Werkloos

Ik moest me gaan inschrijven bij de werkloosheid. Dat was vijftien jaar geleden. De nacht voordien sliep ik slecht. Ik bewaarde nare herinneringen aan de tijd waarin ik interimjobs deed en me heel geregeld opnieuw moest gaan inschrijven bij de Brusselse Hulpkas voor Werkloosheid, beter bekend als de CAPAC. Hoewel ‘werklozen’ tegenwoordig met het meer positieve ‘werkzoekenden’ worden omschreven en de BGDA (de Brusselse VDAB) intussen de dynamische naam Actiris heeft gekregen, heeft de Brusselse uitbetalingsinstelling van de RVA in al die jaren geen naamsverandering ondergaan. Het blijft een hulpkas voor werklozen – een naam die je instant een gevoel van hulpeloosheid en hopeloosheid bezorgt.

Dit gevoel wordt versterkt door de buurt waar de HVW zich bevindt. In de Plantenstraat, waar alles grijs en niets groen is. Achter de Aarschotstraat, waar vrouwen hun lichaam moeten verkopen om aan de kost te komen. In de groezelige Noordwijk, waar vuile, verkommerde straten sterk contrasteren met steriele, anonieme, hypermoderne buildings. Wat zal het worden? De grens tussen een job als topmanager en een leven in de goot is hier bijzonder klein.

Vijftien jaar geleden kwam je  de CAPAC binnen en moest je met trappen naar boven. In de trappenhal had iemand een graffiti op een deur gespoten: ‘FUCK CAPAC’. Hij was er al jaren, niemand leek er aanstoot aan te nemen. Dan kwam je in een kleine ruimte met een zestal loketten. Je moest een nummertje trekken. Soms had je 96 terwijl ze nog maar aan 9 waren. Het wachten op de harde banken kon beginnen. Er stonden harde banken die voor een park bestemd waren, banken met een gietijzeren onderstel en een zitting van houten latjes die een sierlijke achterwaartse boog maakten zo net onder je schouderbladen. Je rug hield het er hooguit een half uurtje op uit.

Het wachten duurde makkelijk twee tot drie uur. Soms had je pech, en werd je niet meer voor de middagpauze behandeld. Die middagpauze duurde een uur of twee. Er zat niets op dan even de stad in te gaan en in de namiddag terug te keren. Of de volgende ochtend, want de HVW was op sommige dagen niet in de namiddag open – dat is nog steeds zo.

Als het dan eindelijk jouw beurt was, kon het zijn dat je weer pech had en een Nederlands onkundige bediende voor je kreeg. Dan kon je wachten tot er iemand vrij was die Nederlands sprak, of je beste Frans bovenhalen. Het was koud bij de CAPAC en het tochtte er erg. De bedienden zaten achter een glasplaat waar gaatjes in zaten om het geluid door te laten. Ze plaatsen voor deze gaatjes echter een stuk bruin karton omdat er anders te veel tocht door kwam. Daardoor moest je altijd roepen aan het loket, anders verstonden ze je niet. Zo kreeg je tijdens het wachten altijd delicate verhalen over ontslagen en moeilijke privé-situaties te horen. Privacy bestond er niet.

Deze herinneringen zorgden ervoor dat ik er niet echt naar uitkeek om me nog eens te gaan inschrijven bij de HVW. De reviews op het internet – want niet alleen restaurants en reisbestemmingen worden daar tegenwoordig gerecenseerd – beloofden alvast niet veel goeds. Incompetent, lange wachttijden, telefonisch onbereikbaar,… Ik zag dat je tegenwoordig online een afspraak kon maken, dit leek me een goede service. Maar toen ik het probeerde, bleek de eerste vrije plaats pas over drie weken te zijn.

Mijn bezoek aan de werkloosheid zou misschien een stukje opleveren, troostte ik me. Vol goede moed vertrok ik maandagochtend. Ik stapte uit bij Rogier. De deprimerende tunnel van  hetRogierplein naar de Plantenstraat was intussen een beetje gerenoveerd zonder echt een vrolijker aanblik te bieden. Een kleine Brico rechts en enkele troosteloze winkels links zorgden er voor wat licht.

Aan het eind van de tunnel zag ik een sluikstort en daarachter een rij wachtenden die tot bij de hoek van de Plantenstraat kwam. Het was kwart na acht. Om half negen zou de dienst openen. De wachtrij viel nog mee, een tiental meter lang was hij. Voor me in de rij wachtte ook een werkloos droogrek op zijn beurt.

Ik was nog net op tijd, want na mij werd de rij al snel langer en langer. De eerste mensen werden binnengelaten. Het ging traag, ik wist niet hoe dit kwam. Pas toen ik zelf naar binnen mocht, begreep ik het: meteen bij het binnenkomen gebeurde een triage. Er vormden zich twee rijen voor twee loketten. Ze vroegen waarvoor je kwam. Dan kreeg een nummertje.

Er hing een hippe neonlamp met HVW-CAPAC in gele en groene letters. Je moest geen trappen meer op. ‘FUCK CAPAC’ was na vijftien jaar verdwenen, al had het me niet verbaasd als het er nog steeds gestaan had. De sloophamer had het weggehaald. Er was op het gelijkvloers een grote hal met daarin een soort voetbaltribune van waaruit je zicht had op de tafeltjes beneden. Daar werden de werklozen geholpen.

