Party

De kant met de bomen of de kant die is opengebroken? Moeilijk kiezen altijd hier. De kant met de bomen lijkt logisch, maar altijd ligt er een dode rat. Dat weet ik, en toch schrik ik er iedere keer weer van. Omdat ik telkens hoop dat er deze keer eens geen dode rat zal liggen. Het is donker, het regent hard. Toch maar de kant waar de smalle stoep is opengebroken en waar ik een stuk op de straat moet lopen, dicht bij het drukke verkeer.

Nu nog voorbij verschillende sluikstorthopen. Deze buurt maakt me altijd moe. Toch kom ik naar hier om me beter te voelen. Ik ben blij dat ik vandaag nog kon komen.
Vanmiddag kreeg ik een bericht:
Om 18u hebben wij nog een plekje in de tent.
P.S.: De koning is net op bezoek geweest bij ons!
Het informele  van de laatste mededeling verbaasde me enigszins. Maar ik kon het enthousiasme wel begrijpen. Een buurt vol afval en dode ratten is niet meteen de biotoop van de koning.

Straks geef ik online les. Met wat geluk ben ik tijdig terug thuis. Ik kom bij de tent, een beetje te vroeg. Ik mag in de voortent wachten. Ironisch. Deze partytent in een tijd zonder party’s, deze zonnetent in de herfst. Er hangen zelfs feestelijke vlaggetjes. Iemand hier heeft gevoel voor humor. Of hangen ze er omdat de koning op bezoek was?



Hij verwelkomt me hartelijk. Ik ken hem niet, heb hem hier nog nooit gezien. Ik mag in het achterste deel van de tent plaatsnemen, een klein apart kamertje. Hij stelt me direct op mijn gemak. Hij tikt mijn gegevens in op zijn computer. Hoe primitief ook, alle materiaal is hier voorzien.

Ik zeg dat ik blij ben dat ik zo snel mocht komen, want dat ik nog les moet geven. ‘Toch niet in de klas? Als je nu hier bent, is dat geen goed idee.’ ‘Nee, vandaag online. Maar anders wel nog in de klas, in kleine groepjes, mijn cursisten hebben dat liever.’ ‘Mogen zij dat zelf beslissen?’ vraagt hij. ‘Dan zijn het zeker geen kinderen.’ Ik vertel hem over de volwassenen uit mijn klas.

Ik zeg dat ik bezorgd ben, me niet meer zo veilig voel de laatste tijd. Vooral op het openbaar vervoer. Hij begrijpt me. ‘Ik kom ook elke dag met het openbaar vervoer naar het werk, ja, het is erg.’

Hij kijkt in mijn keel, luistert naar mijn longen. Ik vraag me af hoe hij mijn ademhaling kan horen doorheen de regen die op de tent klettert. Hij is opvallend goed gehumeurd. Op deze donkere, natte avond, in deze sombere buurt en met de zorgen en het vele werk die de epidemie met zich meebrengt? Ik kan het niet goed rijmen. Het zal een overlevingsstrategie zijn. Of is hij nog feestelijk gestemd door het bezoek van de koning?

‘Dit zal niet je aangenaamste moment van de dag zijn,’ zegt hij vrolijk, met het lange dunne buisje in zijn hand. Ontspan je goed.’ Het voelt zoals water in je neus krijgen bij het zwemmen, maar dan tien keer erger. Als het voorbij is, voel ik het nog steeds prikken in neus en oor. ‘Zo, het is al gedaan!’ Hij maakt het staal klaar voor verzending naar het labo. Opgewekt licht hij me in over het vervolg.

‘Bent u hier een vaste arts? Ik heb u hier nog nooit gezien.’
‘Ik loop hier een jaar stage. Ik heroriënteer me.’
‘Wat deed u dan vroeger?’
‘Ik was advocaat. Daarom dat ik zoveel praat!’

Ik zie hem in een zwarte toga in de rechtbank, dan weer in zijn witte doktersjas met korte mouwen in de zonnetent in de regen. Ik begrijp goed dat hij dit zoveel liever doet. Ik vraag me af hoeveel jaar  hij gestudeerd zou hebben. Ik vertel hem dat ik me ook geheroriënteerd heb, dat ik bediende was en nu sinds twee jaar leerkracht. ‘Ik heb grote bewondering voor u!’ zeg ik.

‘Ik ook voor u!’ We lachen, nemen afscheid, ik wil naar buiten door de voortent, maar nee, er is een aparte uitgang. Hij houdt een flap aan de zijkant van de tent voor me open. Rechtstreeks, zonder eerst mijn paraplu te kunnen openen, stap ik de gietende regen in. Het deert me niet meer.

Ik zal goed op tijd thuis zijn voor mijn avondles.

Vouwstoel

Nepzonlicht wekt me om zes uur. Even vloek ik. Dan sta ik op. Ik doe dit graag voor de cursisten van mijn school, voor de zieke collega die ik vanochtend zal vervangen.

Ik neem tram 19 tot halte De Wand. Het is gelukkig nog rustig op de tram. Het vroege opstaan is al vergeten wanneer ik bij De Wand in de verte de echte zon zie opgaan. Door het winteruur wordt het ’s ochtends weer vroeger licht. Elk jaar is het thuiskomen in het winteruur.

Nu nog een wandeling van een half uur, de bus nemen lijkt me geen goed idee. Er zijn meerdere scholen op mijn traject. Bus 53 zit op dit uur altijd vol met tieners en jonge kinderen en hun ouders. Dagelijks maak ik risicoanalyses en nieuwe regels: tram 19 kan nog, bus 53 niet meer.

Ik wandel langs de lange Versailleslaan, een chique naam voor een laan die verdeeld is in vrijstaande paleizen waarvan je alle kamers nooit kunt bewonen en mistroostige woonblokken waarin te veel mensen samenhokken. Ik loop voorbij een parel van jarenzestigarchitectuur, de villa Zonnewende van Roger De Winter. In de sociale woontorens verderop zien ze de zon net iets anders draaien.

