Oorlog en vrede op het Vossenplein

Ze zit er al, op een bank, voor de Onze-Lieve-Vrouw-Onbevlekt-Ontvangen-Kerk. Op de eerste lentedag. Met haar groene wintermantel. We kussen elkaar. Ze lacht. Blij dat het weer mag.

Ik zou niet weten wie van ons twee het meest van deze plek houdt. Zij komt hier vaker, denk ik. Een paar keer hebben we elkaar hier toevallig ontmoet. Vandaag is het de eerste keer dat we hier afgesproken hebben.

Elf jaar geleden was ze getuige bij mijn trouw. Toen droeg ze een rode jas en een groen kleedje. Ze is niet veel veranderd. Nog steeds dezelfde donkere krullenbol, dezelfde stralende lach.

Trouwen vonden mijn man en ik nooit belangrijk. Maar samenwonend heb je nog steeds niet dezelfde rechten. Vooral als een van de twee doodgaat, kan het erg nadelig zijn. Die bijkomende pijn wilden we vermijden. Dus besloten we na twintig jaar samen toch te trouwen. Een bescheiden, maar warm feest, in klein maar dierbaar gezelschap.

Daar ligt een schilderij van een bruid. Gedumpt. Maar toch stralend. Al die vervlogen huwelijken hier, al dan niet gelukkig. Soms lees je iets in een blik of in een commentaar bij een foto.

De vriendin en ik vormen een goed paar op het Vossenplein. Onze mannen raken we hier vaak kwijt, omdat zij bij andere dingen willen kijken, zoals LP’s. Zij blijft aan mijn zijde en ik aan de hare, we wijzen elkaar dingen aan. Intussen praten we.

Over ons gemoed, dat het moeilijk heeft. De oorlog die sinds het begin van dit jaar woedt, weegt op ons. We vragen ons af of we mee zouden gaan vechten mocht het hier gebeuren. Nee, we zouden laf zijn en vluchten, besluiten we. Dat vraagt ook moed.

Oh het Vredesboek van Bernard Benson. Daarin bezoekt een jongetje de presidenten van de drie machtigste landen van de wereld en vraagt hen vrede te sluiten. Het was een bestseller ten tijde van de Koude Oorlog. Ik herinner me dat we het vroeger thuis hadden. Toen waren we ook bang voor oorlog en gingen we betogen tegen kernraketten. Benson was een gevechtspiloot tijdens WO II, lees ik later.

We zijn niet naar iets speciaals op zoek, maar gewoon benieuwd om met elkaars blik te kijken. Ze wijst naar een opplooibare valies in geruite stof. Het zou een goed rekwisiet zijn voor haar toneellessen. Ik toon haar een matroesjkapoppetje. Vreemd toeval. Net nu we in gedachten in Rusland zitten.

Nieuwsgierig open ik het. Als kind had ik al een fascinatie voor matroesjkapoppetjes. Ik speelde ermee bij mijn meter, die een bijzondere collectie houten en blikken speelgoed bezat. Ik fantaseerde hoe wij allemaal zo’n poppetje waren en in één grote mens zaten. Een mens die als het ware kon vervellen tot vijf miljard andere gedaanten, waar ik er een van was.

De vriendin helpt me de poppetjes vast te houden. Soms moet ik wat wrikken om er een open te krijgen. Het kan me niet snel genoeg gaan, ik popel om het einde te kennen. Twee keer denken we bij het kleinste poppetje te zijn, maar zien we nog steeds een kleine horizontale naad op de buik. Het kleinste poppetje verrast ons. Het is geel en heeft twee ronde zwarte ogen en een open zwarte mond, het kijkt verschrikt. Het doet me denken aan het kind, dat als enige ziet dat de keizer geen kleren aan heeft. En roept. Of aan De Schreeuw van Munch.

Weer een trouwfoto. Een vlinder landt ernaast. Een oude dagpauwoog met een hap uit zijn vleugel. Ik neem mijn fototoestel. De vriendin ziet het en legt, om me aan een betere foto te helpen, snel een magazine naast de vlinder. Op de cover een vrouw met bruin haar en bruine ogen tegen een hemelblauwe achtergrond. Ze past mooi bij de dagpauwoog. Ik druk af. De vlinder vliegt op.

We hollen hem achterna. Dolle pret. Een beetje verder gaat hij zitten op een kassei. Hij heeft niet lang meer, is uitgeput, dat zie je. Ik hurk bij hem neer en fotografeer hem nog één keer. Voorbijgangers merken hem nu ook op.

De vriendin vindt een groene vaas. Ze twijfelt. Ik zeg dat hij goed op haar buffetkast zal passen. De vaas is wat duur. De vriendin weet stevig af te dingen, ze is daar beter in dan ik. Ze heeft meer charme en speelt goed toneel.

Voor de voorstelling die ze met haar leerlingen maakt, is ze nog op zoek naar legeruniformen. Tot onze verbazing vinden we die, bij een kraam waar verschillende legerbroeken en -vesten liggen. De vriendin houdt een broek voor zich, om te kijken of de maat goed is. Ze is klaar om te vechten. We lachen.

Intussen neem ik een kleine porseleinen schedel vast. Je kan er een kaarsje in branden. De holle ogen geven dan licht. Misschien iets voor voor mijn jongste dochter, zij vindt het vast cool. Je moet je angst in de ogen durven kijken. Maar dit ding vind ik toch veel te eng om in huis te halen.  Net voor ik hem terug wil leggen, landt een honingbij precies in het oog. Op zoek naar stuifmeel.

