Advertenties

Brussel-Zuid

Brandnetels

Het regent. ’s Morgens krijg ik een bericht in mijn mailbox. Iemand vraagt of ze de trip-trapstoel die ik op tweedehands.be te koop heb aangeboden, vandaag kan komen ophalen. Ze wil hem morgen schenken voor een verjaardag. Meteen overvalt me een gevoel van melancholie. Het is geen dag om de stoel waarop mijn twee dochters groot werden, weg te doen. Ik wacht met antwoorden.

Ik ga naar buiten. Een paraplu kopen. Wij hebben thuis drie paraplu’s voor vier. Dat was tot nu toe nooit een probleem. Maar vandaag wel. Ik koop een zwarte paraplu bij de Veritas in mijn straat. Dan stap ik binnen bij ‘Il Cappuccino’. Er zit maar één klant koffie te drinken. Een vrouw met blonde haren en een broek met vlinders en rozen erop en het woord ‘Love’ in zwierige letters. De eigenaar staat niet achter de bar. Ik zie hem niet. Ik ga in het hoekje achteraan zitten en lees in mijn boek. ‘Nora’ van Colm Toíbín. Zelden kies ik de boeken die ik lees. De boeken dienen zich aan. Ik ga naar de boekenwinkel of bibliotheek en laat de boekenruggen tot mij spreken. Intuïtief kies ik er één uit.

De schrijver heeft twaalf jaar aan ‘Nora’ geschreven, een verhaal geïnspireerd op het leven van zijn moeder. In het online archief van de Standaard lees ik: ‘Meestal vindt Tóibín inspiratie in de muziek wanneer hij op zoek is naar een vorm voor zijn verhalen. Met name kamermuziek en de cantates van Bach zijn voor hem erg belangrijk. De vorm van Nora Webster vergelijkt hij niet met muziek maar met de schilderijen van Agnes Martin, waarop je een heel geleidelijke, aanvankelijk nauwelijks zichtbare verschuiving ziet in kleur en patroon.’ Ik hou van Bach en van Agnes Martin. En van boeken waarin weinig gebeurt, over het gewone leven.

De man van ‘Il Cappuccino’ heeft me eindelijk opgemerkt. Ik zie dat hij blij is me te zien. Zijn warme lach verbaast me vandaag. ‘Een cappuccino?’ vraagt hij. ‘Oui,’ zeg ik. Hij brengt de koffie. Hij heeft er een bloempje in getekend. Ik denk aan de stoel van mijn dochters. Zal ik hem verkopen? Of toch voor de mogelijke kleinkinderen bewaren? We hebben niet veel plaats in ons huis. En zo bijzonder is die stoel nu ook weer niet. Ik zal me vermannen en hem verkopen. Ik zal de nieuwe eigenaar vragen naar welk kind de stoel gaat. Dat zal de pijn verzachten.

Ik loop nog even de Carrefour binnen. Tot mijn verbazing speelt er een nummer van ‘Tears for fears’, ‘Everybody wants to rule the world’. Vreemd, het is al de tweede keer in korte tijd dat ik de geliefde groep uit mijn tienerjaren in de supermarkt hoor. Ik koop uien voor de brandnetelsoep. Nog nooit heb ik brandnetelsoep gegeten. Al jaren ben ik er benieuwd naar. Maar ik durfde ze nooit goed zelf te plukken, uit angst dat ze bespoten met gif of door honden beplast zouden zijn. Gisteren heb ik via ‘La Ruche qui dit oui’ een zakje brandnetels gekocht.

Wanneer ik de Carrefour verlaat, is het aan het stortregenen. Het waait ook hard. Mijn nieuwe paraplu waait bijna binnenstebuiten. Opmerkelijk dat wanneer je een paraplu koopt, ze hem in de winkel steeds eerst even opendoen – om te controleren of hij intact is. Dat doen ze natuurlijk omdat hij vijf minuten later al kapot gewaaid kan zijn en ze hem dan niet willen terugbetalen.