In het centrum van Heembeek loop ik langs de kleine zeventiende-eeuwse Sint-Niklaaskerk, die al vele jaren een cultureel centrum is. Het doet me hier steeds aan een Frans dorpje denken. Ik wandel voorbij de bakker waar ik vorig schooljaar vaak een croissant ging kopen, de zaak waar ik mijn cappuccino ging halen en voorbij het Italiaanse restaurant waar mijn man en ik op een feestelijke avond in januari pizza aten, nadat we een mooi jazzconcert hadden bijgewoond. Moeten we vaker doen, zeiden we. Hoe onbezorgd we toen nog waren.

Rond acht uur kom ik aan bij het Peter Benoitplein, met zijn imposante Sint-Pieter en Pauluskerk in art-decostijl. Rechts ervan ligt de plek waar ik moet zijn, gemeenschapscentrum Nohva. Een modern gebouw dat je door zijn grote patio, zijn vele licht en warme houten balustrades met open armen ontvangt. Vorig schooljaar gaf ik hier met veel plezier les aan een fijne groep van zes. Tot het op dertien maart plots stopte en ik online moest doorgaan. Zonder afscheid ben ik vertrokken. Als er één ding is wat ik liever vermijd: vertrekken zonder afscheid.

De hoofdingang is nog dicht, maar de schoonmaakster ziet me en laat me binnen via de achterdeur. Ik ben blij dat ze me nog herkent met mondmasker, na al die tijd. Ik ben hier welkom, mag hier nog zijn, moet hier vanochtend zijn, ik word verwacht. Hoe niet vanzelfsprekend dit geworden is.

Ik voel tegelijk dankbaarheid omdat mijn job me toelaat nog mensen te ontmoeten en angst die me doet verlangen naar een nieuwe quarantaine. Met die angst valt het beter mee dan in het voorjaar, toen ik binnen mocht blijven en elk risico kon vermijden. Zoals je je angst voor slangen overwint door het beest vast te pakken en vliegangst door op het vliegtuig te stappen, zo vermindert de angst voor dit virus als je geregeld buitenkomt. Maar de laatste dagen is ze weer toegenomen, ik voel het virus steeds dichterbij komen.

Aan het onthaal zit niemand. Zal er nog iemand komen? Gisteren is beslist dat de culturele instellingen in Brussel weer op slot gaan. De deur naar het café is gesloten. Vorig jaar dronk ik in de pauze graag koffie bij Conny. Zij runt het dienstencentrum hier. Senioren kwamen er rummikub spelen en breien, koffie drinken en eten, hun verjaardag vieren en dansen op de maandelijkse party. Tijdens de pauze kwam ik hier met mijn cursisten. We werden bediend door vrijwilligers, gepensioneerden die in dit werk een plezierige en zinvolle bezigheid hadden gevonden. We interviewden hen eens voor het thema vrijwilligerswerk, hun enthousiasme was aanstekelijk. Hoe zou het met hen gaan, nu een wrede ziekte vooral mensen van hun leeftijd treft?

Ik ga naar boven, naar mijn klas. Door mijn plotse vertrek is didactisch materiaal van mij achtergebleven in de kast: een galgje-spel en een stilstaande klok. Pas nu ik het opschrijf, besef ik hoe symbolisch het is.

De volgende dag valt de BRUZZ in de brievenbus. Ik sla hem open. Verrast zie ik een foto van Conny. Het bijbehorende interview beantwoordt mijn vraag van de vorige dag. Conny vertelt dat ze niet heeft stilgezeten tijdens de quarantaine. Ze heeft gestreden tegen angst en eenzaamheid in haar gemeente.

Toen de coronacrisis losbrak, schoot ze meteen in actie. De telefoonnummers van de zeshonderd gebruikers van haar dienstencentrum verdeelde ze onder de vrijwilligers. Zij belden iedereen wekelijks op, zetten boodschappentandems op, zorgden voor maaltijden aan huis, naaiden zevenduizend mondmaskers en organiseerden gespreksnamiddagen over het opstellen van een levenseindeplan.

© Saskia Vanderstichele 

Op de foto in de krant zit een dame van een jaar of tachtig de deuropening van haar woonst, op haar rollator. Voor haar deur is een stenen trap, zou ze daar nog op en af geraken? Onderaan die trap zit Conny. Halverwege de trap, tussen beide dames in, zit het schoothondje van de oude dame. Conny’s linkerhand aait hem. Met haar rechterhand ondersteunt ze haar hoofd, zoals mensen vaak doen wanneer ze aandachtig luisteren.

Wat me ontroert in deze foto: de kwetsbare persoon kijkt naar beneden, de ondersteuner naar boven. Het is geen toeval. In haar bolderkar neemt Conny altijd een vouwstoel mee, zodat ze bij deurbezoeken op dezelfde hoogte als mensen in een rolstoel zit. Ook in de schaduw achter de dame staat iemand. Ze is goed omringd. We doen het zo vaak anders, gaan boven iemand staan, vaak ook met goede bedoelingen.

Conny vertelt hoe ze een eenzame vrouw in contact bracht met haar Afrikaanse buurman. De twee hadden nog nooit met elkaar gesproken. Nu doet de man boodschappen voor zijn buurvrouw. Als elk appartementsblok een bruggenbouwer had, dan zouden we vandaag minder moe zijn, besluit Conny.

Wat een blij weerzien. Ik wens de wereld meer Conny’s. Mensen met de vinger aan de pols van de samenleving. Die met hun kleine verhalen van elke dag de vinger op de wonde weten te leggen. Ik wil ze graag horen, lezen. Mensen die luisteren zonder vooroordelen, verbinden en strelen. Met een inspirerende daadkracht. We hoeven deze tijd niet lijdzaam ondergaan. Een vouwstoel kan volstaan.

© Saskia Vanderstichele 

Lees ook het interview met Conny Roekens van Steven Van Garsse in BRUZZ.

Met veel dank aan Saskia Vanderstichele voor haar mooie foto’s!

