We woonden in de mooie Richard Neyberghlaan in Laken. Zo’n vijftien jaar geleden. Ik had nog niet zo lang geleden mijn eerste kindje gekregen en zocht een parttime job met goede uren, niet te ver van huis. In de Stadskrant zag ik een aantrekkelijke vacature: de blindenbibliotheek zocht iemand om deeltijds boeken in te lezen. De blindenbibliotheek lag om de hoek. Ik wist dat ze er vaak met vrijwillige inlezers werkten. Maar dit was een betaalde job. Ik kon het me nauwelijks voorstellen. Dat ik mijn brood zou kunnen verdienen met het luidop lezen van romans. Dictie had ik nooit gevolgd, ik had een huig-r, maar geen slechte stem. Ik vond dat ik vlot en foutloos kon voorlezen, geïntoneerd maar ook niet overdreven. Ik waagde mijn kans en solliciteerde. Niet lang erna werd ik uitgenodigd voor een leesproef.
Ik kwam in een kleine opnamestudio die ik me herinner als een warme ruimte met beige tapijt en een houten cabine. Ik werd ontvangen door een vriendelijke oude man met dikke brilglazen. Hij was de technicus van de opnamestudio. Na een kort praatje mocht ik plaatsnemen in de cabine, achter de microfoon. Ik moest een stuk uit een roman van Hugo Claus lezen, ik weet niet meer dewelke, misschien ‘Onvoltooid verleden’. Het ging goed, ik had er plezier in. Ik beeldde me in dat ik voortaan, naast mijn bestaan met een baby die veel aandacht vroeg, een inlezend leven hier zou leiden, met een vriendelijke oude man die naar me luisterde en me opnam. Door het venster van mijn cabine zag ik hem zitten. Achter zijn installatie, in de rechterhoek van de smalle kamer.
Vanuit mijn ooghoeken zag ik Willy Courteaux binnenkomen. Hij nam plaats in een zeteltje in de linkerhoek van de kamer. Ik wist dat hij hier wekelijks als vrijwilliger boeken inlas. Ik kende hem als de strenge Dwarskijker en de Man in het venster van de Humo. En van zijn Shakespeare vertalingen. Ik werd een beetje zenuwachtig maar las vastberaden door, met de twee mannen als toehoorders.
Toen ik klaar was en de cabine uitkwam, stapte Willy Courteaux op me af, schudde me hartelijk de hand en zei: ‘Heel mooi gelezen!’ Wat we verder nog zeiden, weet ik niet meer. Wel dat er een warme band was tussen de twee oude mannen. Nadien kreeg ik nog een rondleiding in de blindenbibliotheek, waar toen nog heel veel audiocassettes stonden. Ik maakte een goede kans op de job, dacht ik, te meer daar het leek alsof er geen andere kandidaten waren.
Maar ik vernam niets meer. Twee weken na mijn stemproef las ik een overlijdensbericht in de krant. De naam van de overledene kwam me enigszins bekend voor. Het was de technicus van de blindenbibliotheek. Twee weken geleden had ik Claus’ woorden aan hem voorgelezen, nu leefde hij niet meer. Ik had me een toekomst met hem ingebeeld, deze was nu verleden tijd. Onze kennismaking was ons afscheid. Zonder technicus was er ook van de vacature geen sprake meer.
Willy Courteaux heb ik nadien nooit meer ontmoet. Toen ik het nieuws van zijn overlijden vernam, op 93 jaar, beleefde ik dat ene moment opnieuw. Moge hij ons van hierboven nog eens voorlezen. De technicus zit al klaar.

Willy Courteaux leest voor op de verwendag van Luisterpunt in 2009. Foto: Saskia Boets

Willy Courteaux las in totaal 200 boeken in. 20 jaar lang las hij 2 halve dagen per week boeken in voor de luisterbibliotheek. Luister naar een fragment uit ‘Het kleine meisje van meneer Linh’ van Philippe Claudel.  Een mooie passage die ook over oud en nieuw leven gaat.