Wat een mooi krukje, met een uit touw geweven zitting. Ideaal om in de zon op het plein voor mijn deur te gaan zitten. Dat wil ik vaker doen. Gewoon voor ons huis gaan zitten, praten met voorbijgangers, zoals vroeger. Sinds de bomen enkele jaren geleden gekapt werden, heeft ons plein nog steeds geen nieuwe invulling gekregen. De gemeente laat het na, we zullen zelf voor wat gezelligheid moeten zorgen.

Blij met onze aankopen, drinken de vriendin en ik koffie bij La Brocante. Er zijn weinig klanten, het bruisende leven van voor corona lijkt er nog steeds niet teruggekeerd. We eten het heerlijke broodje van het huis. En praten bij. Vreugde en verdriet, grote en kleine vragen. Waarom kost het zoveel tijd om te worden wie je bent? Haar warmte doet me wenen. Mogen we nog lang getuigen zijn van elkaars leven.

Enkele dagen later stuurt ze me een foto met als titel ‘Vaasdebuut’. De groene vaas past zoals voorspeld wonderwel op de buffetkast. Ze heeft er paarse irissen in gezet, felgele gerbera’s en zachtgele brem. En kronkelwilgtakken.

Mist

De eerste werkdag van 2022. Ik geef vandaag nog geen les, maar zal thuis werken voor school.

Zoals elk jaar weer voel ik het nieuwe jaar zwaar op me vallen. Maar dan nog een beetje meer.

Ik neem het kleinste, dunste boekje uit mijn boekenkast. Van een geliefd schrijver. Een toneelstuk, met een cover groen als gras. Ik sla het open op een willekeurige pagina en lees:

Laten we het eerst even rustig aan doen.
Er weer inkomen.

Met die twee zinnen kan ik iets:

Laten we het eerst even rustig aan doen.
Er weer inkomen.

Wensen heb ik nog niet verstuurd. Wat moeten we elkaar wensen, in deze tijd? Een goede gezondheid? Wensen helpt zo weinig. Veel wensen van vorig jaar zijn niet uitgekomen. De dingen lopen zoals ze lopen. We zien wel.

Twee jaar geleden, net voor de coronacrisis losbrak, wenste ik een goede vriend:

Een mooi en niet té zwaar nieuwjaar, met veel inspiratie, wat variatie, weinig zorgen, veel warmte, en een gezondheid die meewil. Ook voor je naasten.

Hij antwoordde:

Een mooi en niet té zwaar nieuwjaar, met veel inspiratie, wat variatie, weinig zorgen, veel warmte, en een gezondheid die meewil.

Dat wil ik jou ook wensen.

En geen lekken meer.

Ik lachte, omdat hij geen eigen woorden koos maar antwoordde met mijn woorden. Dat deed hij graag. Me mijn woorden teruggeven. Ik vond het mooi om ze uit zijn klavier te horen. Hij had gevoel voor ritme. Ik niet. Hij speelde kamermuziek, variaties op een paar thema’s. Hij was ook goed in stiltes. Terwijl ik schreef over steeds weer nieuwe dingen die ik in de buitenwereld beleefde, was hij niet bang om zichzelf te herhalen. Binnenskamers. Jaar na jaar. Of eerder: dag na dag. Bij een jaar kon hij zich niets voorstellen. Zeker niet aan het begin ervan.

Onlangs had hij een nieuw klavier gekocht, omdat het oude begon te haperen. Ik keek uit naar de muziek die hij daar op zou maken. Dat schreef ik hem gelukkig nog.

Alleen de lekken waren een ingeving van hem geweest. Hij wist dat we maandenlang met het hele gezin in een klein kamertje hadden geleefd. Een lek had ons leven beheerst. Een soort quarantaine waarbij vergeleken de latere quarantaine nog best leefbaar was.

2022 begon weer met een lek. In de trappenhal deze keer. De muur is er erg aan toe, water liep langs het raam naar binnen. Voor de verzekering moet ik foto’s maken. Ik open het dakraam. Er hangt een dichte mist. Ik neem een foto van het dak van de buurman. Gisteren leek het een zwembad. Vandaag is het een schaatsbaan. Vannacht heeft het gevroren. Het spiegelende ijs, de mist, de kerktoren die erin verdwijnt, ons plein met de verlaten tramhalte, de blauwe strepen aan weerzijden van het raam aan de overkant, de gele gevel in de verte en de rode op de voorgrond: ineens zie ik poëzie in de miserie.

Ik zou de foto van de schaatsbaan naar de vriend willen sturen. Hij zou er met evenveel verwondering als ik naar kijken. Maar dat gaat niet meer. De vriend stierf eind december. ‘De dagen zijn zo eender voor mij,’ had hij me kort voordien nog geschreven.

Ik zou wel honderd lekken in mijn huis willen hebben om de vriend terug te krijgen.

Ik stuur de foto’s naar de verzekering. Dan vertrek ik naar de kringwinkel. Mijn man zag daar kort voor kerst een boek liggen waarvan hij dacht dat het iets voor mij was. Oud papier. Mijn man kent mij. De vriend raadde me het boek zeven jaar geleden aan. Hij dacht ook dat het iets voor mij was.

Ik heb geluk. Het boek is er nog. Het eerste hoofdstuk heet ‘Over boeken waar je je hele leven naar zoekt en wat er gebeurt wanneer je ze vindt’. Op dit geheime adres vind ik steeds boeken die ik niet zoek. Zij zoeken én vinden mij. Alsof één zielsverwant hier stelselmatig boeken voor me achterlaat. ‘Over de troost van pessimisme’, ‘Nauwelijks lichaam’ en ‘Alle poëzie dateert van vandaag’: het zijn maar een paar titels die ik hier de voorbije jaren vond.