Ik had nummer N005 en hoopte vurig dat de N voor Nederlands stond. Hoewel: waar stonden A, B, C en D dan voor? Het was best mogelijk dat ik de vijfde Nederlandstalige vandaag was. Ik nam plaats op de betonnen tribune. Witte en groene plastic stoelen wisselden elkaar af. Ergonomisch leken ze niet, maar toch beter dan de banken van vroeger. Ik ging op een groene zitten.

De meeste mensen zaten op hun smartphone te staren en keken niet naar de match die de werklozen beneden aan de tafels met hun dossierbeheerders speelden. Twee mensen waren aan het lezen. Eén man las een boek van Michel Tournier over Robinson Crusoé. Nummer N002 werd behandeld, ik dacht dat het wel snel aan mij zou zijn. Maar het vorderde traag, het duurde bijna een half uur eer het volgende nummer aan de beurt was.

Intussen kreeg ik per mail een jobaanbod. Dat beurde me op. Hopeloos was mijn situatie niet. Meteen nadat ik me had ingeschreven  kon ik gaan solliciteren. De tribune was intussen goed volgelopen. Er zaten meer dan honderd mensen, mannen waren duidelijk in de meerderheid. Er was weinig contact tussen de mensen. Dit was een omgeving vol rijen met geduldig wachtende ruggen.

Ik zag N005 op het scherm verschijnen, daalde de tribune af en nam plaats aan de juiste tafel. Een vriendelijke jonge vrouw hielp me in het Nederlands. Ze nam haar tijd om me alles goed uit te leggen en gaf me nuttig advies. Ze zei dat ik me bij Actiris moest inschrijven binnen de acht dagen, en raadde me aan dat online te doen. Ik vroeg haar hoeveel tijd je had om je in te schrijven bij de HVW. ‘Twee maanden,’ zei ze tot mijn verbazing. Ik antwoordde dat op hun site stond dat je je onmiddellijk moest inschrijven. ‘Ja, ik weet het,’ zei ze. ‘Die info is niet juist. Je had gerust die afspraak over drie weken kunnen nemen.’ Mijn werkloosheidsvergoeding zou dan wel wat langer op zich laten wachten hebben. Maar toch goed om te weten.

Bij het verlaten van het gebouw stonden er lange rijen. Vroeg komen is de boodschap. Ik voelde dat mijn bezoek aan de CAPAC de pijnlijke herinneringen van vroeger een beetje verzachtte. Ik verliet het kantoor en vertrok naar mijn sollicitatiegesprek.

Advertenties

De ster van het Noord – een kerstverhaal

Ergens in het najaar van 2015 kreeg ik op het werk een sollicitatiebrief. Ik twijfelde steeds vaker of mijn administratieve job me nog genoeg voldoening gaf, maar sollicitatiebrieven kreeg ik graag. Ik las ze aandachtig en probeerde steeds een persoonlijk antwoord te geven. Deze brief raakte me: ik kende de afzender ervan. Niet persoonlijk, ik had over haar gelezen. Niet lang geleden had zij een prachtig boek over oude winkelinterieurs gepubliceerd. Met haar vzw Arsène streed ze voor het behoud van waardevolle oude winkelinterieurs.

Ik antwoordde dat zij niet voldeed aan de vereisten voor de job, maar dat ik vond dat zij bijzonder nuttig werk leverde en dat ik haar liefde voor oude winkelinterieurs deelde. Dezelfde dag werden Katherine Ennekens en ik vrienden op Facebook.

Niet lang daarna postte Katherine een foto van de ster van Brussel Noord. ‘Je weet toch dat die ster gaat verdwijnen?’ reageerde Stijn Tormans. Stijn kende ik niet. Hij bleek al jaren prachtige stukken te schrijven voor Knack. Over dingen waar niemand anders over schreef, omdat niemand er oog voor had, kleine menselijke verhalen, vaak in het verleden geworteld. Stijn had aandachtig gekeken op de borden die de renovatiewerken van de centrale hal aankondigden. Hij had gezien dat de ster plaats zou moeten maken voor het lelijke nieuwe NMBS-logo in regenboogkleuren. We waren verontwaardigd: hoe was het mogelijk dat de NMBS de waarde van de ster niet inzag?

De ster zoals ze vroeger was en het geplande ontwerp voor renovatie, zonder ster met NMBS-logo

Niet veel later, op 1 november, reisde ik met de trein naar een literaire ochtend in Boekhandel De Zondvloed in Mechelen. Onder de titel ‘Beste Buren’, stelden enkele Vlaamse schrijvers een Nederlandse schrijvende zielsverwant voor. Dank zij Bernard Dewulf leerde ik daar Miek Zwamborn kennen, een naam die hier niet meteen bekend klinkt omdat zij een schrijver in de luwte is. Niet iemand die met luide stem op sociale media aanwezig is. Miek Zwamborn vertelde die dag dat zij graag wandelingen in de natuur maakte en dan terugkeerde met zes stenen in haar zak. Niet meer, niet minder.

Ze straalde een zekere wereldvreemdheid uit. Ik vond haar intrigerend. Ik was dan ook heel blij toen ik op de terugweg van die literaire ochtend naast deze schrijver op de trein van Mechelen naar Brussel belandde. De trein is een goede plek voor toevallige ontmoetingen. Miek Zwamborn vertelde me dat ze soms als sluiswachter werkte. Zij had gewerkt bij een sluis aan de Vecht, in het mooie stadje Weesp waar ik elke zomer kwam, omdat mijn oom er een tweedehandsboekenwinkel had. Ook dat vond ik een wonderlijk toeval.