Ontmoeting in Muntpunt

Ik ben in Muntpunt.
Muntpunt is de bibliotheek van Brussel.
Op het Muntplein.
Ik kijk bij de boeken over naaien.
Ik neem een boek uit de kast.
‘Love at first stitch’ is de titel.
Liefde op de eerste steek.
Niet op het eerste zicht.
Een man komt naar mij toe.
Ik vind hem knap.
Hij heeft een briefje vast.
‘Ik zoek,’ zegt hij.
Hij toont me het briefje.
Ik lees: ‘525’.
Hij zoekt 525.
‘Een boek over wiskunde,’ zegt hij.
De boeken over wiskunde hebben nummer 525.
‘Ik zal je helpen zoeken,’ zeg ik.
‘Misschien om de hoek,’ zeg ik.
We gaan kijken.
We zien een bordje: ‘opvoeding’.
‘Nee hier staan ze niet.’
We lopen terug.
‘Zijn we op de juiste verdieping?’ vraag ik.
We kijken op het grote bord.
Wiskunde is op de derde verdieping.
Daar zijn we. We zijn juist. We moeten verder zoeken.
‘Soms is het moeilijk,’ zeg ik.
‘Hier!’
‘Nee, hier is informatica,’ zegt de man.
‘Misschien in de volgende kast? Ja, hier! Onderaan.’
We hebben de boeken over wiskunde gevonden.
De man is blij. ‘Bedankt,’ zegt hij.
‘Graag gedaan,’ zeg ik. Ik lach. Ik help graag mensen.
Ik loop weg.
Ik kijk nog even naar de man.
Hij heeft zijn hand uitgestoken.
Hij wou mij een hand geven.
Ik zie het nu pas.
Ik ben dat niet gewoon.
Dat iemand ‘dank u’ zegt met een hand.
Ik wil teruglopen.
Zijn hand schudden.
Maar ik durf niet.
Ik ben al te ver.

Sneeuw

Begin december 2016, een natte winteravond. Ik liep naar het Kaaitheater. Bus 14 had me tot bij Thurn en Taxis gebracht. Ik had niet, zoals gewoonlijk, de metro naar Yzer genomen. Waarom ik de bus had genomen? Afwisseling is soms nodig. De bus of de metro, het zijn van die kleine beslissingen die het verschil kunnen maken in een leven, in goede of in slechte zin.

Het was donker langs het kanaal. Ik liep over de brug. In het midden van de brug werd het voetpad versperd door het statief van een fotograaf. Ik probeerde te zien wat hij fotografeerde. Het nachtelijk verkeer dat vanuit de stad de brug over reed. Ik zag de poëzie er wel van in. Ik had zin om de man aan te spreken, maar durfde niet goed. Hij was heel toegewijd bezig, leek alle tijd van de wereld te hebben. Ik niet, ik had een beetje haast. Ik liep naar het theater, haalde mijn ticket af. De fotograaf bleef in mijn gedachten. Misschien had er een verhaal in gezeten.

Tot mijn verbazing zag ik hem even later in de inkomhal van het theater. Weer had hij zijn statief opgesteld. Hij nam foto’s van de foyer en van de neon van Tim Etchells die er boven de deuren hangt: ‘Al we have is words all we have is worlds’. Ik verzamelde mijn moed en sprak hem aan. Waarom nam hij foto’s, wat deed hij ermee? Was hij beroepsfotograaf? Nee, dat niet. Hij had in de sociale sector gewerkt en was sinds enige tijd werkloos. Elke dag ging hij wandelen door Brussel om foto’s te nemen, ‘om niet gedeprimeerd te raken’. Ik vroeg of ik zijn beelden ergens kon zien, hij schreef zijn naam voor me op een briefje. Toen moesten we afscheid nemen, de voorstelling begon.
De volgende dag waren we vrienden op facebook. Zo snel gaat dat soms in deze wereld. We hadden geen gemeenschappelijke vrienden, wat ik prettig vond. We bewegen ons te vaak in dezelfde vertrouwde kringen waarin vrienden vrienden van vrienden zijn. Ik zag de foto die hij van de foyer van het Kaaitheater had genomen. Het was niet de volle foyer waarin ik me had bevonden, maar de verlaten foyer tijdens de voorstelling, met één persoon die in schemerlicht op deall-we-have-2 bank zit te wachten onder de woorden ‘Optimism in practice’.