Op de terugweg liggen verdorde kerstbomen te wachten tot ze worden opgehaald. Op een vensterbank staat een lege doos van roomijs met afgedankte champagneglazen. Hoeveel jaar zouden ze zijn meegegaan? Hoeveel feesten hadden ze beleefd, overleefd? Wiens lippen hadden er allemaal aan genipt? De dingen zwijgen, maar vertellen ons soms zo veel. Dat vond ook de vriend. We deelden een liefde voor de dingen, naast zoveel andere dingen.

Zoals een liefde voor Brussel, waar hij al lang niet meer woonde. In verhalen en foto’s nam ik hem soms mee op mijn wandelingen. Pas nog had ik hem een foto gestuurd van de plek in de Marollen waar hij geboren was. In gedachten had ik hem als baby in de armen van zijn moeder zien liggen. Vier dagen later was hij er ineens niet meer.

De mist is nog steeds niet opgetrokken. Ik wandel naar huis, om te gaan werken. Het zal me wel lukken nu.

’s Nachts bevind ik me in de tuin van de vriend. Bij daglicht. Met al wie hem lief was. We praten, drinken wijn. We dragen allemaal dezelfde jas – de zijne.  De te lange en te brede mouwen hebben we tot aan onze polsen opgerold. Voor elk van ons heeft hij een gedragen exemplaar van zijn jas nagelaten. Om in te schuilen.

Anderen warm houden. Dat deed hij graag.

Afscheid van de bloemenplukweide

‘Gaan we nog een laatste boeket plukken?’ Het is elf november, we zijn allebei vrij, hij vindt het een goed plan. We nemen de tram.

Bij het ziekenhuis stappen we uit, we wandelen richting Laarbeekbos en nemen voor de Chalet het smalle paadje naar rechts. Het ligt er elke keer weer wat modderiger bij. We stappen langs de volkstuintjes die stilaan klaar zijn voor het najaar, ze liggen braak of zijn beplant met kolen, spruitjes en prei.

Voor de laatste keer openen we het poortje van FleurAkker. Ik ben altijd slecht geweest in afscheid. Of goed, het is maar hoe je het bekijkt.

De uitgebloeide bloemen, de verdorde stelen, de vergeelde bladeren met slakkengaten, de lege percelen: ze doen me onmiddellijk terugkeren naar het begin van de zomer, toen we vol verwachting uitkeken naar de bloemen die vanwege het koude weer maar niet wilden groeien en we slechts een schraal boeketje korenbloemen mee naar huis konden nemen. Vijf maanden geleden nog maar.

Met de zomervakantie brak ook het plukseizoen aan. Al snel kon ik me niet meer inbeelden dat ik bloemen ooit in een winkel had gekocht. De rit met de tram en de boswandeling ernaartoe, het uitkiezen van de bloemen, het afknippen met de geweldige rode schaar, altijd boven een bladoksel, het glazen vaasje dat van een oude wijnfles was gemaakt en dat ik vulde met water uit mijn drinkbus, zodat de bloemen op de terugweg geen dorst zouden lijden, het tellen van de stelen, het schikken van de bloemen, het fotograferen van de boeketten op het veld: ik had een nieuw woord nodig. ‘Bloemenplukweidegeluk’. Al snel vulde mijn smartphone het automatisch aan.

Soms trof ik Annemie op haar veld, dat ze met hart en ziel bewerkte. Ze vertelde over haar strijd tegen slakken en konijnen en de weersomstandigheden, over het juffertje in ’t groen waar ze zo veel van hield en die ene bloem die niet zo mooi was maar zo lekker rook, de val van haar fiets waardoor ze maar met één arm kon werken, hoe heerlijk het was in de buitenlucht en hoe prachtig het veld om vier uur ’s ochtends.

De zomer kwam ik door zonder vooropgesteld plan. Ik zei ja op wat op me afkwam. Een vriendin bood me in juli haar mooie herenhuis als rust- en schrijfplek aan. Dankbaar ging ik haar sleutel halen. Samen met haar zoontje leidde ze me rond in haar huis. De volgende dag ging ik koffie drinken op een zonnig terras. Daar zat de vriendin met haar zoontje. De dag erna ging ik naar de bloemenplukweide. Wie kwam daar aangefietst? De vriendin met haar zoontje. Terwijl wij samen bloemen plukten, kwam er een filmploeg aan.

Wij zagen elkaar niet zo vaak, nu drie keer in drie dagen tijd. ’s Avonds kwamen we samen op de televisie. Ik zag mezelf bukken om bloemen te plukken, zij en haar zoontje doken achter me op. Als beschermengelen.

In de maand september overkwam me nog zo’n wonder. ’s Morgens kreeg ik een berichtje van goede vrienden. Had ik zin om in het weekend mee naar hun huis de Bourgogne te gaan? Ik zei meteen ja. ’s Avonds rond etenstijd ging ik naar de bloemenplukweide. Ineens zag ik de hoofden van mijn twee vrienden boven de haag verschijnen. Ze kwamen na hun werk nog snel een boeket plukken. De vriendin droeg een bloemenjurk in levendige kleuren, haar man plukte de bloemen. In deze omgeving straalden ze nog meer dan anders.

Een volgende keer was mijn man mee. We werden aangesproken door een onbekende vrouw, die inlichtingen wenste. ‘Vous êtes Monsieur et Madame Fleur?’ vroeg ze. Wij waren het niet, maar op dat moment voelden we iets opbloeien.

Deze week heeft Annemie me een laatste nieuwsbrief gestuurd. ‘Het aanbod van de bloemen is al goed geslonken, maar profiteer er van, nu het nog kan. Daarna gaat het veld in winterrust en zullen we geduld moeten uitoefenen tot volgend seizoen. We kijken ernaar uit om jullie vanaf de eerste narcissen opnieuw te begroeten.’