Miek Zwamborn en ik stapten uit in het Noordstation. Zij moest ’s avonds in Leuven zijn en vroeg me welke trein ze moest nemen. In de centrale hal keken we samen op de aankondigingsborden. Ik wees naar de ster en vertelde dat die moest verdwijnen. Ik zei dat ik het zo erg vond. ‘Je moet actie voeren,’ zei ze. En omdat ik denk dat het toeval geen toeval is, maar ons iets wil vertellen, besloot ik haar raad te volgen.

Nooit eerder had ik actie voor iets gevoerd. Hoe begon je daaraan? Ik vroeg Katherine en Stijn, die ik in het echte leven nog niet ontmoet had, of ze mijn bondgenoten wilden zijn. Niet veel later zaten we samen aan tafel in café Flamingo.

Katherine vertelde me hoe belangrijk ze het vond dat erfgoed op zijn oorspronkelijke plek bewaard werd. Niet in een museum en zeker niet in een depot. Wat konden we ondernemen? Een petitie vonden we zinloos en zielloos. En dat was onze ster net niet. Wie had hem ontworpen?  We zouden het proberen te achterhalen. We zouden fotografe Saskia Vanderstichele vragen een foto van de ster te maken. En zou Plaizier daar een postkaart van willen drukken? Kerst kwam eraan, het zou een mooie kerstkaart zijn.

© Saskia Vanderstichele

We konden schrijvers en dichters vragen om een ode aan de ster. Fotografen om een foto. Illustratoren en schilders konden hem tekenen. We moesten een facebookpagina maken. Een collega van me kon die naar het Frans vertalen. Iedereen die we kenden, zouden we spreken over de ster. Een draagvlak creëren voor onze actie vonden we belangrijker dan het verzamelen van een paar duizend handtekeningen.

Ik schreef Geert Van Istendael over de ster. Toch erg dat deze in Trainworld zou komen te hangen, in plaats van in het Noordstation. ‘U hebt gelijk. Wat verwacht u van mij?’ luidde zijn antwoord. Ik vroeg of hij een ode aan de ster kon schrijven. ‘Wanneer moet het klaar zijn?’ ‘Volgende week?’ ‘Dat is goed.’ Onze correspondentie was even kort als krachtig. Niet veel later stuurde Geert Van Istendael zijn gedicht, een pleidooi in sappig Brussels voor het behoud van de ster. Ook Kevin Bellemans  en Frank De  Crits schreven hun ode aan de ster. En Tom Schamp stuurde een prachtige tekening.

© Tom Schamp

Snel begon de ster te leven. Mensen begonnen me erover aan te spreken. Ze stuurden foto’s en tekeningen van de ster. Soms voelde ik enige gêne hierover. Het was maar een ster. Hadden we niet beter voor iets groters, iets nobelers gestreden?

Maar de ster van het Noord had een symbolische waarde. Ze verwees naar L’Etoile du Nord, de stoomtrein die vroeger van Parijs naar Brussel reed. Deze trein was op zijn beurt vernoemd naar de Poolster, die bij nacht de weg naar het noorden wijst en zo verhindert dat mensen verdwalen. De ster was een herkenningspunt voor verdwaalde reizigers. In Brussel Noord en het nabije Maximiliaanpark verbleven mensen die noordwaarts waren gereisd, op zoek naar een beter leven. De ster hing nergens beter dan hier.

Toen we van de NMBS vernamen dat de ster sneller dan verwacht zou verdwijnen, besloten we  de stadskrant Brussel deze Week  (nu Bruzz) te contacteren. Tot onze verrassing haalde de ster de voorpagina.  Andere kranten namen het bericht over. De ster was nieuws. Het hielp ongetwijfeld dat het bijna Kerstmis was.

Ook tv Brussel berichtte in het nieuws over de ster. Stijn trad op als woordvoerder. Tot onze verbazing kwam ook Geert Van Istendael opdraven om zijn ode voor te dragen. In die reportage zeiden reizigers dat ze de ster nooit eerder hadden opgemerkt. Maar ze vonden toch dat ze moest blijven. Mensen waren bereid om te strijden voor iets waar ze nooit oog voor hadden gehad.

We planden nog een flyeractie aan het station. Dat was niet meer nodig. De NMBS besliste dat de ster mocht blijven. Ze zou worden weggehaald tijdens de restauratiewerken van de centrale hal en intussen zelf gerestaureerd worden. Nadien zou ze netjes teruggehangen worden.

De NMBS hield belofte. Drie jaar later is de centrale hal met ster in eer hersteld. Zonder Katherine, Stijn en mij zou ze er niet meer geweest zou zijn. En zonder alle mensen die ons gesteund hebben. Het troost me dat je in deze wereld soms wél het verschil kunt maken. Niet met een petitie. Maar met gedichten, foto’s en tekeningen. Door met veel mensen te spreken. Over de betekenis van iets. Door hen te wijzen op iets wat ze niet eerder hebben gezien.

Er zijn zoveel dingen om voor te strijden. Maar actie voeren is intensief. Je kunt het niet altijd opbrengen in deze drukke tijden. Daarvan wordt geprofiteerd om boven onze hoofden beslissingen te nemen waar we het niet mee eens zijn. Vaak krijg je ook de kans niet om actie te voeren. Omdat je onvoldoende geïnformeerd bent. Omdat je onvoldoende tijd krijgt, voor voldongen feiten wordt geplaatst. Het had niet veel gescheeld of we hadden op een dag ineens vastgesteld: de ster is verdwenen.