Quarantaine

KerremansparkDe oudste dochter die weer thuis woont
de jongste naar haar toe zien groeien
van dag tot dag
de man die ’s ochtends naar het werk vertrekt
en gewoon de trap opgaat
naar de slaapkamer
tot ik roep dat het tijd is om naar huis te komen
voor het avondmaal
op vrijdagavond karaoke
omdat The Voice Kids niet meer doorgaat
een duet met de man, die hit uit onze jonge jaren
het geduld bewaren wanneer het toilet bezet is, of het internet
sputtert, de soep die elke middag pruttelt, net als de zuurdesemstarter
de nieuwe huisgenoot, die Antoine heet, vaststellen dat
de helft van de wereld nu zuurdesembrood bakt
en zijn starter een naam geeft
origineel ben ik niet, maar ik moet iets met mijn handen doen
en met mijn voeten, wandelen, wandelen
in de natuur die ik nu pas echt ontdek, met vele anderen
het park, het bos, het natuurreservaat, het moeras
in mijn buurt, vlakbij, er al die jaren te weinig van genoten
hoe heten die paarse bloemen en die witte en die gele
en wie is dat piepkleine vogeltje met zijn rechtopstaande staart,
het winterkoninkje terwijl het zomeruur haast ongemerkt ingaat
regelmaat is nu belangrijk maar soms is het te veel
van hetzelfde en weet ik niet meer welke dag
het gisteren was, of morgen, niet denken aan de toekomst
geen waarzeggerij, vandaag ben ik blij
ja, het is best goed, behalve ’s nachts
dan zijn er wilde dieren, angst
om niet meer te kunnen ademen, mediteren helpt,
vaststellen dat ik tevreden ben met een eenvoudig leven
zoals mijn grootmoeder, werken met mijn handen
naaien, deeg kneden, zaaien
kon ik maar uitwaaien bij haar aan zee
haar niet mogen zien
al vijfentwintig jaar niet meer, het begint zwaar te wegen
’s nachts bezoek ik haar
overdag breng ik aardbeien naar een 92-jarige vriendin
in het rusthuis, elk einde is een nieuw begin, zegt zij
dat ik familie en vrienden nog niet zo erg mis
omdat ik hen steeds toevallig tegenkom
en ze in gedachten altijd bij mij zijn
dichter in mijn hoofd dan ze digitaal ooit kunnen komen
hoewel ik me digitaal verdiep als taalleraar
leer hoe je woorden kunt slepen naar hun juiste betekenis
aan mijn studenten die tegelijk verder weg en dichter bij zijn
ik zie hun kinderen, hun man of vrouw, hun tuin
hun uitzicht van op de veertiende verdieping
ik weet nu hoe hun deurbel klinkt
en soms waarom ze verdrietig zijn
ik maak kennis met hun huisdieren
de kat die Pepita heet
zoomt mee, zoomen in plaats van spinnen
zoomen in plaats van zoenen
niet zoals de bijen in mijn tuin, hun paradijs
het werkwoord van deze tijd
ik zoom, jij zoomt, hij zoomt,
wij zoomden tot de verbinding verbrak
zoomen voor de zeventigste verjaardag van mijn moeder
en met een collega die om de hoek woont
en een collega van om de andere hoek
met een collega van nog een andere hoek sprak ik
aan de telefoon, ik begin dit vreemde leven
zelfs gewoon te worden, ik ben niet alleen
denk ik ’s avonds wanneer ik sta te wachten in de rij
om groenten van lokale boeren op te halen
die alles beter verteerbaar maken
ik sta in een zonnige straat te wachten en denk
het gaat, en vind ineens de woorden
die me al weken in de steek hadden gelaten.

Wrakstukken

Met een bibliotheekkaart van één Brusselse bibliotheek, mag je in alle Brusselse bibliotheken materialen ontlenen. Al jaren maak ik daar dankbaar gebruik van. Geregeld kom ik in de bibliotheken van Jette, Koekelberg, Brussel Centrum, Molenbeek, Ganshoren, Neder-Over-Heembeek en Anderlecht. Elke bibliotheek legt zijn eigen klemtonen. De ene bibliotheek heeft een bijzonder cinefiele DVD-collectie, de andere is dan weer gespecialiseerd in kookboeken.

Toen de bibliotheek van Anderlecht een tijd geleden de deuren sloot voor renovatiewerken, mochten de leden onbeperkt materiaal voor onbepaalde duur ontlenen. Met mijn caddy ging ik een voorraad inslaan.

Momenteel heb ik 60 materialen van 4 verschillende Brusselse bibliotheken in huis. Kookboeken, handboeken Nederlands voor mijn lessen, zelfhulpboeken over zelfzorg en relaties, romans en kinderboeken. Je zou denken dat ik de quarantaine had zien aankomen, maar dat was niet zo. Ik laat me graag omringen door veel boeken, zonder ze (helemaal) te moeten lezen.  Soms doorblader ik ze gewoons eens, of lees de achterflap. Ik wil graag veel boeken om me heen om te kunnen kiezen – en soms is het lang zoeken wat het juiste boek voor me is.

Het duurde lang eer ik de geschikte lectuur voor deze periode vond. Doorgaans lees ik graag persoonlijke verhalen. Ik begon in ‘Herinneringen aan de toekomst’ van Siri Hustvedt. Maar iets in de toon stond me tegen. Reeds bij bladzijde 7, toen de schrijfster op een Corona-schrijfmachine begon te typen, legde ik het neer. Vervolgens begon ik in ‘Zeldzame aarden’ van Sandro Veronesi, een boek dat ik als Veronesi-fan van mijn man had gekregen, maar dat al lang ongelezen in mijn kast stond. Het was een spannend, meeslepend verhaal, ik zat al snel aan bladzijde 100. Tot het hoofdpersonage, een brave huisvader, zo diep in de problemen was geraakt dat ik de lectuur ervan niet meer zo ontspannend vond.