Mijn man en ik plukken een laatste boeket: twee dahlia’s, een zonnehoed, een lupine, een paar takken ijzerhard. We sluiten het poortje van de pluktuin, we laten deze plek achter ons. In het voorjaar keren we terug, maar naar een nieuwe plek.

Thuis knip ik een stukje van de stelen en schik de bloemen in de groene vaas met de ijsschaatsster die vroeger bij mijn oma op de tafel stond. Mijn oma zorgde met veel liefde en toewijding voor haar bloemen. Ze gaf ze dagelijks vers water, herschikte ze, kortte ze in, combineerde ze met nieuwe bloemen in een ander vaasje, zong hun lof in het bijzijn van anderen. Ze bleven altijd lang mooi. Haar talent gaf ze door aan haar dochters en kleindochters. Mijn mama en ik sturen vaak foto’s van onze bloemenvazen naar elkaar.

Ik hoop dat ik mijn laatste boeket twee weken kan bewaren. Daarna begint het wachten. Ik heb geduld. Altijd gehad. Te veel, zei iemand eens. In een wachtrij zal ik eerder iemand laten voorgaan dan dat ik voor mijn beurt zou gaan.

In het woordenboek vind ik een duizend jaar oude spreuk: ‘Geduld overwint alles’. Deze tegeltjeswijsheid heeft de tand des tijds goed doorstaan.

Eerst overwinteren.

Geluk

Alle wegen leiden naar het Vossenplein. Toch neem ik altijd dezelfde weg. De metro tot het Zuidstation, daar met de roltrap naar de Engelandstraat, de hoek om, de Zuidlaan over, de Huidevetterstraat in, rechtsaf de Spaarzaamheidsstraat in naar het plein.

De coronacrisis heeft me ontregeld. Maandenlang mocht de rommelmarkt niet meer doorgaan. Een groot gemis. Uit heimwee ben ik toen eens in de Marollen gaan wandelen. Het deed me plezier er toch nog steeds die authentieke sfeer aan te treffen. Een oudere Marollien zong op straat bij een café voor een vriend. Als een jukebox, het ene Franstalige lied na het andere. Hij declameerde ook het verhaal van Le Corbeau et le Renard uit het blote, benevelde hoofd. En ging dan voort met ‘Le monde est gris, le monde est bleu’, een lied dat ik nog nooit had gehoord.

Le monde est gris le monde est bleu
Et la tristesse berce mes yeux
Mon coeur est gris mon coeur est bleu
Je ne pourrais pas être heureux

Le monde est gris le monde est bleu
Et la tendresse berce mes yeux
Mon coeur est gris mon coeur est bleu
L’amour me quitte peu à peu

Le monde est gris le monde est bleu
La neige tombe sur mes yeux
Mon coeur est gris mon coeur est bleu
C’est donc si dur de vivre à deux

Stiekem bleef ik staan luisteren. Het lied paste bij de droevige tijd waarin we zoveel kwijt waren.

Ben ik toen ook mijn weg kwijtgeraakt? Sinds de rommelmarkt opnieuw mag doorgaan, wandel ik er door andere straten heen. Bij de Hallepoort stap ik uit en neem de Hoogstraat. In plaats van op te klimmen, daal ik nu af.

Onderweg loop ik langs het Sint-Pietersziekenhuis met zijn mooie ingang in art décostijl. Pas begin dit jaar werd het als erfgoed erkend en beschermd.

Er tegenover staat een troosteloos flatgebouw van vijf verdiepingen. Het rust in het midden op zuilen, waar je onderdoor naar een parking kunt wandelen of rijden. Daarachter liggen nog meer treurige flatgebouwen. Aan weerszijden van de zuilen bevindt zich op het gelijkvloers een winkelruimte. Vroeger was hier een optiek. Maar nu niet meer. In beide ruimtes huist nu een begrafenisondernemer.

Bood de vorige handelszaak de flatbewoners nog enig perspectief, dan komen zij nu ‘s avonds thuis met uitzicht met hun uitvaart. Dagelijks maant een lichtreclame hen aan om een overlijdensverzekering te nemen. Telkens worden ze eraan herinnerd dat zij en hun dierbaren deze wereld vroeg of laat tussen zes planken zullen verlaten. Of in een rieten mand of een urne. Die staan ook in de etalage. Het lijkt me vreselijk hier te wonen. Ook zonder een begrafenisondernemer onder me begeleidt mijn sterfelijkheid me bijna altijd.

Maar vandaag schijnt de zon. Ik loop naar beneden via de Sistervatstraat. Eerst koffie drinken. De Chaff is failliet, La Brocante opent pas om twaalf uur, de patron doet nu bijna alles in zijn eentje. La Cléf d’Or is nog steeds heerlijk maar de koffie niet. ‘Au vieux marché’ dan maar.

Ik installeer me op het terras. Naast me zit een zestal vrienden, zwarte mensen in het zwart gekleed. De ober neemt mijn bestelling op en richt zich vervolgens tot hen: ‘Vous êtes ici à une triste occasion?’

Het is vrijdag, nog vroeg en rustig. Toeristen blijven weg, veel Brussellaars lijken nog niet te weten dat de markt nu ook op vrijdag opnieuw doorgaat.

Er is veel gestorven de laatste tijd. Dat zie je op het plein. Meer dan anders staan er kramen waar de inhoud van leeggemaakte huizen zonder sorteren in dozen is gegoten. Van vakantiesouvenir tot vingerhoed, van waspoeder tot wereldatlas, van zeepje tot zoutvaatje. En veel foto’s. Van doopverjaardagstrouwkerstfeestenvakanties. Voorbije blije momenten.