De ster dankt haar redding aan een reeks toevallige ontmoetingen en gebeurtenissen. Katherine, Stijn en ik zullen door de ster voorgoed verbonden blijven. Intussen vond ik de moed opnieuw te gaan studeren en mijn werk te verlaten. Ik geef nu Nederlandse les aan mensen die de Noordster gevolgd zijn, op weg naar een vredevoller leven. De voorbije maanden passeerde ik elke dag langs de ster, op weg naar mijn nieuwe werk. Met de gedachte: een mens is soms sterker dan hij denkt.

Kerst 2018. Drie jaar na onze actie schittert de ster als nooit tevoren in het Brussel Noord. Eén mysterie blijft. We weten nog steeds niet wie de ster ontworpen heeft. Na de overwinning vertelde iemand op onze facebookpagina dat ze in het Noordstation een dame had aangesproken die een foto maakte van de ster. Ze bleek de dochter te zijn van de ontwerper. Ze vertelde dat haar vader het jaar voordien op 90-jarige leeftijd overleden was. Hij was erg verknocht geweest aan zijn ster.

Dat is het enige wat we weten over de vader van de Noordster. Ooit hopen we zijn naam te kennen.

 

bekijk hier de reportage van Bruzz over de ster 

bezoek de facebookpagina van Red de ster

Pleinpijn

Pleinpijn

Mijn opa en oma woonden in een bos. Vanuit haar keuken zag mijn oma haar grote composthoop, waarin de kippen van een nabije boerderij pikten. Er stond een vogelhuisje naast waaraan mijn oma halve kokosnoten hing, die ze vulde met frietvet en een zadenmengeling. ‘Daar is het winterkoninkje,’ of de bonte specht – ik hoor het haar nog zeggen. Elke dag zag ze dezelfde eekhoorn in dezelfde hoge boom.

Mijn opa was een dromer. Sommige dromen realiseerde hij, zoals in een bos gaan wonen. Wanneer je tegen hem praatte, staarde hij vaak door het raam. Je wist dan niet zeker of hij wel luisterde. Zoals nu bij mensen die op hun smartphone kijken terwijl je hen iets vertelt. In het midden van een gesprek zei mijn opa soms plots: ‘Wat zijn de bomen toch mooi.’ Dan wist je dat hij niet geluisterd had.

We wonen al jaren in deze stad, mijn man en ik. Maar altijd hebben we gewoond in een huis waarin we naar bomen konden kijken. Ons eerste adres was in de Léon Lepagestraat, een van de weinige straten in Brussel centrum die aan weerszijden hoge bomen heeft. Toen het centrum ons te druk werd, verhuisden we naar de Richard Neyberghlaan in Laken, een heerlijk groene laan die je vanop het nabije grijze Bockstaelplein niet kan vermoeden. We woonden er op de eerste verdieping, te midden van de kruinen. ’s Zomers ruisten de fijnbladige bomen er als de zee.

Twaalf jaar geleden verhuisden we naar het Jetse Brusselaarsplein. Het huis was klein, het uitzicht groots. Een pleintje met een tiental kleine platanen lag voor onze deur. Daarachter nog de dubbele rij platanen van de Jetselaan. Hoge, oude bomen, die veel wind vingen. Inkijk kenden we niet, in de zomer konden we de overkant niet eens zien. Twaalf jaar lang heeft dit uitzicht ons geluk en rust gegeven.

Tot de tram kwam. En alle bomen voor onze deur genadeloos tegen de grond gingen. Een van de ergste dagen van ons leven. De Ster van het Noordstation heb ik kunnen redden, de bomen voor mijn deur niet. Waarom niet? Ik heb nooit geweten dat ze omgehakt zouden worden. Op de plannen stond dat ze bewaard zouden blijven. Pas later is beslist ze te kappen. Dan sta je als burger machteloos. De plannen voor ons plein waren onduidelijk. Zelfs de ombudsman van de tramwerken kon, toen ik hem raadpleegde, er niet meteen uitleg bij geven. Ook hij geloofde niet dat een kale vlakte met nauwelijks banken en één boom ons pleintje zou vervangen.

‘Het pleintje voor je deur gaat heel mooi worden. Vroeger was het wat sinister,’ zei de Ecolo-schepen me toen ik bezorgd informeerde naar de toekomst.

Alsof iemand zei dat mijn kind lelijk was. Het deed pijn hem op deze manier over ons plein te horen praten. Een plein waar oude mannen in de zomer triktrak speelden. Een plein waar oude dames elkaar in vertrouwen namen over hun kwalen en medicijnen, terwijl ze op de bus wachtten. Waar een koorddanseres tussen de bomen moeizaam haar evenwicht zocht. Waar honden elkaar besnuffelden terwijl hun baasjes aan de praat geraakten. Een plein waaronder het zonlicht zo mooi viel, dat zelfs een achtergelaten stoel of sofa een bijzondere glans kreeg.

Het plein waar ooit de rode valies stond waarnaar ik mijn blog heb vernoemd. Waar je het gevoel had in de Provence te zijn, wanneer de zondagse markt op een zomerse dag voor de deur stond. Ja, soms zat er een clochard, maar hij deed geen vlieg kwaad. Hij leek zelfs over het plein te waken. Hier, aan de kop van de Vlamingen- en de Walenstraat, kwamen Brusselaars samen. Het Brusselaarsplein droeg zijn naam goed.