Thuis steek ik kaarsjes aan. Ik luister naar Dinah (take 2) van Thelonious Monk, een nummer dat vele malen vrolijker is dan ik. De telefoon gaat. Ik neem op en hoor een telefoon overgaan. Ik haak in voor ik de televerkoper aan de lijn krijg. Ik ga naar boven. Ik draag de stoel van mijn dochters één trap naar beneden. Hij staat nu op de tussenverdieping.

De brandnetels zijn mooi. De blaadjes zijn met veel zorg van de taaiere stelen gehaald. Ze ruiken naar een wandeling in de natuur na een regenbui, gezond en wild. Ik snuif de geur op en sluit de ogen. In gedachten zie ik de man die ze me verkocht. Een magere man met lange grijze haren in een staart en een lieve lach. Met latex handschoenen aan was ik de netels. Ze prikken door de dunne handschoenen heen. Netelbeten zijn niet erg. Ze laten je voelen dat je leeft. Het is fijn dat ik mijn pijn aan de netels kan toeschrijven.

De soep pruttelt zoals het recept van de Boerinnenbond voorschrijft – met spek erin. Ik wil antwoorden op het bericht over de kinderstoel. Dat het goed is. Dat hij klaar staat. Maar het bericht is opgelost in cyberspace. Ik vind het niet meer terug. Ook niet erg. Allicht heb ik te lang getwijfeld. Er is geen tijd voor traagheid meer.

De soep is klaar. Ze is heerlijk. Even later is de zon daar.

Vrienden

Ik ben in Antwerpen, mijn tweede thuisstad sinds mijn ouders er wonen.

Ik bezoek een initiatief dat Brussel van mij meteen mag overnemen. Amici in de hippe Kammenstraat. Amici is een koffiebar die wordt uitgebaat door mensen met een mentale beperking.

Het is een kleine bar. Er staan maar drie tafeltjes en er zijn vier mensen aan het werk. Dat zorgt voor een gezellige ambiance.

Achter de bar staat een mooie grote man met een dikke zwarte snor en baard en donker haar dat met brillantine achterover gekamd is. Een volbloed hipster. Hij draagt een jeanshemd en een bruine leren schort. Hij is de baas van de koffiemachine en van de drie medewerkers. Hun taken zijn duidelijk verdeeld: iemand ontvangt de klanten, iemand bedient, iemand wast en rekent af.

‘Ik vind dat eigenlijk niet zo schoon, zo’n leren schort,’ zegt de vrouw die de klanten ontvangt. ‘Enfin, voor een baas is dat goed maar ik moet het niet hebben.’ De eerlijkheid en de kwaliteit van de conversaties zijn hier heerlijk.

‘Hebt ge die Ferrari zien passeren? vraagt de Aziatische ober aan de Afrikaanse afwasser. ‘Nee, alleen gehoord,’ antwoordt hij.

Twee vriendinnen zitten koffie te drinken. Wat vind je ervan? vraagt de ober. ‘Straf,’ zegt één van de vrouwen. Ze is hoogzwanger. ‘Ze is niet veel gewoon,’ lacht haar vriendin.

‘Hoe lang nog?’ vraagt de ober aan de zwangere vrouw. ‘Nog drie weken.’ ‘Zijn vrouw is ook zwanger,’ zegt de ober en wijst naar de barista. ‘Ja, nog twee en een halve maand. Dus ik ken het syndroom,’ lacht hij.

De tengere Aziatische ober lacht zijn tanden bloot. ‘Dat is geen syndroom he…dat is… het begin van geluk.’ Terwijl ik nog stilsta bij zijn mooie oneliner loopt hij naar buiten. Hij gaat de bestelling van de klanten op de binnenkoer opnemen, vermoed ik.

Even later komt hij weer binnen. ‘We hebben twee nieuwe likes op onze Facebook pagina!’ roept hij blij naar zijn baas. Dat heeft hij snel opgemerkt.

‘Eén is van mij,’ zeg ik. ‘En is die andere dan van u?’ vraagt hij aan de vrouw tegenover me. We lachen.