De klokken van de Onze-Lieve-Vrouw-Onbevlekt-Ontvangenkerk luiden. Een begrafenis vangt aan of eindigt, dat is niet helemaal duidelijk. Familie en vrienden staan samen bij de kerk. Voor de kerk staat een rouwauto geparkeerd. Hij is van de begrafenisondernemer waar ik net voorbij ben gewandeld. Eén vrouw uit luid haar verdriet. Ze jammert en huilt, schreeuwt het uit over het plein, slaat beide armen tegen het raampje van de zwarte wagen. Iedereen kijkt naar haar. De rommelmarktbezoekers blijven in een halve cirkel staan kijken. Ik ook. Het is geen ramptoerisme, eerder een eerbied, een bijstaan in verdriet.

Zacht snikken, sniffen, snuiven, snotteren. Dikwijls zonder omstanders. Tranen die in het donker over wangen rollen. Luider uiten we ons verdriet vaak niet. Een kind kan met zijn gehuil nog een hele bus terroriseren, maar met ouder worden verstilt het. Hoe dramatisch de scène die zich voor mijn ogen afspeelt, ze voelt tegelijk bevrijdend, als een ritueel.

Ik loop door. Het Vossenplein is nu een groot kerkhof. Kan ik nog iets redden?

‘Allez fouillez, tout à un euro. Votre bonheur est ici, il faut juste le trouver.’ Ik blijf staan, voel me aangespoord. Om verder te zoeken dan de gebruikelijke cache-pots, het Bochservies en de lampjes. ‘Je l’ai déjà trouvé,’ zegt een man en legt een euro in de hand van de verkoper. Ik vraag wat hij gekocht heeft. Hij toont me een gereedschap dat nooit eerder heb gezien, een puntig truweel. Hij gaat het gebruiken voor de meubels die hij restaureert, om de voegen uit te krabben. Doet hij dat professioneel? Nee, als liefhebberij.

Nu is het aan mij. Mijn blik verandert. Elk object wordt interessant, een potentiële bron van geluk. Ik wil verder en dieper kijken. Ik open een mand. Er zit een eend in. Die zal me denk ik geen geluk brengen. Een oude zonnelamp misschien? Die zijn niet gezond. De nood aan licht en warmte is nochtans groot.

Een bosmaaier zal me ook niet blij maken, net zomin als Anna Karenina ernaast. ‘Alle gelukkige gezinnen lijken op elkaar, elk ongelukkig gezin is ongelukkig op zijn eigen wijze.’ De bekende openingszin flitst door me heen. Op mijn eigen wijze zoek ik verder naar mijn geluk. Een waterpas misschien? Om dingen recht te zetten? Een barometer?

De man van het kraam probeert me te helpen: misschien de passe-vite?

Een engel brengt geluk. We kunnen niet zonder. Maar te voor de hand liggend. De brandblusser dan maar?

De mooie vintage handtas? Zonder handvat? Dafalgan? Verdoven is vluchten. Het houten telraam spreek me aan. Maar ik kan er alleen doorheen kijken en terugdenken aan mijn kindertijd. Ik twijfel. Zolang ik twijfel, hak ik de knoop niet door.

Dan zie ik het. In een mooi groen, een beetje verroest, met een houten handvat. Een bollenpoter – het woord vind ik pas later. Er ligt een glimmend, scherp schepje naast. Haast nieuw. Ik neem beide. Elk jaar neem ik me voor in november bloembollen in de grond te steken. Telkens weer vergeet ik het. Ik vertel de man dat ik mijn geluk in het najaar zal planten, in de hoop dat het volgend voorjaar uitkomt. We lachen.

Bij het volgende kraam valt mijn oog op een reeks foto’s. Van een kind in de natuur, met een grote wolk. Ik moet denken aan mijn wandelingen van de voorbije maanden, de momenten van echte vrijheid. Ik koop er drie. Een man zit gehurkt bij de doos met foto’s. Hij heeft een paar foto’s van dezelfde reeks vast, nog mooier dan de mijne. Ik had ze niet gezien. ‘Ze zijn echt goed genomen,’ zegt hij. Ik vraag of hij de foto’s gaat kopen.

Hij reikt ze me aan. ‘Ik zie dat jij ze zo graag wil.’

De gele bol

Een verhaal uit 2014 – in memoriam Café Chaff op het Vossenplein

Hier lagen levens. Leeggegoten in dozen, zonder sorteren. Voor veel voorwerpen was dit de laatste halte voor ze naar het afval gingen. Soms waren ze al afval maar werden ze toch nog te koop aangeboden. Sinds mijn kindertijd was dit mijn meest geliefde plek in de stad, maar nu was ik hier zeker al een jaar niet meer geweest. Het was een zonnige dag in maart en ik vroeg me af waarom ik hier niet meer kwam. Ik voelde de laatste tijd steeds meer de nood om me te ontdoen van alle overbodige voorwerpen die ik in de loop der jaren had verzameld. Geleidelijk aan, want ik had geen auto en het viel me zwaar om afscheid te nemen. Elke dinsdag bracht ik een herbruikbare zak vol afgedankte spullen naar het Leger des Heils. Daarom kwam ik hier niet meer. Ik wilde vermijden dat ik met nieuwe oude dingen huiswaarts zou keren.  

Hier stonden televisies uit de tijd dat die warmte uitstraalden. Waspoeder van toen dat nog in tonnetjes zat. Hier lagen fotoboeken uit de tijd dat vliegreizen met Sabena werden gemaakt en prijzen nog niet in euro uitgedrukt. Serviezen van toen mensen er daar maar één van hadden, meestal van Boch Frères uit La Louvière, als huwelijksgeschenk gekregen. Het meest troffen me onverkoopbare zaken zoals een kopje zonder oortje, een bevlekt tafelkleed, een pan met roestige bodem, afbladderende kerstballen, een dienblad met nog maar één handvat.

