesde verdieping reis ik met de lift naar beneden. Het is al een beetje licht buiten, dat valt mee. Niet het donker of de leegte zijn beangstigend op dit vroege uur. Wel de meeuwen. Oostende is nu van hen. De wachtende vuilniszakken maken van de straten hun paradijs.

Bij het casino zie ik een meeuw net de hoek om lopen. Daar vindt hij een plastic mayonaisepotje van een frietkot. Het ligt ondersteboven. De meeuw speelt er voetbal mee in de hoop het om te keren. Na een tijdje geeft hij het op. Hij steekt de straat over, op het zebrapad. Weinig meeuwen vliegen, ze wandelen.

Ah ah ah! Het geroep gaat in crescendo. Alsof ergens een raam openstaat en ik getuige ben van het hoogtepunt van een ochtendlijke vrijpartij. Het is een meeuw hoog boven mijn hoofd die deze orgastische geluiden maakt. Overdag heb ik ze nog nooit gehoord.

Ik moet doorstappen, de zon zal opgaan om 6u10. Ik kom bij het Zieliedenmonument. De zon is er nog niet, maar kleurt al strepen aan de hemel. De meeuwen op het strand zijn stil. Niet zo opgewonden als hun soortgenoten in de stad. Twee vroege pootjebaders wandelen in de verte langs de vloedlijn.

_DSC4531 (3).JPGEr zijn nog geen wandelaars op de westelijke strekdam. Aan het einde staan drie vrouwelijke gestalten op het muurtje. Pas wanneer ik vlakbij ben, merken ze me op. Ik vraag of de boot al voorbij gevaren is. Ze hebben gewuifd naar een boot, iemand zwaaide terug. Ze zijn niet zeker of het de juiste boot was.

Waarom we hier zijn? We willen zwaaien naar het kind dat iets of iemand verloren heeft. Het heeft een nacht op zee doorgebracht, in gezelschap van de Zonnekoningin. Vanochtend zullen ze samen de zon opzingen.

Wij zullen hen niet horen. Wel voorbij zien varen. En wuiven. We zijn hier om er te zijn, voor een kind met verdriet.

De boot komt niet. We staan al een uur te wachten. Ik stel voor een foto te maken van de drie vriendinnen. Ze gaan naast elkaar zitten op het muurtje en kijken lachend in mijn lens. Alsof we elkaar al lang kennen.

Terwijl ik de foto maakte, is de zon achter hen opgegaan. Ik zou ook op het muurtje moeten gaan staan om betere foto’s te maken, zeg ik, maar ik heb hoogtevrees. Een val zou heel ongelukkig kunnen zijn. Een van de vrouwen stelt voor me te helpen. Ik wil het alleen doen. Voorzichtig sta ik recht. Ik maak foto’s van de opgaande zon. Ik kijk of de boot er nog niet aankomt.

Ik sta aan een nieuw begin, zeg ik tegen de drie vriendinnen.  Voor mij is dit ook een ritueel: het vroege opstaan, de meeuwen trotseren, de wandeling, de zon zien opgaan, de ontmoeting, samen wachten en wuiven. Iets prikt hevig in mijn rechterhand. Een wesp vliegt weg, over de zee. Hij lijkt me heel bewust te hebben aangevallen. Als een bijkomende beproeving. De steek doet pijn, mijn hand zwelt rood op. Ik blijf op het muurtje staan. De hele dag zal de pijn me herinneren.

De drie vrouwen nemen afscheid, ze gaan ontbijten. De boot zal niet meer komen. Ik krijg een e-mailadres zodat ik hen de foto’s kan sturen. Ik kom van het muurtje af en blijf nog even kijken. Nu ben ik alleen.

Dan zie ik in de verte een boot. Meteen weet ik zeker dat het deze boot is. Naast me komt een oudere, kalende man staan. Hij is erg bezweet. Hij is naar hier gejogd. Hij gaat op het muurtje staan en reikt me de hand. Deze keer laat ik me wel helpen. Hij vertelt dat hij de boot al elke dag gezien heeft. Soms van hieruit, soms vanuit zijn venster. Ik heb een heel goede verrekijker, zegt hij. Maar vandaag zag ik de boot niet. Hij was veel dieper de zee ingevaren dan vorige dagen.

De man vertelt me dat hij schrijft. Voor de Zeewacht.

Mijn wachten wordt beloond. Om half acht vaart de boot voorbij de strekdam. De Zonnekoningin, het kind en de andere opvarenden wuiven. De man van de Zeewacht en ik wuiven terug.

Mijn gezelschap springt van het muurtje en jogt weg. De boot vaart de haven binnen. Ik kijk hem na. Dan loop ik stadinwaarts. Maandag mag beginnen.