 

Bewaren

Bewaren

Ochtendwandeling

Donderdagochtend. De oudste dochter wil graag haar winterjas aan, hoewel de herfst nog moet beginnen. De winterjas is in de stomerij. Ik beloof hem vandaag te zullen halen. Wanneer man en dochters vertrokken zijn naar werk en school vertrek ik ook. Het is uitstekend weer om te wandelen: koud maar zonnig, een vrij stevige wind zorgt voor gezonde lucht. Ik vertrek naar het park.

Ik wandel langs het Homeplein. Wat een vreemde naam toch. ‘Waar woon je?’ ‘Op het Homeplein.’ Lijkt me niet fijn om te zeggen. Gekke combinatie van Engels en Nederlands. Huisplein zou ook een beetje absurd zijn. Een zekere charme heeft het plein wel. Misschien verwijst de naam naar home sweet home. Maar een home is ook een rusthuis. Geen home te bekennen hier. Hoe zou het plein aan zijn naam komen?

Ik kom bij het boekenkastje. Ik open het luikje. In het boekenkastje ligt een grote stapel Delhaize magazines en vier versleten videocassettes. Niet echt leesvoer. Ik sla rechtsaf, de cité in.

Hier staan bijna allemaal dezelfde huizen met gezellige voortuintjes. Het is hier zo stil, je zou vergeten dat je in Brussel bent. Eén grijs huis valt me op, ik heb het gevoel dat de bewoners er gelukkig zijn. Ik lees de namen op de deurbel: Thierry Donatienne Arthur Zoë. Altijd mooi als het hele gezin met de voornaam op de deurbel wordt vermeld. Het leven moet hier heel anders zijn dan langs mijn drukke laan. De geur van een heerlijke stoofpot waait me tegemoet. Hij komt uit het kruideniertje dat in deze woonwijk ligt. Kleine kruideniertjes fascineren me. Ze hebben allemaal hun eigen persoonlijkheid. Altijd vind je er wel iets wat je nergens anders vindt. Vaak spring ik er binnen. Maar nu niet.

Bij de ingang van het park doet een jonge gespierde man stretchoefeningen. Zijn fiets staat een eindje verderop. Zijn smartphone ligt op het zadel. Dat kan nu gerust, het is zo stil in het park, hij zal niet gestolen worden.

Ik loop naar mijn bankje, sla mijn boek open. Ook in mijn boek is een jongeman aan het sporten. Hij krijgt basketbaltraining op een highschool in Amerika. Zijn coach zegt hem dat hij om te scoren niet naar de vliegende bal mag kijken, maar steeds de basket in de gaten moet houden. Dat is moeilijk. In de verte hoor ik spelende kinderen op de speelplaats van de school die aan het park grenst. Een jogster komt voorbij. Net voor mij kruist ze een grootouderpaar met een jongetje in de buggy. Er vallen twee druppels op mijn boek. Even lijkt het bij die twee druppels te blijven. Maar dan begint het toch stevig te regenen. Ik heb geen paraplu bij. Ik zet mijn kap op en loop het park uit.

Ik ben bij de spoorweg. Het regent niet meer. Zal ik de wat onaangename tunnel onder de spoorweg nemen of nog wat verder wandelen, over de brug van Magritte heen? Magritte beeldde de brug af op ‘Le mal du pays’ – één van zijn meest persoonlijke schilderijen. Hij maakte het kort na de inval van de Duitsers in 1940. De schilder beleefde toen ook op persoonlijk vlak een moeilijke periode. Ik ga toch maar onder de spoorweg door. Dan nog een stukje door het kleine park. Nu ben ik bij de Delhaize. Heb ik nog iets nodig?

Gladfolie. Misschien nog iets anders. Ik ga de Delhaize binnen, neem een mandje. Neem wat druiven en de folie. Ook hier is het nog kalm. Een paar oude mensen doen hun dagelijkse boodschappen. Uit de luidspreker klinkt ‘Head over heels’ van Tears for fears. Twaalf jaar was ik toen dat liedje werd uitgebracht. Ik hield van Tears for fears en van zanger Curt Smith. Hij hing boven mijn bed. Het lied wordt onderbroken voor reclame. Dan gaat het verder. Zullen ze het tot het einde spelen, wanneer een elektronisch vervormde stem ‘Time flies’ zingt? Ik blijf nog even dralen tot ik de laatste woorden hoor.