Je kon persoonlijkheden reconstrueren. Welke kleren iemand had gedragen, welke boeken gelezen, welke spelletjes gespeeld, welke postkaarten gekregen, van welke borden gegeten.  Wat overbleef van een leven werd hier voor één euro per stuk te koop aangeboden.

Ik verbaasde me erover dat een babyalbum van iemand geboren in 1942 geen familie meer had die er nog in wou kijken. Alleen aan de kasseien van het Vossenplein kon men het kwijt. Niemand die nog geïnteresseerd was in het feit dat deze baby, Georges, geboren in volle oorlogstijd, na vier weken al voor het eerst had gelachen en met Kerst 1942 zijn eerste tandje had gekregen. Ik legde het album terug. Het kostte me grote moeite het niet te kopen. Ik had thuis al een album van een baby die ik niet kende, Dominique, geboren in 1961. Als ik me niet beheerste zou ik elk afgedankt babyalbum adopteren.

Wanneer ik hier dingen kocht, was het vaak niet omdat ik ze mooi vond of nodig had. Maar omdat ik er de handen in voelde die ze eerder hadden aangeraakt. Deze keer werd ik getroffen door een oud kookboek met een stoffen omslag dat er met de hand omheen was genaaid, rood-wit geruit, het wit verkleurd tot beige. Er was een tijd geweest dat mensen maar één kookboek bezaten, dat beschermd werd om een leven lang, zelfs meerdere generaties mee te gaan. Nu lag zo’n boek hier in een doos tussen de rommel. Ik kocht het niet. Het was een gok. Soms was ik het voorwerp de volgende dag alweer vergeten, soms bleef het nog jaren door mijn hoofd spoken. Zo werd ik nog geregeld geplaagd door de gedachte aan een gele gietijzeren pan en een turkooizen theemuts met oranje bloemen die ik hier jaren geleden had laten staan.

Ik kwam bij twee tafels waarop een grote lading boeken was uitgestort. Helemaal onderaan zag ik een titel die me aansprak, “Voer voor psychologen”. Ik trok het boek voorzichtig vanonder de andere boeken. Ik hield het de verkoper voor en vroeg de prijs. Hij nam het boek van me over, bekeek aandachtig voor- en achterkant met een geveinsde kennersblik. Alsof ik net die ene schat tussen de rommel had gevonden. Hij vroeg te veel voor het verfomfaaide exemplaar, ik dong af, hij gaf niet toe. Ik liep weg, hij riep me na dat het goed was. Zo ging het spel. Ik liep terug en kocht het boek.

Mijn oog viel op een bokaal met gedroogde kamillebloempjes. “1987” was met zwarte alcoholstift op het deksel geschreven. Ik zag nog twee dozen vol gelijkaardige bokalen. Iemand had, jaar na jaar, deze bloemen langs bermen geplukt, ze ergens in huis te drogen gehangen, ze een voor een van de steel geknipt en in bokalen bewaard. Tevergeefs. Hun thee was nooit gedronken, hun geur lang vervlogen, hun kalmerende werking vergeten, hun medicinale kracht ver verstreken. Misschien hadden ze blonde haren een gouden gloed moeten geven. Was de vrouw die ze geplukt had overleden. Dat ze hier toch nog te koop werden aangeboden, vervulde me met melancholie.

Ik nam plaats op een terras, aan een tafel van vier, rug tegen de gevel, gezicht in de zon. Naast mij, ook aan een tafel van vier, zat een man met een zwarte vilthoed. Hij zat aan de linkerkant, ik aan de rechter. Tussen ons in waren twee vrije stoelen. Ik bestelde een koffie en nam de krant uit mijn rieten tas. Een man met kort grijs haar vroeg in het Frans aan de man met de hoed of de plaats naast hem vrij was. Hij verwachtte iemand. “Vous pouvez vous installer à côté de moi,” zei ik. Hij kwam naast me zitten en legde zijn De Morgen naast mijn De Standaard. Zoals zo vaak in deze stad, had ik Frans met een Nederlandstalige gesproken. Ik zei er niets van.

“Is die plaats naast u vrij?” Nu was het een vrouw die het vroeg. “Ik wacht op iemand, maar gaat u gerust zitten,” zei de man met de hoed. “Ik moet in de zon zitten, zodat mijn haar kan drogen,” zei ze. Ze was gaan zwemmen. Verheugd merkte ze de man naast mij op. “Ah, gij zat hier op mij te wachten!” Ze ging zitten. “Mag ik een stuk van uw krant?” De krant werd verdeeld, koffies besteld, pakjes tabak op tafel gelegd. Een groen, een geel, een blauw. Tigra, Ajja, Pall Mall.

Ik had nooit gerookt, maar soms genoot ik ervan mee te roken, vooral zelfgerolde sigaretten. Ik keek graag naar de vingers die de tabak verdeelden over het vloeiblaadje, de behendigheid van het rollen, de vlam die uit de aansteker kwam, het opgloeien van de sigaret. Zelfs het zacht inademen van de rook was me in open lucht vaak aangenaam.

De vrouw vertelde mijn tafelgenoot dat ze een boek aan het lezen was over de naoorlogse economische geschiedenis van Europa. Ze doorbladerde de krant en gaf commentaar bij een artikel over Poetin. Ik vond haar intelligent en prettig om naar te luisteren. Af en toe keek ik op. Ze zagen dat ik meeluisterde. Ze gingen niet stiller spreken, maar ook niet luider, zoals mensen soms doen wanneer ze zichzelf interessant vinden en merken dat ze publiek hebben. Het deerde hen gewoon niet dat ik een beetje deelnam.