Wij, de bewoners, wisten dat het hier niet sinister was. Niemand heeft ons iets gevraagd. De bomen werd ook niets gevraagd. Nochtans weten we dat bomen kunnen spreken. Ondergronds, via hun wortelstelsel, communiceren ze met elkaar. Wij kunnen dat niet horen. Daarvoor zijn wij bovengronds veel te lawaaierig.

Er komt een tijd waarin we zullen beseffen dat bomen levende wezens zijn. Die zoveel ouder en wijzer zijn dan wij. Die ons zoveel geven.  Ons beschermen voor onze domheden. Met schaamte zullen we terugkijken op onze barbaarse daden jegens deze weldoeners. “We zijn niet geïnteresseerd in de redding van de aarde, maar wel in de redding van onze eigen arrogantie,” stelde schrijver Richard Powers onlangs in De Morgen. In zijn laatste roman spelen bomen de hoofdrol.

De tram waarmee we tien minuten sneller in het centrum zijn zouden we meteen inruilen voor ons vroegere groen.

‘Heb je gezien dat ze onze nieuwe boom eindelijk hebben geplant?’ vroeg mijn man gisteren. Nee. Ik had hem niet gezien. Een smalle spriet. Dat het herfst is en hij maar enkele bladeren heeft, helpt natuurlijk niet. Ik heb medelijden met hem.

Ik kijk naar de lege vlakte met één boom en betonnen banken zonder leuning. Veel kouder kan het komende winter niet meer worden. Vroeger hingen er kerstlichtjes in de bomen. We zullen ze nu aan ons balkon hangen. In de zomer zullen we wat bloempotten buitenzetten. En een bankje. Zodat we een beetje kunnen praten met de voorbijgangers. Over vroeger.

Ik voel mijn grootvader, dertig jaar na zijn dood, zo dichtbij de laatste tijd. In mijn herinnering zit ik niet tegenover hem te praten, maar naast hem. Samen kijken we door het raam. De bomen waren zo mooi.

 

Onder het station

Enkele maanden geleden maakte ik een bijzondere avondwandeling in het Jetse Boudewijnpark. Het was een erg warme dag geweest. In de vooravond had het hard geregend. Rond een uur of acht ’s avonds was het weer opgeklaard. Ik besloot te gaan wandelen. Ik herkende het park niet meer. Het was in een mysterieuze nevel gehuld. Ik was er alleen. Ik leek in een fantasiewereld terecht te zijn gekomen. Ik nam veel foto’s en schreef er een verhaal over. Niet veel later zond ik enkele foto’s uit deze reeks in voor de wedstrijd ‘Jette in beeld’. Tot mijn blijdschap werd een van de foto’s uitgekozen. Deze komt in de voetgangerstunnel onder het Jetse station te hangen. Samen met de foto’s van zeven andere Jetse fotografen: Caroline Adam, Paul Barbieux, Willy Dirckx, Fabrice Grégoir, Michel Picard, Ludivine Szaba en Werner Van den Mooter. We exposeren ons werk ook in Atelier 34zero muzeum.

De tunnel onder Jette station wordt ingehuldigd op 29/09 om 18u30. Welkom!

Expo Jetse fotografen in Atelier 34zero van 29/09-07/10

Lees hier over mijn bijzondere wandeling.

Zon dag kind

Om kwart voor zes trek ik de deur van mijn tijdelijk verblijf aan zee dicht. Zacht, om niemand wakker te maken. Van de zesde verdieping reis ik met de lift naar beneden. Het is al een beetje licht buiten, dat valt mee. Niet het donker of de leegte zijn beangstigend op dit vroege uur. Wel de meeuwen. Oostende is nu van hen. De wachtende vuilniszakken maken van de straten hun paradijs.

Bij het casino zie ik een meeuw net de hoek om lopen. Daar vindt hij een plastic mayonaisepotje van een frietkot. Het ligt ondersteboven. De meeuw speelt er voetbal mee in de hoop het om te keren. Na een tijdje geeft hij het op. Hij steekt de straat over, op het zebrapad. Weinig meeuwen vliegen, ze wandelen.

Ah ah ah! Het geroep gaat in crescendo. Alsof ergens een raam openstaat en ik getuige ben van het hoogtepunt van een ochtendlijke vrijpartij. Het is een meeuw hoog boven mijn hoofd die deze orgastische geluiden maakt. Overdag heb ik ze nog nooit gehoord.

Ik moet doorstappen, de zon zal opgaan om 6u10. Ik kom bij het Zieliedenmonument. De zon is er nog niet, maar kleurt al strepen aan de hemel. De meeuwen op het strand zijn stil. Niet zo opgewonden als hun soortgenoten in de stad. Twee vroege pootjebaders wandelen in de verte langs de vloedlijn.

_DSC4531 (3).JPGEr zijn nog geen wandelaars op de westelijke strekdam. Aan het einde staan drie vrouwelijke gestalten op het muurtje. Pas wanneer ik vlakbij ben, merken ze me op. Ik vraag of de boot al voorbij gevaren is. Ze hebben gewuifd naar een boot, iemand zwaaide terug. Ze zijn niet zeker of het de juiste boot was.

Waarom we hier zijn? We willen zwaaien naar het kind dat iets of iemand verloren heeft. Het heeft een nacht op zee doorgebracht, in gezelschap van de Zonnekoningin. Vanochtend zullen ze samen de zon opzingen.