Ik begeef me naar de kassa. Een grote, stevige, beetje afgeleefde man is voor me. De caissière wijst hem erop dat hij twee kranten heeft genomen. De man zegt dat de andere krant voor zijn moeder is. Dat maakt hem sympathiek. Hij vraagt de caissière of ze al lang terug is. Ze vertelt dat ze veertien jaar in deze Delhaize heeft gewerkt, vervolgens vier jaar in Basilix en nu alweer twee jaar terug hier. Ik reken. Twintig jaar aan een kassa. Hoeveel biepjes zouden dat zijn? ‘Vous avez toujours bonne mine,’ zegt hij. Nu heeft de caissière pas echt bonne mine. Ze straalt nog steeds als ze mijn boodschappen inscant. Ik steek de gladfolie en de druiven in het opvouwbaar Magritte-tasje dat steeds in mijn handtas zit. Een blauwe duif vliegt door de blauwe lucht boven de blauwe zee, wolken vullen zijn lichaam.

Ik loop naar huis. Het is weer beginnen te regenen. De wandeling heeft geen deugd gedaan. In gedachten loop ik hem nog eens. Misschien kan ik erover schrijven. Spijtig dat ik geen foto’s heb gemaakt. Ik heb er geen enkel moment aan gedacht.

Morgen ga ik mijn wandeling opnieuw maken, denk ik. Een beetje verheug ik me erop.

Bewaren

Mussen

De Rode Valies was enkele dagen in Berlijn. Voor het eerst. In de mooie buurt Prenzlauer Berg. Samen met man, dochters, moeder en vader Valies. De gele metro denderde over een donkergroene brug voorbij ons raam. Dat was ’s avonds mooi om te zien.

Wandelend langs de brede, groene lanen besefte ik meteen: het is hier aangenamer dan in Brussel. Groener, vriendelijker, schoner, gezelliger. Wat was er nu zo verschillend van Brussel? Na enkele dagen maakte ik een lijstje:

Veel meer leuke cafés. Smaakvol ingericht met retro meubeltjes, zonder té trendy te zijn. Met tot de verbeelding sprekende namen zoals ‘Zu mir oder zu dir’, ‘An einem Sonntag in August’ of ‘Lass uns Freunde bleiben’. Meer mensen op café. Van ’s ochtends al. Er wordt veel ontbeten, vaak samen met vrienden. Je kan er ook veel goedkoper eten en drinken. Vaak krijg je gratis water. En staat er vegetarisch en veganistisch eten op de menukaart. Ook in de supermarkt is het eten goedkoper. Er zijn meer bio supermarkten. Meer jonge mensen. Meer kinderen. Meer baby’s in draagdoeken. Meer borstvoedende vrouwen, soms wandelend over straat. Meer ijsjes. Meer speelpleinen. Meer fietsers. Meer fietspaden. Minder lange wachttijden voor voetgangers bij de verkeerslichten. Meer bomen. Meer groen. Meer verwilderd groen. Meer brandnetels.

Meer parken. Meer picknickende mensen in de parken. Stipter en regelmatiger openbaar vervoer. Sympathiekere metrostellen. Een eenvoudiger te doorgronden metronetwerk. Meer graffiti. Meer tweedehands. Meer monumenten en gedenkplaten.

Veel meer aandacht voor het verleden. Meer levenswijsheden en slogans op straat. Meer wereldverbeteraars.

Een nieuw elan. Betere straatmuzikanten. Meer artistieke en creatieve werkplaatsen. Minder afval. Geen hondendrollen. Meer boekenwinkels. Meer mussen.

Meer graffiti vind ik niet beter – al hoort die onmiskenbaar bij mijn beeld van Berlijn. En onze metrostellen zijn moderner. Onze parken beter onderhouden. Al ben ik ervan overtuigd dat een beetje verwilderd wel gunstig is voor fauna en flora. En dat hoog gras meer uitnodigt tot spelen, picknicken en rollebollen.