De foto was genomen op dag 29 van de ‘Défi 365 jours’ die de fotograaf zich gesteld had. Nog 336 foto’s te gaan, nog 336 dagen rondwandelen in Brussel. Sindsdien volg ik hem. Ik vind zijn foto’s niet altijd goed. Maar het gaat niet om goed zijn. Ook niet om consequent zijn. Het gaat om het wandelen, het ontdekken, het onderzoek: van de stad en van de fotografie. De ene dag in kleur, de andere dag in zwart-wit. De ene dag bewerkt, de andere dag niet. De ene dag figuratief, de andere abstract. De ene dag een studie van gezichten weerspiegeld in ramen, de andere dag de regendruppels op die ramen. Ik deel zijn interesse voor bomen, mensen en vensters. Die keren steeds terug in zijn werk. Het is een plezier om elke dag mee te kijken naar mijn geliefde Brussel door de ogen van deze fotograaf.kim-sattler-2

Gisteren lag de eerste sneeuw van deze winter in onze stad. Ik ging niet naar buiten: het was te koud en te glad, bovendien had ik binnen te veel werk. ’s Avonds zag ik Kims foto. Een bankje in het Warandepark. Een man zit erop, met één been in de sneeuw. De voet van zijn andere been rust op de knie van het been dat in de sneeuw staat. Het been dient als een bankje voor een tengere gestalte in amazonezit. Haar benen bungelen in een grappig benenspel naast de zijne, haar voeten in elkaar gehaakt. Ze draagt een jas met grote ruiten die haar kleine lichaam benadrukken. Hun hoofden zijn versmolten in een innige kus. Ze zijn zo klein in vergelijking met de bomen. Die kijken stilzwijgend naar het leven dat beneden voorbijgaat. De vluchtigheid van de kus versus de eeuwigheid van hun kruinen.

Even ben ik het weer wier benen boven de sneeuw bungelen. Dan zoom ik uit en zie ik de fotograaf staan, een eind van hen verwijderd, in zijn aangename eenzaamheid. Ik ben hem dankbaar voor de wandeling die ik vandaag zelf niet kon maken. Hoeveel boeiende, getalenteerde mensen lopen zo nog rond in deze stad? Het enige wat je moet doen is om je heen kijken en iemand aanspreken. Het helpt om niet gedeprimeerd te raken.

Foto’s: Kim Sattler – met dank!

Oud papier

Net Brussel heeft de regeling voor de ophaling van huisvuil drastisch veranderd. De communicatie hierover was bijzonder onduidelijk: we kregen een folder in een bruine envelop. Nergens stond er dat deze belangrijke nieuwe informatie bevatte over de huisvuilophaling. Er was ook geen moeite gedaan om het enigszins visueel duidelijk te maken, voor mensen die het Nederlands of Frans nog niet zo goed beheersen. De gevolgen voor de stad laten zich raden. Omdat we niet zo graag elke dag op afval uitkijken, hebben we zelf een affiche met de nieuwe regeling op de boom tegenover onze deur gehangen. De huisvuilophaling is ontregeld. Toch zag ik vanochtend ook poëzie in de enorme papierberg voor onze deur (die intussen wel werd opgehaald).