Wij zullen hen niet horen. Wel voorbij zien varen. En wuiven. We zijn hier om er te zijn, voor een kind met verdriet.

De boot komt niet. We staan al een uur te wachten. Ik stel voor een foto te maken van de drie vriendinnen. Ze gaan naast elkaar zitten op het muurtje en kijken lachend in mijn lens. Alsof we elkaar al lang kennen.

Terwijl ik de foto maakte, is de zon achter hen opgegaan. Ik zou ook op het muurtje moeten gaan staan om betere foto’s te maken, zeg ik, maar ik heb hoogtevrees. Een val zou heel ongelukkig kunnen zijn. Een van de vrouwen stelt voor me te helpen. Ik wil het alleen doen. Voorzichtig sta ik recht. Ik maak foto’s van de opgaande zon. Ik kijk of de boot er nog niet aankomt.

Ik sta aan een nieuw begin, zeg ik tegen de drie vriendinnen.  Voor mij is dit ook een ritueel: het vroege opstaan, de meeuwen trotseren, de wandeling, de zon zien opgaan, de ontmoeting, samen wachten en wuiven. Iets prikt hevig in mijn rechterhand. Een wesp vliegt weg, over de zee. Hij lijkt me heel bewust te hebben aangevallen. Als een bijkomende beproeving. De steek doet pijn, mijn hand zwelt rood op. Ik blijf op het muurtje staan. De hele dag zal de pijn me herinneren.

De drie vrouwen nemen afscheid, ze gaan ontbijten. De boot zal niet meer komen. Ik krijg een e-mailadres zodat ik hen de foto’s kan sturen. Ik kom van het muurtje af en blijf nog even kijken. Nu ben ik alleen.

Dan zie ik in de verte een boot. Meteen weet ik zeker dat het deze boot is. Naast me komt een oudere, kalende man staan. Hij is erg bezweet. Hij is naar hier gejogd. Hij gaat op het muurtje staan en reikt me de hand. Deze keer laat ik me wel helpen. Hij vertelt dat hij de boot al elke dag gezien heeft. Soms van hieruit, soms vanuit zijn venster. Ik heb een heel goede verrekijker, zegt hij. Maar vandaag zag ik de boot niet. Hij was veel dieper de zee ingevaren dan vorige dagen.

De man vertelt me dat hij schrijft. Voor de Zeewacht.

Mijn wachten wordt beloond. Om half acht vaart de boot voorbij de strekdam. De Zonnekoningin, het kind en de andere opvarenden wuiven. De man van de Zeewacht en ik wuiven terug.

Mijn gezelschap springt van het muurtje en jogt weg. De boot vaart de haven binnen. Ik kijk hem na. Dan loop ik stadinwaarts. Maandag mag beginnen.

Bomen

Ik loop door de lange straat die van het Jetse station naar het Spiegelplein gaat. Bij het Garcetpark wacht ik op de hoek om over te steken. Aan de overkant staat een man met kortgeschoren haar. In zijn rechterhand houdt hij een sigaret, in zijn linkerhand zijn smartphone. Hij steekt de straat over, lezend op zijn smartphone. Dan pas herken ik hem. We kruisen elkaar, ik besluit hem niet te storen. Het is nog maar tien dagen geleden dat ik hem toevallig tegenkwam, in de koelafdeling van de Colruyt. Toen vroeg hij meteen hoe het met me ging.

Intussen heb ik weinig nieuws te melden, behalve dat ik een week geleden in de smalste, rustigste straat van onze gemeente ben aangereden. En dat ik ongelooflijk veel geluk heb dat ik nog in leven ben.

Van dat geluk geniet ik in stilte – en in pijn. Ik loop hem dus voorbij, begroet hem niet.

Wanneer ik thuiskom, stuur ik hem een berichtje: ‘Ik ben je zonet gekruist in de Leon Theodorstraat maar je was druk aan het roken en op je smartphone aan het lezen. Ik heb je maar niet gestoord. Ik had je ook wat te laat herkend met je nieuwe frisse coupe!’

Hij antwoordt: “Aha 🙂 Ja, ik ben ‘gekapt’, liever dat dan de bomen.”

Wij kennen elkaar niet goed. Maar hij weet van mijn verdriet om de gekapte bomen voor mijn huis.

Ik lach.

Na de regen

Het is avond.
Het heeft geregend.
Het heeft heel hard geregend na een warme dag.
Nu is het gestopt.
Ik ga naar buiten.
Naar het park.
Elke avond wandel ik in het Boudewijnpark.
In het park is er goede lucht.
Er is vandaag niemand in het park.
Ik ben alleen.
Ik herken het park niet.
Het is anders.
Zo heb ik het park nog nooit gezien.
Er hangt mist.
Maar het is geen mist.
Het zijn geen wolken die naar beneden zijn gekomen.
Het is de regen die als rook uit de warme grond komt.
Zo mooi.
Net een sprookje. Of een film.
Ik ben in een andere wereld. Of is dit de hemel?
Het ruikt heel lekker.
Naar gras en naar daslook.
Fris en pittig.

Een wandelaar komt voorbij.
‘Bonjour,’ zegt hij.
Hij zegt dag omdat er niemand anders is.
Ik loop verder.
Ik maak veel foto’s.
Ik hou veel van bomen.
Al van toen ik kind was.
Ik ben graag dicht bij bomen.
Nu zijn de bomen dicht bij mij.
Ze komen naar mij toe.
Alsof ze tegen mij spreken.
Mij troosten.
Mij alleen.
Waar zijn alle mensen?
Denken ze dat het nog regent?
Zitten ze binnen voor de tv?
Zo spijtig.Ik kom bij de vijver.
Nog nooit was het hier zo stil.
Ineens ben ik bang.
Ik zit in een griezelfilm.
Straks komt er een monster. Of een zombie.
Maar het is ook romantisch.