Mijn oog viel op een verhalenbundel van Tsjechov (1860-1904) die ik een tijdje geleden in de Oxfam-kringwinkel had gekocht. Tsjechov wordt vaak gezien als de grootmeester van het kortverhaal. Hij was een dokter, die een meesterlijk inzicht had in de menselijke psyche en in de wereld die hem omringde. In zijn verhalen zitten veel lagen, je kan eruit halen wat vandaag van toepassing is, je kan erin vinden wat jij nodig hebt. Tsjechov was zijn tijd vooruit. Zo klaagde hij in theaterteksten als ‘Oom Wanja’ en ‘De kersentuin’ al het menselijk gebrek aan respect voor de natuur aan.

Graag laat ik mijn lectuur door het toeval bepalen. Boeken komen naar mij toe. Was dat nu ook zo? Had Tsjechov me aangesproken? Wat had hij me te vertellen?

Het eerste verhaal, ‘De weddenschap’, ging over een jonge jurist die, tijdens een discussie over de doodstraf op een avondlijk feest, een geheel onzinnige weddenschap sluit met een bankier. Terwijl de bankier de doodstraf verkiest boven een levenslange gevangenisstraf, zegt de jurist dat ieder leven beter is dan geen leven. Om dit te bewijzen zal hij zich vijftien jaar laten opsluiten in het tuinhuis van de bankier. Als hij het volhoudt, zal de bankier hem twee miljoen roebel betalen.

‘Men kwam overeen dat hem gedurende vijftien jaar het recht ontzegd zou zijn de drempel van het huisje te overschrijden, levende mensen te zien, mensenstemmen te horen en brieven en kranten te ontvangen. Hij mocht een muziekinstrument hebben, boeken lezen, brieven schrijven, wijn drinken en roken. Tot de voorwaarden behoorde dat hij met de buitenwereld geen ander contact kon hebben dan zwijgend, door een speciaal daarvoor aangebracht raampje.’

Ik las het met enige verbazing. Een man die vrijwillig vijftien jaar in quarantaine gaat. Tsjechov heeft voor die lange tijd maar zeven bladzijden nodig.

‘Het eerste jaar van zijn opsluiting had de jurist het, voor zover men uit zijn korte briefjes kon opmaken, erg moeilijk met de eenzaamheid en de verveling. Uit zijn huisje klonk dag en nacht pianomuziek. Hij zag af van wijn en tabak. Wijn, zo schreef hij, wekt verlangens op, en verlangens zijn de ergste vijanden van een gevangene; bovendien is niets vervelender dan goede wijn drinken zonder iemand te zien. En tabak bedierf de lucht in zijn kamer.’

Vijf jaar later drinkt de gevangene wel wijn: ‘Diegenen die via het raampje toezicht op hem hielden, zeiden dat hij het hele jaar alleen maar at, dronk en op zijn bed lag, veel geeuwde en boos in zichzelf praatte. Boeken las hij niet. (…) Herhaaldelijk hoorden ze hem huilen.’

In de jaren die volgen maakt de gevangene uitgebreid gebruik van zijn recht om onbeperkt boeken te bestellen. Hij begint te studeren en leert zes talen.

‘Gedurende de laatste twee jaar van zijn opsluiting las de gevangene buitengewoon veel, zonder enig systeem. Nu eens boog hij zich over natuurwetenschappen, dan weer liet hij Byron of Shakespeare komen. Er kwamen briefjes van hem waarin hij tegelijk om scheikunde, een medisch leerboek, een roman en een of ander filosofisch traktaat vroeg. Met zijn lezen was het net alsof hij rondzwom in een zee te midden van de wrakstukken van een schip en, om zijn leven te redden, zich gretig nu eens aan het ene, dan weer aan het andere wrakstuk vastklampte!’

Het lezen zonder systeem was bijzonder herkenbaar voor mij. De zoektocht van het personage naar een manier om zijn opgesloten zijn draaglijk te maken, leek over vandaag te gaan.  Het boek had mij niet toevallig gekozen.

Hoe het afloopt met de gevangene en of hij de weddenschap wint, laat ik in het ongewisse. Je kan het lezen in deze mooie bundel. Een wrakstuk in een moeilijke tijd.

Tsjechov. Verzamelde werken 4. Uitgeverij Van Oorschot, 2008. Vertaling: T. Eekman, A. Prins, A. Stoffel.

Wij(n)

Ik ben van B. naar A. gereisd, om een geliefde schrijver te parafraseren.

In B. ben ik al jaren thuis, in A. kom ik thuis bij mijn ouders.

Iedere keer als ik in A. kom, zijn er weer dingen veranderd.

Plekken zijn verdwenen, andere zijn plots uit de grond gerezen.

Zo sta ik op mijn wandeling ineens voor een heerlijk herenhuis.

Ik heb er over gelezen. Ik wist niet dat het hier was. In Hopland.

Het toeval bracht me hier.

Een nieuwe boekenwinkel annex wijnbar.

Ik kijk even bij de boeken beneden, ga dan naar de eerste verdieping.

Daar zie ik de geliefde schrijfster. Ze drinkt rode wijn.

Zou ze me herkennen van die keer op de trein?

Ik bestel een glas witte, een van de weinige glazen van deze maand.

‘Everytime we say goodbye’ zorgt voor verstilling.

Ik neem een tijdschrift uit het rekje op de marmeren schouw. Ik lees een artikel over een schilder – de nachtburgemeester van Oostende.

Rechts van me praat een koppel fluisterend, een beetje verderop werkt een jongeman met hipsterbaard op zijn laptop.

Links van me is de schrijfster in de weer met haar smartphone. Af en toe kucht zij eens. Haar kuchjes inspireren me.

Intussen speelt Dexter Gordon ‘A nightingale sang in Berkely Square’.

De schrijfster staat recht en loopt naar de kassa. Flessen klingelen kwetsbaar in haar zwarte katoenen schoudertas. Te dun om zo zwaar te zijn. Haar bankkaart maakt biepjes in de betaalautomaat.