_dsc1406

 

 

Muntthee

Naast de school waar ik op zaterdag les volg, is een kleine snackbar uitgebaat door twee Marokkanen. Je kunt er niet goed naar binnen kijken. Op het gelijkvloers staan bakken in plexiglas waar je zelf met een grijptang een koffiekoek uit mag nemen. Om naar het verbruikersgedeelte te gaan, moet je trapjes op. Daar is de toog. Je kan er een broodje smos bestellen, maar ook een broodje kefta of een tajine. Een cappuccino kost er maar 2,20 euro, als ze de prijs niet afronden naar 2 euro. De muntthee is er ook lekker, je krijgt hem mee in een kartonnen beker met een deksel. De school heeft momenteel geen cafetaria. Wie in de pauze een betere koffie wil dan die van het automaat, gaat naar de snackbar. Soms ben je dan wat te laat in de les, want in de koffiebar kennen ze geen haast. Het interieur is wat stoffig en bruinig en er heerst altijd een gezellige familiale sfeer.

Gistermiddag ging ik er rond een uur of drie een muntthee halen. Er was niemand in de zaak. De twee uitbaters zaten samen aan een rond tafeltje naar een film op tv te kijken. Een zwart-wit-film op één. Ik wist niet dat ze dat nog deden, oude klassiekers uitzenden op zaterdagnamiddag. Als kind en als tiener keek ik er vaak naar. Zo ben ik fan geworden van de screwball comedies uit de jaren 1930-1940, waarin een man en een vrouw voortdurend bekvechten maar eigenlijk verliefd op elkaar zijn. Naar zo’n film waren de twee mannen aan het kijken. Ik bestelde de muntthee. ‘Met of zonder suiker?’ ‘Een beetje suiker,’ zei ik, want ik weet dat de suiker er volgens het echte recept in móet. De man verdween naar de achterkeuken om thee te gaan zetten. Ze maakten die niet met heet water uit de koffiemachine maar waarschijnlijk op de traditionele manier, bedacht ik toen hij lang wegbleef. Zijn kompaan keek intussen verder naar de film. ‘Welke film is dat?’ vroeg ik. ‘Ik weet het niet,’ antwoordde hij. ‘Mooi dat ze nog zo’n oude films geven op tv. Ik wist niet dat ze dat nog deden. Vroeger als kind heb ik er veel gezien, zei ik. ‘Ik zie dat graag. Ze acteren anders dan nu,’ zei de man. Het geluid stond niet aan, maar er werd met veel mimiek en gebaren geacteerd. ‘Een beetje nog zoals in de stille films,’ zei ik, ‘expressiever’. ‘Ja, expressiever,’ zei hij. Ik vond het mooi dat hij dat woord herhaalde.

Zijn Nederlands was beperkt, later zou hij een van mijn cursisten kunnen zijn. Ik vertelde dat ik de lerarenopleiding volgde. ‘De SLO?’ vroeg hij. Ik verbaasde me erover dat hij de afkorting voor ‘specifieke lerarenopleiding’ kende, tot voor kort had ik daar zelf nog nooit van gehoord. ‘Ik ga me ook inschrijven. Om Frans te geven aan Nederlandstaligen. In februari begin ik.’ Later zou ik ook een cursist van hem kunnen zijn. We keken verder naar de film. Een man en een vrouw zaten samen op een grote passagiersboot. ‘Ik denk dat die actrice Claudette Colbert is,’ zei ik. Het had me niet verbaasd als hij haar had gekend. Toen was mijn muntthee daar. Ik nam afscheid en kwam iets te laat in de les aan. Met binnenpret om die kleine scène in de snackbar, die zelf uit een film had kunnen komen. Ik nam een slokje van de muntthee. Mierzoet.it-happened-one-night

De boot van Kuifje

We zijn wat laat vertrokken, de rommelmarkt loopt al op zijn einde. We vinden het niet erg, we komen voor de sfeer, bovendien kan je net nu soms koopjes doen. Het eerste wat we zien is een zeilboot. ‘Zoals Kuifje in “Het geheim van de Eenhoorn”,’ zegt mijn man. Hij heeft onlangs de film nog eens bekeken met onze jongste dochter. Aan het begin van de strip koopt Kuifje op het Vossenplein een maquette van een Portugese zeilboot, als cadeau voor Kapitein Haddock. De strip verscheen oorspronkelijk in afleveringen in de kinderbijlage van Le Soir, van 11 juni 1942 tot en met 14 januari 1943, in volle oorlogstijd. Vijfenzeventig jaar later kan je naar deze markt komen en er nog steeds zo’n boot op de kop tikken. Het is spijtig dat de kranten geen kinderbijlagen meer hebben, andere dingen zijn gelukkig niet veranderd._dsc0971-2