Ik wil hier niet weg.
Dit zou ik willen tonen.
Aan mijn vrienden, aan mijn familie.
Ik loop naar de overkant van het park.
Naar de andere vijver, bij de speeltuin.
Ik denk aan een schilderij.
Er zijn geen kinderen in de speeltuin.
Zo stil is het hier nog nooit geweest.

Snoeilingen

In de Vanderborghtstraat valt altijd iets te beleven. Misschien omdat het er zo rustig is. Bijna geen verkeer, weinig voetgangers. Of omdat ze zo lang is en zo breed. Of omdat ze door twee gemeenten loopt – Koekelberg en Ganshoren. In plaats van bus 13 of 14 te nemen, loop ik heel graag van Simonis tot aan mijn huis via de Vanderborghtstraat. Die wandeling duurt ongeveer een kwartier.

De ene keer vind ik er in een doos met afgedankte boeken de sprookjes van Godfried Bomans. De andere keer een ronde rode poef of een grote bruine fluwelen sofa. Of kamerplanten in kleurige cache-pots die worden uitgelaten op een vensterbank. In de zomer bloeien er de prachtigste clematissen en stokrozen. Eén keer vond ik er een mooi oud nachtkastje. Het staat nu, glanzend wit geschilderd, naast het bed van mijn dochter.

In de Vanderborghtstraat is het goed wonen. Ik ken een man en een vrouw die een huis wilden kopen en zeiden: ‘Het maakt niet uit wat voor huis het is, als het maar in de Vanderborghtstraat ligt.’ Dat vertelden ze me op de jaarlijkse rommelmarkt in september, waar de bewoners hun overbodige spullen voor de deur uitstallen. Het buurtcomité van de Vanderborghtstraat is erg actief. In de straat wonen ook twee gedreven politici. Burgemeester van Jette Hervé Doyen en Brussels parlementslid voor Groen Annemie Maes. Ongetwijfeld leveren ook zij een bijdrage aan het aangename karakter van deze straat.

Vanmiddag liep ik dus nog eens door de Vanderborghtstraat. Ik zag dat er hier en daar mozaïektegels zijn gelegd. Vast en zeker het werk van Jean-Christophe Duperron of zijn cursisten. Deze mozaïekmaker en -restaurateur heeft in de Vanderborghtstraat zijn eigen privé-school Art Mosaico, die zeer het bezoeken waard is.

Meer dan de mozaïektegels, wekte iets anders mijn aandacht. Het groenafval in de Vanderborghtstraat zou worden opgehaald. Snoeisel weet mij altijd te boeien – net als op straat achtergelaten schoeisel trouwens, dat ik steeds fotografeer. Ik kijk er graag naar, het tijdelijke, afgedankte groen op de grijze stoeptegels. De kronkelende samengebonden takken. Het groen is grillig en gaat nooit gewillig in de voorbestemde groene zakken. Het vergt enige creativiteit om het bijeen te houden. Er komt stapeltalent en vlechtwerk aan te pas, touw of wol of zelfs een paar versleten panties. Vol verbazing kan ik ernaar staren.

Een openluchttentoonstelling van sprietjes, blaadjes, struiken, takken, twijgen, stammen en stronken. Afgemaaid, afgeknipt, afgezaagd of omgehakt. Soms zou ik die snoeilingen willen meenemen en me er in mijn kleine stadstuin mee omringen.

Film

We gingen nog eens naar de film. Mijn man, mijn oudste dochter en ik. We hadden geluk: de film die we wilden zien, speelde in zeven zalen, waarvan twee in de bovenstad en drie in het centrum. In de Brouckère draaide de film om 17:40. Hij zou dan rond 19:30 gedaan zijn, een prima uur om nog rustig ergens te gaan eten.

Toen ik rond 17:25 bij de bioscoop aankwam, waren mijn man en dochter er al. Dat verheugde me. Na jaren ben ik erin geslaagd mijn huisgenoten duidelijk te maken dat op tijd komen belangrijk voor mij is. ‘Ik heb de tickets al,’ zei mijn man. ‘De film speelt in een zaaltje met maar 89 plaatsen. Het is ook écht geen film voor de Brouckère. Meer voor de Galeries.’ Ik hield mijn hart al vast, zag ons in gedachten veel te dicht bij het scherm zitten met ons hoofd in onze nek.

Gelukkig viel het reuze mee. Zaal 1 was een brede zaal, en er waren maar weinig plaatsen bezet. We gingen op de voorlaatste rij zitten en waren tevreden, tot mijn man zei dat hij het toch iets te dichtbij vond. We verhuisden naar de laatste rij, hoewel we reeds opgemerkt hadden dat daar een zwaarlijvige, licht marginale man met enig kabaal koekjes zat te eten.

Mijn man was zo attent het dichtst bij deze knabbelende creatuur te gaan zitten, met een drietal stoelen tussen hen in. Ik mocht in het midden, met mijn dochter rechts van mij. ‘Ik hoop dat zijn koekjes op zijn als de film begint,’ zei mijn man. En gelukkig, toen de reclame en de trailers voorbij waren, gooide de man de lawaaierige verpakking op de grond.