Op onze laatste dag bedenk ik ineens dat ik ze moet fotograferen, de verschillen. Het groen, de ongesnoeide bomen, de slogans, de café-interieurs. Ik ga aan de slag. Meteen schiet ik in de lach: een hamburgerrestaurant roept met bijzonder actueel citaat van de achttiende-eeuwse toneelschrijver Schiller (1759-1805) op om je leven een nieuwe wending te geven: ‘Elke dag is een nieuwe kans om datgene te doen wat je zou willen doen’.

Dan zie ik een kolonie mussen. Ze zitten bij een duinroos, naast restaurant Die Schule op de Kastanienallee. Ze merken me meteen op. Terwijl ik afdruk, vliegen ze uit mijn beeld.

’s Avonds bekijk ik mijn foto’s. Van één foto herinner ik me niet dat ik hem genomen heb. Betonnen tegels, een groene struik en een paar rozenblaadjes op de grond. Is mijn toestel per ongeluk afgegaan? Vermoedelijk niet, daarvoor is de foto te goed. Ik vraag mijn man of hij hem gemaakt heeft. ‘Nee. Hij is wel goed gekadreerd,’ zegt hij. Dan pas besef ik: het is de foto van de mussen. Die weggevlogen zijn. De foto toont hun afwezigheid.

We kennen stadsmussen en huismussen. Maar de stadsmus is geen soort. De stadsmus is een huismus die in de stad woont – huismussen wonen ook op het platteland. De stadsmus is meestal een mens. Maar een mens kan ook een huismus zijn. En toch in de stad wonen. Het verschil tussen mensen en mussen is kleiner dan we denken. Mussen zoeken onze nabijheid ook op.

In Brussel zie je nog weinig huismussen – de vogels bedoel ik. Op het internet lees ik dat ze verdwijnen omdat onze daken vaak te goed geïsoleerd zijn. De mussen vinden geen opening meer waarlangs ze naar binnen kunnen om een nest te maken. Er is in de steden te weinig groen of het groen is te ‘steriel’, té goed onderhouden. Maar niet in Berlijn. Daar zijn de mussen nog graag. Spijtig dat ik ze niet kon vastleggen. Een beetje schuw waren ze wel.

Voor ik ga slapen vraagt mijn vader om naar zijn foto’s van die dag te komen kijken. Mijn verbazing is groot wanneer hij me een foto van een tafel vol mussen toont. Ze smullen van een stuk taart. Ik ben er zeker van dat ik hem niet over de mussen gesproken heb. Ik vraag waar en wanneer hij de foto genomen heeft. Bij Café Fleury, 16 minuten na de mijne, slechts 750 meter verder dan waar mijn mussen wegvlogen.

(Bij het schrijven van deze tekst werd dankbaar gebruik gemaakt van de info over mussen op de site van Vogelbescherming Vlaanderen)

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Het dorp van René

Zoek je nog een betaalbare citytrip dicht bij huis? Dan kan ik je het bezette Jette aanbevelen. Volgend jaar zal het Spiegelplein volledig heraangelegd zijn en zal de nieuwe tram 9 stil langs de Jetselaan zoeven. Dan wordt Jette het nieuwe Elsene of het nieuwe Sint-Gillis. Maar voor de gentrificatie hier toeslaat, kan je nog even komen genieten van een unieke situatie.

Om de overlast voor de werkende en schoolgaande mens te beperken, heeft de gemeente besloten in de vakantie zowat heel het centrum van Jette open te leggen. De impact hiervan wordt me duidelijk wanneer ik op een dag naar de Colruyt ga en ik de Leopold I-straat alleen nog via een smal oneffen pad kan oversteken. Twee dames helpen een oude man met een rollator over de losse stenen. Het is mooi om te zien, die solidariteit. De volgende dag hebben ze over het pad een wiebelige metalen plaat gelegd. Ik loop erover terwijl een groot gevaarte van een graafmachine op amper twee meter van mijn hoofd in de weer is. Enkele dagen later is de tijdelijke oversteekplaats verdwenen. In plaats van rechtdoor te gaan voor de Colruyt moet ik moet rechtsaf slaan, de straat helemaal uitlopen en dan aan de overkant opnieuw inlopen. Ik denk aan de man met zijn rollator. Voor hem moet het een enorme omweg zijn.