Het is erg druk vandaag, toch veel mensen die op 1 november niet naar het kerkhof gaan. Bij een doos vol oude familiealbums blijf ik staan. Ik doorblader ze, ze dateren van de jaren 1970, de bijschriften zijn in het Duits. De foto’s zijn kiekjes, vaak onscherp, van te ver genomen en slecht gekadreerd. Altijd weer vraag ik me af hoe die albums hier terecht zijn gekomen, of er niemand meer is die nog om de mensen op de foto’s geeft. Je kan dit plein ook als een kerkhof zien. Al blijft er hoop op een tweede leven.

Ik koop een gehaakt oranje jaren 1970 bedsprei. Er moeten ooit vele uren werk in zijn gekropen. Het zal mijn jongste dochter ’s nachts warm houden. Even later valt mijn oog op een doos met pakjes in eenzelfde oranje. Ze bevatten chicorei van Pacha. De Pacha-fabriek werd in 1999 afgebroken. Ze bevond zich in Halle, vlak achter mijn middelbare school. Ik herinner me de geur weer levendig, vooral als het mistig was kon ze sterk blijven hangen. Het was een bittere, indringende, verbrande geur die lang niet zo lekker was als de geur van de Cote d’Or-fabriek, die we roken wanneer we met de auto Brussel langs het Zuidstation binnenreden. ‘De Pacha stinkt weer,’ zeiden we dan. Toch voelt de herinnering eraan warm. De pakjes liggen zo mooi oranje te glanzen in de zon. Er staat geen vervaldatum op.

_dsc0970-2 _dsc0966

 

 

 

Daar ligt een leuk groen stoffen valiesje met bloemenprint. Ik neem het vast, toon het mijn man. ‘Voor onze dochter?’ ‘C’est vendu!’ roept de verkoper. ‘Ik heb het gekocht,’ zegt iemand. Het is een van de beste vriendinnen van een van mijn beste vriendinnen, een vrolijk makende verschijning. Het valiesje is haar gegund. Wij hebben thuis al een rood valiesje. bloemenvaliesje

Een lichtblauwe cache-pot, twee piepkleine bordjes die handig zijn om theezakjes op te zetten en een oude versie van het letterspel crossword tik ik nog op de kop. Dan keer ik terug naar de boot van Kuifje. Ik maak er een foto van. De verkoper, een vriendelijke, wat oudere man, zegt dat hij er dertig euro voor vraagt. Voor mij wil hij er wel twintig van maken. Bij Kuifje vraagt de verkoper vijftig frank, maar Kuifje dingt af naar veertig. ‘Omdat u het bent,’ zegt de verkoper in de strip. Ik vertel de man over Kuifje en zeg dat ik al blij ben met een foto van de boot. Hij antwoordt dat het een Spaanse boot is en dat de zeilen van haaienvel zijn gemaakt.

Dan vraagt hij: ‘Où est votre mari?’. Ik antwoord dat mijn man hier ergens rondwandelt. We raken elkaar hier makkelijk kwijt, omdat we bij andere dingen blijven stilstaan. “Je voudrais vous inviter pour aller danser,” zegt hij. “Pas comme on danse maintenaint, mais comme dans le temps.’  We lachen. Dan zie ik mijn man. ‘Mon mari est là,’ zeg ik en loop naar hem toe. Van op afstand kijken we samen nog eens naar de boot, de verkoper geeft mijn man een knipoog.