“Dit heb ik gekocht.” Mijn tafelgenoot  toonde een dunne brochure aan zijn gesprekspartner. “Au-delà de la mort” door Kardinaal Danneels. Hij leek me niet gelovig, maar wel iemand die zich voor veel uiteenlopende dingen interesseerde. Het hiernamaals was daar waarschijnlijk een van.

Ik toonde hem het boek dat ik gekocht had. Op de cover stond een met enge blik zijwaarts kijkende man, van wie het vel was gestroopt. Pezen, spieren en vlees lagen bloot, van penis en scrotum schoot nauwelijks iets over. Het was een bijna vijfhonderd jaar oude houtsnede uit het anatomieboek van Andreas Vesalius. Hij nam me het boek uit de hand en zei, zonder erin te kijken: “Het is een derde druk hè.” Hij verraste me. Hij moest het boek ook uit de grote stapel hebben gehaald. “Ik heb het thuis,” zei hij. Hij sloeg het open, daar waar stond:

Eerste druk maart 1961
Tweede druk april 1961
Derde druk juni 1961

Een hele tijd staarde hij ernaar. Hij keek op en zei: “Het is van mijn geboortejaar.” Ik zag dat het hem iets deed. “Is het mooi?” vroeg ik. “Ja,” zei hij en gaf me het boek terug. We zwegen. De vrouw was intussen gemoedelijk aan het praten met de man met de hoed.

Een man kwam aangelopen, steunend op zijn wandelstok. Van ver reeds wist ik dat hij de vriend was die verwacht werd. De man met de hoed riep hem iets toe, zijn vriend maakte rechtsomkeert en verdween weer tussen de kramen van het Vossenplein. “Zo begroet je iemand toch niet!” zei de vrouw met de natte haren verontwaardigd. “Gisteren kloeg hij erover dat niemand ooit “Tu m’emmerdes” tegen hem durfde te zeggen. “Ik wel,” zei de man met de hoed.

“Lente barst los” – de vrouw las het weerbericht voor, we lachten, het was zo’n zinloze mededeling op het zonnige terras. Ze niesde een paar keer. “Helaas barst het niezen ook weer los,” zei ze. Zij las nu een artikel over de olifant. Onderzoek had uitgewezen dat deze op hetzelfde intellectuele niveau als de mens stond. Het waren buitengewoon intelligente, sociale en empathische dieren. “De Morgen besteedt daar bijna een hele bladzijde aan, Le Soir slechts een klein stukje,” zei ze.

De man met de wandelstok kwam weer aangelopen. Nu stond zijn vriend recht, liep naar hem toe en omhelsde hem stevig. Ze gingen zitten en begonnen te praten. Ik verstond hen niet, maar begreep dat zij een altijd doorlopend gesprek met elkaar voerden waarin stiltes nooit pijnlijk waren.

Een bij landde op de krant van de vrouw. Precies daar waar, op de verder zwart-witte bladzijde, een kleine gele bol stond afgedrukt, met daarin de namen van de auteurs van een opiniestuk, “Feminisme is een mannenzaak”. Hij moet van ver gedacht hebben dat hij het hart van een bloem zag. “Een wesp!” “Maar nee, het is een bij.” Opmerkelijk toch hoe wij steeds meer vervreemden van de natuur, dacht ik. We keken naar de bij in het midden van de bol. Even bleef hij zitten. “Zou hij willen dat ik dit lees?” vroeg de vrouw. Volgens mij wou hij ons wijzen op de massale, mogelijk catastrofale bijensterfte. Ik vond het een wonder dat hij de gele bol in deze bloemloze omgeving had gevonden. Toen hij merkte dat er geen stuifmeel te halen viel, vloog hij weg, even plots als hij gekomen was. Met vier keken we hem na, tot hij uit het zicht verdwenen was. Wanneer ik er ’s avonds aan terugdacht, scheen dit me het mooiste moment van de dag.

Ik hoefde niet te weten wie deze mensen waren, hoe ze heetten, wat ze deden. We dronken koffie, keken om ons heen, we luisterden, we lazen, we praatten, we zwegen. Het leek lang geleden dat ik nog zo aangenaam met anderen samen was geweest. Ik besloot mezelf evenveel tijd te geven als zij en te blijven zitten tot hun afscheid.

Tijd leek voor hen iets anders dan voor mij. “Welke dag is het vandaag?” vroeg de man met de hoed. Hij ging het rijtje af. “Vrijdag,” antwoordde zijn vriend. “Vrijdag,” antwoordde de vrouw. “Vrijdag,” antwoordde mijn buurman. “Zeker?” “Het staat toch op de krant?” “De krant kan zich vergissen. Het kan ook de krant van gisteren zijn.” “Wil je dat we een uitgebreidere steekproef houden?” Dat vond de man met de hoed niet nodig.

Ik was klaar met De Standaard en haalde nu een roman boven. Mijn buurman vroeg of hij mijn krant mocht lezen. Hij begon bij de literatuurbijlage, bij een stuk over een heruitgegeven roman van Julio Cortázar. “Dat moet ook een mooi boek zijn,” zei ik. “Cortázar is in Brussel geboren. Dat wist ik niet,” antwoordde hij. “Ik ook niet.” ’s Avonds las ik dat de schrijver honderd jaar geleden, op 26 augustus 1914 in Elsene was geboren en daar zijn eerste twee levensjaren had doorgebracht, in de Louis Lepoutrelaan 116, waar nu een standbeeld van hem stond. Ook Vesalius was in Brussel geboren, vierhonderd jaar eerder, op 31 december 1514. Hij had zelfs in de Marollen gewoond, op een boogscheut van het nog onbestaande Vossenplein. In 1621 werd zijn voormalige huis afgebroken om plaats te maken voor de Miniemenkerk. Dat had ik niet geweten toen ik die voormiddag zijn illustratie zag op het omslag van het boek. Altijd zocht ik verbanden tussen mensen, dingen, plaatsen en data. Ik nam me voor de geboorteplaatsen van Cortázar en Vesalius spoedig eens te bezoeken.