‘Jette is Bagdad,’ hoor ik de krantenverkoper tegen een klant zeggen. Overal op straat hoor je mensen klagen. Er zijn geen andere gespreksonderwerpen meer dan de werken. Maar het leven gaat voort. Op het terras van ‘Il Cappuccino’ slurpen de Jettenaren onverstoord van hun koffie, met het geluid van drilboren op de voorgrond. Op de kermismolen draaien kleuters hun rondjes – je hoort Claude François nog net van onder de herrie. Daarnaast genieten de mensen als vanouds van hun pak frieten op het terras van de Friterie du Miroir. Het stof van de nabije graafwerken waait net niet in hun mayonaise.

werken Jette 1Het valt me op dat er overal pijlen hangen met ‘Colruyt’. Ook op plekken vanwaar ik de weg naar de Colruyt niet zou kunnen uitleggen. Het lijkt alsof alle wegen naar de Colruyt leiden – allicht omdat schijnbaar geen enkele weg nog naar de Colruyt leidt. De pijlen worden door voorbijgangers gemakkelijk gedraaid, waardoor op sommige plaatsen de Colruyt zowel naar links als naar rechts is. Een grotere gratis promocampagne kon Colruyt zich niet wensen. Het is me trouwens een raadsel waarom de plaatselijke Carrefour (in dezelfde straat van de Colruyt) en de Delhaize nauwelijks zulke pijlen hebben.

Ingevolge de openhartoperatie van onze gemeente zijn we met het openbaar vervoer moeilijker bereikbaar geworden. Wanneer ik bus 13 of 14 wil nemen naar Simonis, moet ik naar een tijdelijke halte stappen die zo ver is, dat ik even goed te voet kan gaan. Tram 19 is nu bus 119 geworden. Die extra 1 ervoor schept veel verwarring bij de reizigers en is na enkele dagen weer verdwenen. De tijdelijke halte Miroir is al een paar keer verplaatst – altijd weer spannend of ze er nog zal zijn. Eén keer kom ik te laat op een afspraak omdat ik zo lang moest zoeken. Een andere keer kan ik nog net op tijd uitstappen, op meer dan honderd meter van de oorspronkelijke halte.

Op een avond ben ik bij vrienden uitgenodigd. En ineens zie ik het: de absurditeit van deze situatie, ja zelfs de schoonheid. Signalisatie is een vak apart. Op sommige plekken lijkt de opeenstapeling van borden op de installatie van een hedendaags kunstenaar. Op de wegwijzers voor voetgangers staat een blauw Keith Haring-achtig figuurtje. Een beetje ineengedoken, wat radeloos. Alsof hij niet op zoek is naar de Colruyt, maar naar de zin van het bestaan. Hij verbeeldt perfect de ontreddering die de Jettenaars dezer dagen voelen.

Het blauwe mensje staat ook bij het reisbureau ‘JetExpress’, dat een reis naar Amerika promoot. Ik schiet in de lach. Nee, ik blijf graag hier, waar alles traag mag gaan, te voet en met omwegen.

20170708_212929

De gemeente Jette herdenkt dit jaar de vijftigste overlijdensverjaardag van inwoner René Magritte. Een tijd geleden werd daarom in het Jeugdpark ‘het Dorp van René’ gebouwd. De geest van de surrealistische schilder was er ver te zoeken. Maar deze zomer waart hij rond bij de Miroir.

20170709_2006121-e1499717599812.jpg

In de straat van de Colruyt speelt een meisje met een grote fluo gestreepte bal. In haar eentje maakt ze van de straat van de Colruyt een speelstraat. Zoveel poëzie zag ik hier nog niet eerder.

20170708_213411

Waar wacht je nog op? Kom je mindfulness oefenen door een koffie te drinken in de herrie, doe de wandelzoektocht naar de Colruyt en de provisoire halte Miroir, geniet van de conversaties in de krantenwinkel en op straat, bewonder de installaties gemaakt met verkeersborden. Of ga iets eten bij ‘’t Alternatives’ – het bio eethuis dat een dappere vriend uitgerekend in deze periode opende. De zondagsmarkt gaat ook onverstoord door!