_dsc0962

Maalbeek zeven maanden later

Vandaag moet ik naar metro Maalbeek. Het schiet als eerste door me heen bij het ontwaken. Het maakt me een beetje zenuwachtig. Sinds de aanslagen, nu zeven maanden geleden, ben ik er nog niet geweest. Ik heb niet veel te zoeken in de rijke Europese wijk. Maar vandaag moet ik naar een infosessie over de groepsverzekering. Een moeilijke materie. Praten met werknemers over hun overlijdensverzekering vind ik ook altijd moeilijk. Het is delicaat om hen te vragen wat ze na hun dood willen nalaten en aan wie. Ze denken niet graag aan doodgaan, laat staan aan hun nalatenschap. Zelf sta ik er elke dag bij stil. Dat het misschien vandaag gedaan kan zijn. Zoals die ochtend voor twintig mensen in metro Maalbeek om elf na negen. Ik ben blij dat het net iets later zal zijn wanneer ik daar aankom.

Bij de bushalte voor mijn huis stap ik op de dertien. Er is veel leven op de bus, een kleuterklas op uitstap. Ik zie een oude meneer achteraan gekke bekken trekken naar de kleuters. ‘Laat die meneer met rust!’ zegt de juf. Maar de meneer gebaart dat hij het niet erg vindt. Even later zit ik op de metro tegenover twee twintigers. ‘Zouden zij terroristen kunnen zijn?’ vraag ik me af. De volgende halte stapt een vriend van hen op. Ze beginnen met elkaar te vechten. Een beetje stompen en treiteren, ik kan altijd vol verbazing kijken naar deze vorm van vriendschap.

We stoppen in Beekkant, ik moet overstappen. Nu zit ik tegenover Paulus de Boskabouter: klein, dik, kalend en grijs. Stevige frak aan, een ribfluwelen broek. Hij leest in de Franstalige Test Aankoop een enquête over zaagmachines. Hij ziet er niet uit alsof hij er kwade bedoelingen mee heeft. Ik vermoed dat hij boswachter is. Naast hem aan de overkant zit een mooie slanke vrouw met dik zwart krullend haar en felrode lippenstift. Ze leest een boek waarvan de snede zwart is. Haar kledij is ook zwart. Met een balpen zo rood als haar lippen onderstreept ze zinnen. Ik verbaas me erover dat zij en de boskabouter tot dezelfde soort behoren.

We komen aan in Maalbeek. Er zit bijna niemand op het perron. Er stapt bijna niemand op. Zouden mensen dit station nog mijden? Je kan makkelijk uitwijken naar de nabije stations Kunst-Wet en Troon. Even heb ik dat ik ook overwogen. Maar dit was de meest nabije halte. Op het perron sta ik stil, kijk om me heen. Het is heel smal. Ik kan me de hel van 22 maart voorstellen. Maar er is geen spoor meer van te zien. Juist dat vind ik verontrustend: het is hier allemaal zo clean.

Met de trap ga ik naar boven. Daar liggen bloemen, bij een gedenkmuur met handgeschreven namen en boodschappen. Ook hier is het rustig, niemand te zien. Alleen een werkman brengt met zijn fluogeel pak wat leven tussen de zwijgende witte tegels. Even staakt hij zijn bezigheden om stil te staan bij de doden, te lezen wat voor hen op de muur geschreven staat. Ik neem de trap naar boven. Op straat komt een grote blonde dame gehaast voorbij. Ik bevind me nog in de stilte van deze beladen plek, langs haar raast het verkeer door de Wetstraat. Even, in haar haast, werpt zij een blik naar binnen. Ik zie: zij denkt hetzelfde als ik.

_dsc0917

Honderd jaar Herfst

schubert‘Er ligt een boek voor me klaar, “Schuberts Winterreise” van Ian Bostridge. Ik heb gisteren gebeld.’ Ludovic van Passa Porta overhandigt me het boek. Het staat niet op het rek met gereserveerde boeken achter hem, maar ligt vlak naast hem, hij hoeft zijn arm maar even te strekken om het te pakken. ‘Het ziet er heel mooi uit, een perfect verjaardagscadeau.’ ‘Het is overal lovend gerecenseerd,’ zegt hij. In zilverglanzend papier pakt hij het boek voor me in. Het cadeaupapier is hier altijd zo mooi dat ik ooit eens vroeg wie hun cadeaupapierleverancier was, maar ik ben het vergeten.