Hij leek zich wel verslikt te hebben in enkele koekkruimels, want hij ontwikkelde nu een onsmakelijk klinkende kuch. ‘Tja, zei ik, in de Galeries zou er ook zo iemand gezeten hebben. Wij kunnen gewoon nergens komen zonder dat er mensen ons storen.’ ‘Als het te erg wordt, kunnen we altijd nog naar 3003 sms’en. Dan komen ze hem uit de zaal verwijderen. Ze zullen wel met twee moeten zijn,’ grapte mijn man. We vroegen ons af waarom de man voor onze film gekozen had. Hij leek een beetje met zijn zetel vergroeid. ‘Waarschijnlijk komt hij hier naar alle films kijken,’ besloten we. Een vermoeden dat bevestigd werd toen we na afloop van de film zagen hoe close hij was met de toiletdame.

De film begon. De film was zo goed dat we het gekuch naast ons meteen vergaten. De film katapulteerde ons terug naar onze jeugd, de tienerkamer, onze eerste liefdes, de verveling op de schoolbanken, de jaren waarin alle mogelijkheden nog open lagen, zoals nu voor onze dochter. De film toonde ook een kwetsbare moeder, die goed probeert te doen, maar dat lukt niet altijd. Ze is te bezorgd en een beetje verbitterd geraakt. De soms complexe moeder-dochterrelatie werd mooi gevat. Tegen het eind van de film pakte mijn dochter me even vast, toen ze zag dat ik met de mouw van mijn wollen trui over mijn wangen veegde.

Na de film liepen we naar de Mirante, al jaren ons vaste pizza-adres. Hier ben ik al een dertigtal jaar klant, als kind kwam ik hier al met mijn ouders. De Mirante zat vol. Een wat norse nonna zei dat we over een kwartier mochten terugkomen. We gingen intussen iets drinken in de Plattesteen. Waar was de tijd dat we hier elke zaterdagnamiddag kwamen lezen en koffie drinken, vroegen mijn man en ik ons af. Nu waren we hier in geen eeuwigheid nog geweest. Het blijft toch een gezellig en authentiek café. We keerden terug naar de Mirante. De nonna wees onze tafel aan, helemaal achteraan, bij de toiletten. Het rook er wat naar de toiletten. Maar mijn man ruikt sinds een recente neusoperatie bijna niets meer.  Mijn man heeft een allergie voor de slechte stadslucht. Uitlaatgassen kunnen bij hem een hevige niesbui uitlokken. De operatie was nodig om weer beter te kunnen ademen.

Mijn man nam dus liefdevol het dichtst bij de toiletten plaats, mijn dochter en ik gingen aan de andere kant van de tafel zitten. Even later smulden we van onze heerlijke pizza’s, terwijl onze dochter herinneringen aan haar middelbare schooltijd ophaalde.

Lang geleden dat we nog zo’n mooie avond hadden.

Toeval

Waar word ik gelukkig van?

Ik word gelukkig van ’s ochtends vroeg in Brussel op stap zijn.

Ik douche, ontbijt en ga dan meteen naar buiten.

Vandaag moet ik naar de dokter.

Om tien over acht sta ik bij de tramhalte.

Ik neem tram 19 naar Stuyvenberg.

Ik ben 20 minuten te vroeg.

Het is heel koud. Ik hou van de kou als de zon schijnt.

Ik wandel langs de Houba de Strooperlaan.

Daar staan mooie huizen. En je kan het atomium zien aan het einde van de straat.

Ik zie drie doodkisten in een etalage.

Het zijn ecologische doodkisten.

Een kist van karton met bloemen erop.

Een blauwe kist van hout.

En een kist van riet. Hij lijkt op een picknickmand.

Ik ril. De kisten maken mij bang.

Het is tijd om naar de dokter te gaan.

Een uur later sta ik weer op straat.

Ik loop weer naar de tramhalte.

Tram 19 komt er net aan.

Ik spring op de tram.

Ik rijd graag met de tram door de stad.

De tram rijdt snel en je kan goed naar buiten kijken.

We komen voorbij het park en het kerkhof van Jette.

Ik moet bijna afstappen. Bij halte Astrid.

Bij de halte staat een grote man met een bruine jas en een rode muts.

Ik zou hem uit een miljoen mensen herkennen.

Het is mijn man.

De tram stopt. De deuren gaan open.

Mijn man stapt achteraan op de tram. Ik ga vooraan afstappen.

Maar ik stap niet af.

Ik loop door de tram naar mijn man.

Ik kijk naar hem. Hij ziet mij niet.

Hij biept met zijn MOBIB-pas.

Ik leg mijn hand op zijn arm.

Dan ziet hij mij.

We geven elkaar een kus.

Hij bloost.

Hij begrijpt het niet.

Ik leg het uit.

‘Ik ben naar huis gekomen met de tram. Jij gaat naar je werk met dezelfde tram.’

‘Waarom ben je niet afgestapt?’ vraagt hij.

‘Omdat ik jou zag,’ zeg ik. ‘Ik rijd nog één halte met je mee.’

Wat een toeval dat we dezelfde tram genomen hebben.

Het toeval kan heel mooi zijn.

Zeker als je verliefd bent.

Bloost mijn man daarom?

Bij halte Spiegel geven we elkaar nog een kus.

Ik stap af.

‘Tot vanavond!’ zegt mijn man.

‘Tot vanavond!’