Volgend jaar zal het hier fijn vertoeven zijn. Maar de unieke zomer van 2017 zullen we niet snel vergeten. 20170709_200346

 

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Ontmoeting

Een zonnige woensdag in juli. We gaan koffie drinken bij ‘Il Cappuccino’. We wandelen naar het marktplein, aan het eind van onze straat. Van ver zie ik hen aankomen. Hij draagt een bermuda, zij een roze rok. Ze stralen. Van op meters afstand voel ik hun rust, hun levensvreugde, hun liefde. ‘Wat een mooi koppel,’ zeg ik tegen mijn man. ‘Ja,’ zegt hij lachend, nadat we hen gekruist zijn. We hebben hen hier nooit eerder gezien.

In de namiddag heb ik met vrienden afgesproken in het Dieleghembos. Bij de hondenweide is een kleine speeltuin. De vrienden zijn er met een groep kinderen. We praten en drinken gemberlimonade. We verbazen ons erover dat we deze gigantische tuin voor ons alleen hebben.

Ik keer terug naar huis, via het Boudewijnpark. Zal ik nog even naar de bibliotheek gaan? Dan moet ik naar links. Ik zie dat ik mijn bibliotheekkaart vergeten ben. Dan naar huis, naar rechts. Langs het pad waar ik bijna elke avond wandel. Daar op het bankje waar ik ook vaak naar passanten kijk, zitten zij: het stralende koppel van ’s ochtends. Hij zit links, zij rechts. Tussen hen in is ruimte voor een derde persoon. Ze lezen niet, ze praten niet. Ze kijken rustig voor zich uit. Ik zeg dag. Ze herkennen me niet. Ik loop hen voorbij.

In mijn rug voel ik hen nog stralen. Dit is te groot toeval. Ik loop terug. Schraap mijn moed samen. Ik vraag of ze Nederlands of Frans spreken. ‘Les deux’ antwoordt de man dus ga ik verder in het Frans. Ik vertel dat ik hen ’s ochtends zag en zo mooi vond. Ik vraag of ik een foto van hen mag maken. ‘Wacht, ik ga wat dichter bij mijn vrouw zitten,’ zegt hij en schuift naar haar toe. ‘Ik pak niet op foto,’ zegt zij. Ik spreek haar tegen. Ik hurk voor het bankje en fotografeer hen. Uit de blik van de man maak ik op dat ik mijn tijd mag nemen.

‘Zijn jullie al lang samen?’ vraag ik. ‘Aan het eind van de maand zijn we 61 jaar getrouwd. Maar we zijn al vier jaar langer samen. Door de oorlog stelden we onze trouw uit.’ Ik vertel hen dat ik ook al 28 jaar met mijn man samen ben en dat we twee dochters hebben. ‘Wij hebben één dochter en één kleinzoon. Ik ben altijd thuis gebleven om voor onze dochter te zorgen. Mijn man heeft tot zijn eenenzestigste gewerkt. Toen stopte het bedrijf waarvoor hij werkte, door de Europese unie en de grenzen die werden opengesteld.’ ‘Ja, ik had graag tot 65 gewerkt. 61 is vroeg om te stoppen.’ ‘Dat was wel even moeilijk.’

‘Mijn moeder zei het vroeger al tegen mij en nu ervaar ik het zelf ook: als je ouder wordt, gaat de tijd sneller. Soms gaan de dagen heel traag. Maar de tijd in zijn geheel gaat veel sneller. Wij hebben geluk, we zijn nog gezond. Als je hoort van vrienden, andere mensen van onze leeftijd: ze hebben allemaal iets. Wij niets. Mijn man fietst nog.’

Ik vraag of ik over hen mag schrijven voor mijn blog. Het mag. ‘Nee, we hebben geen internet. Mijn vrouw heeft wel een gsm waarmee ze kan bellen en gebeld worden. Ik niet.’ ‘Wat een geluk,’ lach ik.

Hoe graag ik ook verder zou willen praten, ik vind het tijd om hen weer in hun mooie rust laten. ‘Ik hoop dat we elkaar nog eens zien,’ zeg ik, ‘ik maak hier elke dag mijn avondwandeling’.