Blij loop ik de zonnige stad in, het boek onder de arm. Het is nog lang geen winter, we zijn nog maar net aan onze herfstreis begonnen. Bij de Anspachlaan spreekt een bedelaar me aan, ik haal een muntstuk uit mijn portefeuille en geef het hem. Ik kan niet verdragen dat anderen het moeilijk hebben wanneer het leven mij toelacht. Ik wandel naar de bushalte bij het Centraal Station. Een jongeman spreekt me aan, hij vraagt in het Frans of hij een kort telefoontje mag plegen met mijn gsm. De persoon zal hem daarna terugbellen op mijn gsm. Zelf heeft hij geen belkrediet meer of zijn batterij is leeg, ik heb het niet goed begrepen. Onderzoekend bekijk ik hem. Kan ik hem vertrouwen?

Ik zeg dat mijn bus over vijf minuten komt. Hij antwoordt dat het nog zal lukken. Ik kan nu niet meer terug. Mijn gsm is voorhistorisch, die zal hij niet stelen. Voor de zekerheid blijf ik toch dicht bij hem staan terwijl hij kort telefoneert en even later wordt opgebeld. Dan valt mijn oog op enkele tassen die eenzaam bij de ingang van het Centraal Station staan. Daar zie ik Nel, de geliefde van schilder Rik Wouters. Gedrukt op een plastic zak. Ik ken die zak, want ik heb er zelf ook zo één thuis. En ernaast staat een zak waarop een blauwe rivier is afgebeeld.

_dsc0909Wie heeft deze zakken daar neergezet? Een clochard? Ik haal mijn fototoestel uit mijn tas, neem twee foto’s. Ik moet snel zijn denk ik, zo meteen worden ze opgepikt. Intussen hou ik de jongeman met mijn gsm in de gaten, hij mag zijn gesprek nu wel afronden, vind ik. ‘Waarom neem je foto’s van mijn zakken?’ vraagt hij. ‘O, zijn het jouw zakken?’ Ik vertel dat ik hou van het schilderij dat erop staat. Dat het van Rik Wouters is, een schilder die omstreeks 1900 leefde en veel te jong aan een hersentumor overleed. Dat de vrouw op het schilderij zijn echtgenote en muze Nel is. Dat hij haar de hele tijd schilderde bij haar dagelijkse bezigheden. Ik vertel dat dit schilderij “Herfst” heet en honderd jaar geleden werd geschilderd.

Hij kijkt me verbaasd aan. Het moet bevreemdend zijn om mijn argwaan te zien omslaan in enthousiasme voor zijn tas. Ineens ben ik niet meer iemand die hem met tegenzin haar telefoon heeft geleend, maar iemand die graag iets met hem wil delen. Hij luistert geïnteresseerd. ‘Het is nochtans een gewone zak van de supermarkt,’ merkt hij geamuseerd op. ‘In het Modemuseum in Antwerpen loopt momenteel een tentoonstelling over Rik Wouters, een aanrader’ ga ik verder. Daar is bus 66. We nemen afscheid, hij vraagt of hij mijn foto’s ergens kan zien. Ik geef hem nog snel de naam van mijn blog. Hij kent geen Nederlands, maar hij is het aan het leren, zegt hij.  Dan geeft hij me mijn gsm terug. Bijna was ik hem vergeten.

Terwijl de bus door de Middaglijnstraat schuifelt, denk ik: ‘Nel moest het eens weten. Dat zij, in haar dagelijkse bezigheden, honderd jaar later het straatbeeld nog siert, onwetende mensen vergezelt in hún dagelijkse bezigheden.’ Een half uur later schenk ik mijn jarige vriendin haar ‘Winterreise’. Zij woont hoog in de Brusiliatoren. Vanuit haar appartement hebben we een prachtig zicht op de geel en rood kleurende boomkruinen van het Josephatpark. Wat is Brussel toch mooi in de herfst.

_dsc0915