Afscheid

© Raad van de VGC | Sera De Vriendt, co-auteur van het Brussels lexicon.

Net voor het concert zou beginnen, schuifelden twee oude mensen arm in arm de zaal binnen. De altijd attente ticketverkoopster was van achter haar balie gekomen om hen te begeleiden en hen persoonlijk hun plaats op de eerste rij toe te wijzen. Ik herkende de man meteen: het was professor De Vriendt, van wie ik in de eerste kandidatuur Nederlandse taalkunde had gekregen. Een man die zijn naam mooi droeg, want er was nooit iets onvriendelijks aan hem. Zijn gezicht lachte altijd, zelfs wanneer hij neutraal keek, leek het alsof hij zijn lach inhield. Het lukte hem niet zijn mond strak te houden of zijn blauwe ogen wat minder te laten stralen. Zijn rimpels waren lachrimpels.

Vierentwintig jaar had ik hem niet meer gezien. Onlangs nog had ik het met mijn man, die ook les van hem kreeg, over hem gehad. Vermits professor De Vriendt al in de zestig was toen hij mij lesgaf, had ik me afgevraagd of hij nog leefde. De kans was klein. In mijn hoofd was hij iemand van wie ik lang geleden al afscheid had genomen, niet iemand die ik ooit nog zou tegenkomen.

Nu zat hij recht voor mij, met één rij tussen ons, naar Bach te luisteren. Het concert was prachtig. Nooit had ik een passie van Bach live horen uitvoeren, met twintig muzikanten en twintig zangers. De muziek vervulde me zozeer, dat ik mijn professor even vergat.

Na het overweldigende applaus zag ik hem en zijn vrouw rechtstaan en moeizaam de tribune verlaten. Ik wachtte hen op bij de rand van de tribune en reikte de vrouw de hand. Ik zei dat ik in het theater werkte en nog les had gekregen van haar man. Ze vroeg of ik dan ook van haar les had gekregen, dat was niet zo. Zij vonden het altijd fijn oud-studenten tegen te komen, zei ze. En ze hadden zo van de avond genoten. Gelukkig waren ze nog net op tijd geweest, ze hadden in de file bij het Zuidstation vastgezeten.

Veel herinnerde ik me niet van de lessen van de professor. Toch dacht ik nog vaak aan hem. Dat kwam doordat hij zijn hond, een blonde labrador, altijd meenam naar de universiteit. De hond bleef in zijn kantoor en was nooit bij hem in het leslokaal, maar soms kwam je hen samen tegen in de lift. Tijdens de middagpauze liet hij het dier uit op de campus.

“Het was elf uur dus tijd om de hond uit te laten.” Dat was eens een voorbeeldzin in de les geweest. Waarschijnlijk ging het hem om de rol van de woorden “het” of “dus”. Hij was geïntrigeerd door de kleine woordjes in onze taal, en vooral door het woordje ‘er’. Ik vond het mooi dat hij een uit zijn eigen leven gegrepen zin ter ontleding aanbood. Dat hij iets van de warmte van zijn thuis in zijn grammaticales had gesmokkeld.

Voorheen had ik er nooit bij stilgestaan, dat hondeneigenaars laat ’s avonds, wanneer anderen in pyjama voor de buis zitten of al gaan slapen zijn, nog even naar buiten moeten met de hond. Sinds die zin was het me beginnen op te vallen, wanneer ik ’s avonds terugkeerde van het theater, dat ik op straat vooral mensen met een hond kruiste. “Het was elf uur dus tijd om de hond uit te laten,” flitste dan door me heen. Oneindig veel keren had ik zo aan professor De Vriendt gedacht. Pas nu besefte ik, hoe vaak hij me ’s avonds in nagenoeg verlaten straten had vergezeld.

In de foyer vertelde zijn vrouw me trots over hun kleinkinderen en wat ze allemaal geworden waren. De jongste was achttien, de oudste drieëndertig. De professor vroeg hoe lang geleden het was dat ik in zijn klas zat. “Vierentwintig jaar.” “Ik ben drieëntwintig jaar geleden met pensioen gegaan.” Ik kon zijn gezegende leeftijd ongeveer uitrekenen. Ze vroegen wat ik deed en toen ik zei dat ik schreef, spoorden ze me aan om zeker voort te doen. Ze vroegen om hen op de hoogte te houden. “Wonen jullie in Brussel?” vroeg ik. “In Sint-Genesius-Rode”. Wat was zijn voornaam ook weer? Ik herinnerde me dat het een speciale naam was, maar kon er niet meer op komen. “Sera – Seraphin”. Hij was naar zijn grootvader vernoemd, zo ging dat in zijn tijd.

Hij herinnerde mij zich niet en ook mijn man kon hij zich niet meer voor de geest halen. De meeste studenten van aan het eind van zijn carrière was hij vergeten. Ik vertelde dat ik nog geregeld aan hem en zijn hond dacht. “Welke was dat toen?” “Een blonde labrador”. “Dat is de laatste labrador die we gehad hebben. Die wegen dertig kilogram, ik kan ze niet meer tegenhouden, ik ben niet sterk genoeg meer. We hebben nu een ruwharige teckel. Ik moet nu naar huis om hem uit te gaan laten,” zei hij lachend. Het was kwart voor elf.

Ik begeleidde hen naar de uitgang, schudde mijn professor de hand, zijn vrouw omhelsde me en drukte vier kussen snel na elkaar op mijn rechterwang.

Thuis vertelde ik mijn man over de ontmoeting, hij deelde in mijn vreugde.

De volgende dag zocht ik de eigenaardige voornaam van mijn professor op in het woordenboek. “Naar het Oude Testament. Engel van de hoogste rang, die in de nabijheid van God lofliederen zingt”.

Gelukkig was hij de vorige avond gewoon een man op de eerste rij in het theater, vlak voor mij.