‘Ja. Wij wonen hier achter het park. We zitten hier vaak.’

opa oma.jpg

We woonden in de mooie Richard Neyberghlaan in Laken. Zo’n vijftien jaar geleden. Ik had nog niet zo lang geleden mijn eerste kindje gekregen en zocht een parttime job met goede uren, niet te ver van huis. In de Stadskrant zag ik een aantrekkelijke vacature: de blindenbibliotheek zocht iemand om deeltijds boeken in te lezen. De blindenbibliotheek lag om de hoek. Ik wist dat ze er vaak met vrijwillige inlezers werkten. Maar dit was een betaalde job. Ik kon het me nauwelijks voorstellen. Dat ik mijn brood zou kunnen verdienen met het luidop lezen van romans. Dictie had ik nooit gevolgd, ik had een huig-r, maar geen slechte stem. Ik vond dat ik vlot en foutloos kon voorlezen, geïntoneerd maar ook niet overdreven. Ik waagde mijn kans en solliciteerde. Niet lang erna werd ik uitgenodigd voor een leesproef.
Ik kwam in een kleine opnamestudio die ik me herinner als een warme ruimte met beige tapijt en een houten cabine. Ik werd ontvangen door een vriendelijke oude man met dikke brilglazen. Hij was de technicus van de opnamestudio. Na een kort praatje mocht ik plaatsnemen in de cabine, achter de microfoon. Ik moest een stuk uit een roman van Hugo Claus lezen, ik weet niet meer dewelke, misschien ‘Onvoltooid verleden’. Het ging goed, ik had er plezier in. Ik beeldde me in dat ik voortaan, naast mijn bestaan met een baby die veel aandacht vroeg, een inlezend leven hier zou leiden, met een vriendelijke oude man die naar me luisterde en me opnam. Door het venster van mijn cabine zag ik hem zitten. Achter zijn installatie, in de rechterhoek van de smalle kamer.
Vanuit mijn ooghoeken zag ik Willy Courteaux binnenkomen. Hij nam plaats in een zeteltje in de linkerhoek van de kamer. Ik wist dat hij hier wekelijks als vrijwilliger boeken inlas. Ik kende hem als de strenge Dwarskijker en de Man in het venster van de Humo. En van zijn Shakespeare vertalingen. Ik werd een beetje zenuwachtig maar las vastberaden door, met de twee mannen als toehoorders.
Toen ik klaar was en de cabine uitkwam, stapte Willy Courteaux op me af, schudde me hartelijk de hand en zei: ‘Heel mooi gelezen!’ Wat we verder nog zeiden, weet ik niet meer. Wel dat er een warme band was tussen de twee oude mannen. Nadien kreeg ik nog een rondleiding in de blindenbibliotheek, waar toen nog heel veel audiocassettes stonden. Ik maakte een goede kans op de job, dacht ik, te meer daar het leek alsof er geen andere kandidaten waren.
Maar ik vernam niets meer. Twee weken na mijn stemproef las ik een overlijdensbericht in de krant. De naam van de overledene kwam me enigszins bekend voor. Het was de technicus van de blindenbibliotheek. Twee weken geleden had ik Claus’ woorden aan hem voorgelezen, nu leefde hij niet meer. Ik had me een toekomst met hem ingebeeld, deze was nu verleden tijd. Onze kennismaking was ons afscheid. Zonder technicus was er ook van de vacature geen sprake meer.
Willy Courteaux heb ik nadien nooit meer ontmoet. Toen ik het nieuws van zijn overlijden vernam, op 93 jaar, beleefde ik dat ene moment opnieuw. Moge hij ons van hierboven nog eens voorlezen. De technicus zit al klaar.

Willy Courteaux leest voor op de verwendag van Luisterpunt in 2009. Foto: Saskia Boets

Willy Courteaux las in totaal 200 boeken in. 20 jaar lang las hij 2 halve dagen per week boeken in voor de luisterbibliotheek. Luister naar een fragment uit ‘Het kleine meisje van meneer Linh’ van Philippe Claudel.  Een mooie passage die ook over oud en nieuw leven gaat.