*

Deze tekst schreef ik vier jaar geleden. Gisteren vernam ik dat professor De Vriendt op 90-jarige leeftijd is overleden. Rust zacht, mooie man. Veel sterkte aan je lieve vrouw. Intussen werk ik niet meer in het theater. Ik geef nu Nederlands! (en ja, mijn cursisten vinden ‘er’ een moeilijk woordje)

Verzinsel

Het was stil op straat. Bleven de mensen preventief binnen voor de storm die morgen lelijk zou huishouden?

Ik ging nog snel even naar de bibliotheek. Lectuur inslaan voor de volgende dag. In mijn bibliotheek keek ik altijd bij de nieuwe boeken. Ze stonden uitgestald op wandplanken, meteen links als je binnenkwam. Enkele weken geleden had ik hier een mooi boek gevonden, ‘De vriend’ van Sigrid Nunez. Over een vrouw die de Deense dog van haar beste vriend adopteert nadat die uit het leven is gestapt. Het was het eerste boek dat ik in twintigtwintig heb gelezen. Het was moeilijk een tweede boek te vinden dat ik even graag zou lezen. Ik nam de nieuwe Juli Zeh mee.

Op de terugweg vroeg ik me af of ik nog groenten nodig had, en bij de biowinkel zou binnenspringen. Ik had niet echt iets nodig, ik had genoeg groenten thuis.

Zou ik nog een pompoen kopen voor soep? En een aubergine voor bij de Indiase rijstschotel van vanavond? Ik liep naar de biowinkel, wilde de deur openen, maar dat ging niet vlot. Binnen zat, op de deurmat, een enorme Deense dog.

‘Il s’est bien installé là,’ zei ik lachend tegen het baasje dat naast hem waakte, een jonge vrouw met een wollen muts.

‘Ik ben al blij dat ze stil zit,’ zei ze, ook in het Frans, maar voor het gemak schrijf ik dit even in het Nederlands. O, het was een vrouwtje. Ik liep naar de aubergines, die tegenover de hond stonden.

Wat een toeval. Ik moest het baasje aanspreken. Ze leek me vrolijk genoeg om dit niet vreemd te vinden.

‘Ik heb pas een boek gelezen waarin zo’n hond voorkomt,’ zei ik.

Ik vertelde haar over de roman. Dat het hoofdpersonage de hond geadopteerd had van haar overleden vriend. En dat ze in een appartement woonde dat te klein was voor de hond. De hond kon de badkamer alleen achterwaarts uit.

‘Net als bij mijn moeder,’ zei ze. ‘Het is haar hond. Mijn moeder is gek van Deense doggen. Maar ze woont ook klein.’ Haar moeder was in de verte groenten aan het kiezen.

‘Mag ik een foto nemen?’ vroeg ik. Dat mocht, maar de hond stond niet graag op foto’s. Ze was heel beweeglijk. ‘De hond in het boek heeft ook niet zo’n makkelijk karakter,’ zei ik. Ik vroeg hoe haar moeder aan de hond kwam. ‘Ze komt uit een asiel. Ze was achtergelaten.’ ‘De hond in het boek was ook achtergelaten door zijn eerste baasje. Ook daarom kan de vriendin het niet over haar hart krijgen om hem opnieuw naar een asiel te sturen. Maar ze heeft problemen met haar huisbaas, want ze mag geen hond houden.’

De hond kwam naar me toegelopen. Ze was inderdaad heel beweeglijk en stond op bijna elke foto wazig. ‘Hoe heet ze?’ ‘Athena’. ‘Dat is ook toevallig, de hond in het boek heet Apollo.”Son premier nom était Lorena. Mais je voudrais un nom plus costaud,’ zei ze. Ik citeer dit in het Frans, omdat ‘costaud’ een moeilijk te vertalen woord is dat zowel ‘krachtig’ als ‘uit de kluiten gewassen’ betekent. En omdat het mooi rijmt op ‘Apollo’.

‘In het boek kennen ze de eerste naam van de hond niet,’ zeg ik. ‘Dat is een van de problemen, misschien luistert hij daarom niet echt.’ De hond in de winkel was net als de hond in het boek vrij oud. Ze hadden hem zeven jaar – maar dit was zijn tweede leven.

‘Je ziet niet vaak zulke grote honden,’ zei ik nog. ‘Nee, zo zijn er maar drie hier in de buurt.’

We namen afscheid. ‘Tot ziens!’ Ze woonden vlakbij mij.

In  ‘De vriend’ zit een erg geslaagd vervreemdingseffect. Een scène die je als lezer een beetje van je stuk brengt. Omdat je begint te twijfelen aan het voorgaande. Heeft de schrijfster je beetgenomen? Wat is fictie? Wat is echt? Een zinloze vraag omdat alles in dit verhaal een verzinsel is. Of toch niet?

Wanneer ik met mijn pompoen en aubergine naar huis wandel en ook met nog wat boerenkool, komt de ontmoeting met de Deense dog me zo onwerkelijk voor. Alsof een hersenspinsel me had opgewacht.

Vijf jongens

In 2002 vertrok een groepje Brusselse scouts op kamp naar een weeshuis in Roemenië. Laetitia De Blauwe was een van hen. Ze was er niet helemaal gerust in, want ze vertrokken met een groep van meisjes naar een weeshuis waar overwegend jongens zaten. Het werd een levensbepalende ervaring. Toen ze aan het eind van het kamp naar België terugkeerde, kon ze zich niet voorstellen dat ze deze jongens voorgoed achter zou laten.

Ze hield contact. Kort nadien ging ze fotografie studeren. Ze keerde terug naar het weeshuis, leerde Roemeens en maakte portretten van vijf jongens: Roberto, Alex, Nicu, Cặtặlin en Mihai. Intussen volgt ze hen al zeventien jaar.

Iedereen herinnert zich de schrijnende beelden uit Roemeense weeshuizen uit de jaren 1980-1990. Onder het bewind van Nicolae Ceauşescu werd abortus verboden, net als de verkoop en productie van voorbehoedsmiddelen. Als gevolg van deze politiek belandden veel kinderen, vooral uit arme gezinnen, in weeshuizen.

Laetitia De Blauwe heeft de gevolgen van deze donkere periode uit de Roemeense geschiedenis op unieke wijze vastgelegd. In de bibliotheek van Jette hangen ze nu bij elkaar: vijf jongens over een periode van zeventien jaar, een veertigtal foto’s, een achttal per persoon.

Roberto kent ze al sinds hij kind was. Hij weet niet wie zijn ouders zijn. Hij kan hen niet terugvinden en heeft zijn zoektocht inmiddels stopgezet. Hij was een heel aanhankelijk kind, zocht warmte bij iedereen. Voor de fotografe heet hij Roberto, maar hij laat zich door iedereen anders noemen.

Alex was de eerste met wie Laetitia De Blauwe meteen een klik had. Hij sprak vloeiend Engels omdat zijn moeder hem als kind zo vaak voor de tv had achtergelaten. De zwart-witfoto van Alex als kind vergeet je niet meer. Lachend kijkt hij in de lens. Op de achtergrond lacht een vriend. Niets verraadt dat het leven hen niét toelacht.

Alex – © Laetitia De Blauwe

‘Altijd blijft het moeilijk om het onderscheid te maken tussen wat Alex zegt en wat hij werkelijk voelt. Het onderhouden van een vertrouwensband is niet evident. Begrijpen wie hij is evenmin,’ schrijft de fotografe in het boekje dat bij deze expo hoort. Daarin vertelt ze met veel warmte en inzicht het verhaal van elke jongen.

In de zomer van 2019 zag Laetitia De Blauwe vier van de vijf jongens terug. Op de expo kan je naar een film kijken waarin ze, mannen nu, hun leven overschouwen. Ze weten dat het aangaan van relaties altijd moeilijk zal zijn. Dat ze steeds gekweld zullen worden door een mengeling van bindings- en verlatingsangst. Het geven en ontvangen van warmte zal altijd moeilijk voor hen zijn. Achtervolgd door hun verleden, is het soms moeilijk om op het rechte pad te blijven. Maar ze blijven hopen op een stabiel, ‘gewoon’ leven.

Zeventien jaar werkte Laetitia De Blauwe aan deze reeks. Zij gaf dit project, samen met de jongens, zoveel jaar om te groeien. Een verademing in een tijd waarin alles snel moet gaan en waarin te weinig plaats is voor diepgang.

De Blauwes foto’s staan in dienst van haar onderwerp. Aanvankelijk had ze zelfs niet de intentie er een tentoonstelling van te maken. Ze wou het leven van de jongens vastleggen, voor henzelf, hun familie en hun toekomstige kinderen, als herinnering voor later. Andere kinderen hebben daar ouders voor. Fotografie als een daad van zorg en liefde.

Wanneer Roberto over straat wandelt, voelt hij zich als een herfstblad dat elk moment kan wegwaaien in de wind, vertelt hij in de film. ‘Ik weet niet wie ik ben,’ zegt hij.

Toch leren we hem en zijn vier vrienden op deze expo een beetje kennen.

‘Cinq Garçons – Cinci Bặieti’ – Laetitia De Blauwe

Van 13/01-01/02/2020 in de Jan Verdoodtzaal van de Nederlandstalige bibliotheek Jette, Kardinaal Mercierplein 6

Maandag tot vrijdag: van 14u-19u
Woensdag van 15u-19u
Zaterdag van 10u-13u en van 14-16u

Weerzien

Enkele dagen geleden nog heb ik aan haar gedacht. Na al die jaren mis ik haar nog steeds heel erg, bij vlagen. Ons afscheid was heel plots geweest. Onze band heel innig. Mijn intiemste zielenroerselen had ik haar toevertrouwd. Tot zij moest vertrekken.

Nu staat ze hier na vijfendertig jaar opnieuw voor mijn neus. De tijd heeft ook haar niet helemaal gespaard. Maar ze straalt nog net als toen. Ik raak haar aan, ze voelt nog zo vertrouwd. Ik weet nog precies hoe zij beweegt, hoe ze klinkt. Ik heb haar in mijn vingers.

Ik zou kunnen verdergaan waar ik was gebleven. Met het spelen van de partituur van mijn leven. Zonder enige aarzeling breng ik haar slede in beweging, druk ik lukraak een toets in.

Waarom moest ze vertrekken?  Haar tijd was voorbij, ze moest plaatsmaken voor een nieuw elektrisch exemplaar. We kregen korting op de aankoop van een nieuwe als we onze oude inleverden. Zij was zoveel meer waard dan wat we voor haar kregen. Dus was ze weerloos. Ik heb nog geprotesteerd, maar ik begreep het ook. Ik begreep zó veel.

Op de nieuwe elektrische machine typte mijn vader de eindverhandeling van mijn moeder. Na jaren huisvrouw te zijn geweest, was zij aan de universiteit gaan studeren. Niet veel later behaalde ze haar diploma. Ik was trots op haar.

De elektrische typemachine ging niet lang mee. Al snel kwamen computer en printer in de plaats. Ik kon niet ontkennen dat ze handig waren. Maar nog geregeld voelde ik verdriet om de verloren rode Olivetti Valentine waarop ik vele brieven had geschreven.

Nu staat ze hier ineens voor me, op het Vossenplein. De kans is klein dat het écht mijn typemachine is. Maar dat maakt weinig verschil. Ik probeer me te herinneren waarom ze enkele dagen geleden nog door me heen is gegaan. Ik weet het niet meer.

Remco Campert schreef ook op een Valentine, misschien nog steeds. In een krant van 2006 had ik hem achter zijn rode machine gezien. Er bestaat een zwart-witfoto van rond 1970, waarop de schrijver bij een voetgangerslicht wacht, met zijn typemachine in het bijbehorende koffertje. ‘My funny Valentine’ – Remco Campert was niet zomaar een grote fan van Chet Baker.

Ik vraag de verkoper wat de machine kost. Ze is betaalbaar maar ook niet goedkoop. Ik wandel weg en denk na. Ik zal de machine niet of nauwelijks gebruiken. Ik zou ze moeten kunnen uitstallen op mijn bureau en dagelijks bewonderen, maar waar ga ik mijn laptop dan laten? Ik ga haar toch niet kopen om op zolder te zetten? Zou ik er nog op kunnen typen? De linten zijn nog verkrijgbaar, zie ik op mijn telefoon. Ze zijn tweekleurig, vroeger typte ik er zwarte en rode letters mee. De linten zijn zo duur als een inktpatroon voor een printer.

Het doet er allemaal niet toe. Ik heb de kans om een oude pijn te verzachten. Wil ik dat? Leed hoeft niet altijd bestreden te worden, het hoort bij het leven. Maar als ik vandaag de machine niet koop, voeg ik misschien een extra portie pijn toe. Spijt om de gemiste kans. Kan dat er nog bij? De gedachten tollen door mijn hoofd. Ik moet ze opschrijven. Misschien kan ik de machine dan hier laten.

Bijna struikel ik over twee andere typemachines: een zwarte en een lichtblauwe. Zo gaat het altijd op het Vossenplein: als je iets ziet, dan is het ineens overal. Vergieten, paraplu’s,  elektrospellen, kerststallen, wereldbollen: eerst zie je er één, en vervolgens lijkt het hele plein er vol van. Deze twee machines zijn ook mooi. Onze printers belanden na gebruik bij het schroot en niet tussen de antiquiteiten. Waarom moet alles toch efficiënter, lelijker en minder duurzaam worden?

Ik sta terug voor de Valentine. Ze is er nog. De verkoper zegt dat de prijs niet te hoog is. De kans dat ik kan afdingen is klein, en dan nog zal ze duur zijn. Ik kijk in de koffer van de typemachine. Ik diep er een klein langwerpig boekje uit op. De verkoper neemt het me meteen uit handen. Het is fragiel, voorzichtigheid is geboden. Hij zegt dat hij lang geleden veel Valentines heeft verkocht. Maar nooit zat de gebruiksaanwijzing erbij. Hij toont me het boekje. ‘C’est très rare, une machine Valentine avec le mode d’emploi’. Une machine Valentine, dat rijmt mooi in het Frans. Behoedzaam steekt hij de gebruiksaanwijzing weer weg.

Dan pas zie ik het. Ik heb er niet aan gedacht toen ik enkele jaren geleden een naam zocht voor mijn blog. En ook nadien heb ik het nooit beseft. De Valentine zit in een rode valies.

De foto van Remco Campert met de Valentine vind je op pagina 2 van  het prachtige krantje dat antiquariaat Demian over Campert uitbracht.

In dit artikel van NRC zie je de schrijver achter zijn machine zitten in 2006.

Het einde van de zomer

Zondag eindigde de zomer in Brussel. Met zijn begin.

Het Plazeyfestival in het Elisabethpark van Koekelberg, dat al zo lang ik me kan herinneren de zomervakantie inluidt, werd dit jaar naar laatste weekend van de vakantie te verplaatst, naar 1 september nog wel.

Het voelde raar. Ook omdat het de laatste zomer van Bar Eliza was geweest. De voorbije zomer had ik nog vaak voor het laatst genoten van het heerlijke door buurtbewoners uitgebate parkcafé.

Na de fantastische optredens van Beraadgeslagen op vrijdag, en Bert en de Bomma’s op zondagmiddag, mochten Amadou en Mariam zondagavond het mooie weer maken. Dit Malinese echtpaar maakt al even lang muziek als ik op deze wereld sta – bijna een halve eeuw.

Mensen waren talrijk komen opdagen. Iedereen had zijn vakantie achter de rug, iedereen was terug.

De rij voor drankbonnetjes was immens en gaandeweg de avond werden steeds meer dranken van de kaart geschrapt, wegens niet meer voorradig.

Papegaey
vlierbloesemsap
witte wijn

De twee mannen die falafel bakten, deden gouden zaken. Er stond een megafile aan hun kraam. Toch bleven ze met dezelfde toewijding sla, saus en roze opgelegde raapjes samen met de falafelballetjes op het platbrood strooien, dat ze vervolgens zorgvuldig oprolden. Wie er één kon bemachtigen, was gelukkig. Wie vrienden vooraan in de wachtrij aantrof, met hen een praatje sloeg en zo kon ‘voorkruipen’, was nog gelukkiger. Dit was ook een gangbare praktijk in de rij van de drankbonnetjes. Niemand die er wat van zei, iedereen wachtte babbelend zijn beurt af.

Op weg naar de tafel van goede vrienden, raakte ik aan de praat met zoveel andere bekenden, dat ik pas ter bestemming kwam toen de goede vrienden al naar huis vertrokken waren.

Amadou en Mariam zetten het park op stelten. Met hun afro-blues vertolkten ze precies het juiste gevoel van weemoedige, feestelijke uitbundigheid dat over deze dag hing. Konden we dit maar vasthouden.

Kinderen zaten op de schouders van hun vader. Zo heb ik ook een van mijn eerste concerten gezien, van Joe Jackson, op Mallemunt. Daar denk ik nog altijd aan wanneer Joe Jackson op de radio voorbij komt. Zouden deze kinderen, wanneer ze in de veertig zijn, bij het horen van Amadou en Mariam opnieuw op de schouders van hun vader zitten?

Hier werden herinneringen gezaaid.

Een grote zus droeg haar broer op de rug. Een vrouw legde haar arm om haar man heen, samen wiegden ze mee met de muziek. Vrienden stonden zij aan zij te praten, het was moeilijk kiezen: bijpraten of luisteren naar de muziek.

Ineens zag ik alleen nog ruggen. Ruggen voor wie het nog even vakantie mocht zijn. Ruggen die ‘terug naar school’ of naar het werk vergeten waren. Ruggen die er nog niet aan dachten, dat we morgen weer vertrokken zouden zijn – niet op vakantie.

Zondag begon de zomer in Brussel. Met zijn einde.