Mijn buurman was klaar met De Standaard, de vrouw vroeg of ze hem mocht lezen. Hij draaide zich naar haar toe om de krant te geven. Met een kleine schok zag ik dat hij, op het achterhoofd, een grote letter T in zijn grijze haar had getrimd. De eerste letter van mijn voornaam. En van Toeval.

“Loonkloof gehalveerd in 10 jaar.” De vrouw las de kop luidop voor. “Bizar.” Ze las de kop van Le Soir, die naast haar lag: “Les femmes gagnent 21% de moins que les hommes. Ze moeten zich op dezelfde cijfers gebaseerd hebben. Toch vertelt de ene kop iets heel anders dan de andere.” “Mag ik uw speculoos hebben?” vroeg ze aan de man naast me. Ze sloeg de bladzijde van haar krant om. “Belg moet vijf keer minder suiker eten.” Ze lachte. Alsof de krant haar terechtwees. “Weer twee straatrovers opgepakt” – ze schaterde. “Vanwaar halen ze het: straatrovers!” “Er zijn geen struiken meer om zich in te verschuilen,” veronderstelde de man met de hoed. De man met de wandelstok dook diep weg in de kap van zijn sweater. Het was lang geleden dat ik de krant nog zo interessant had gevonden. En amusant.


De marktkramers begonnen op te ruimen. Dat was het moment waarop je koopjes kon doen. Zonder iets te zeggen liep mijn buurman naar het plein. Zijn leesbril en zijn zonnebril bleven op tafel liggen, met zijn pakje tabak. Hij was er vanuit gegaan dat ik zijn spullen zou bewaken. Ik kon nu niet weggaan voor hij terug was. Ik las verder. Een hevige windstoot blies zijn tabak op de grond. Ik boog me voorover, raapte het pakje op dat onder onze tafel was terecht gekomen. Zorgzaam legde ik het op de tafel, zette de asbak erop zodat het niet meer weg kon waaien.

De vrouw stond recht, ze moest ervandoor. Even later kwam ze voorbij gefietst, met wapperende, inmiddels droge haren. Mijn buurman bleef lang weg. Ik dacht aan het rood-beige geruite kookboek. Zou ik gaan kijken of het er nog lag en het alsnog kopen? Maar ik wou de spullen van mijn buurman niet onbewaakt achterlaten, bovendien zou mijn plaats bij terugkomst waarschijnlijk ingenomen zijn.

Een oude man kwam voorbij, graatmager, lang grijs haar, lange baard. Hij droeg een versleten beige regenjas waaraan allerlei vondsten van de rommelmarkt waren vastgemaakt: flessen, kopjes, belletjes, stofjes, sleutelhangers, poppetjes. Hij hing hier duidelijk vaak rond. Een Nederlandse toeriste vroeg of ze een foto van hem mocht maken, hij poseerde gewillig. Hij haalde een aardewerken Kerstman uit zijn tas, liep naar een kind en gaf het de Kerstman. Het jongetje wist niet goed wat gedaan, maar nadat zijn vader hem daartoe aanspoorde, nam hij het beeld aan en zei merci.

Daar was mijn tafelgenoot weer, hij droeg drie boeken onder de arm. Hij vroeg naar de vrouw. Ik zei dat ze net vertrokken was, hij leek teleurgesteld. We keken samen in zijn geïllustreerde boeken, een over Congo, een over India, een over Nieuw-Zeeland. Ik stond op om naar het toilet te gaan, vroeg of hij op mijn spullen wou passen en liep naar binnen. In de spiegel zag ik dat mijn gezicht al wat zon had gevangen. Ik stiftte mijn lippen in de kaneelroze kleur waarzonder ik niet kan.

Ik nam weer plaats op het terras. Het was tijd om mijn tocht verder te zetten. Naar de bovenstad, dan via het Egmontpark en de Zavel naar het centrum. Mijn tafelgenoot keek naar me en zei: “Er zit iets in je haar”. “Ja, het zit er al de hele tijd,” zei de man met de wandelstok. Zij hadden mij ook geobserveerd. Ik ging met mijn hand door mijn haar, twee keer, tevergeefs. Mijn haren waren het gevoeligste deel van mijn lichaam. Slechts een paar mensen mochten me daar aanraken. Mijn tafelgenoot stak zijn hand naar me uit. Met een nonchalant gebaar, alsof we elkaar al jaren kenden, plukte hij iets uit mijn haar. Het was een driehoekige snipper bruin papier, van een boek, een omslag of een oude brief. Ik legde hem voor me op de tafel, we lachten. Ik had nu makkelijk iets kunnen vragen over de betekenis van de T in zijn haar. Maar ik zweeg.

Ik stond op. Zij bleven. Drie uur had ik hier gezeten. Ik moest me gewonnen geven. Zij hadden meer tijd dan ik.

“Tot ziens,” zei ik. Ik vroeg me af of ik mijn tafelgenoot nog terug zou zien. Soms kwam ik zo’n vriendelijke vreemde de volgende week alweer ergens tegen. Soms bleef ik hem vervolgens overal tegenkomen. Soms pas een jaar later, of nog langer. Of zag ik hem pas weer wanneer ik niet meer wist vanwaar ik zijn gezicht kende. Misschien zag ik hem nooit meer, maar zonder hem te vergeten. “Tot ziens,” zei hij. Ik wandelde in de richting van de grote glazen lift.

Deze tekst schreef ik in 2014 en zond hem in voor de verhalenwedstrijd van Bruzz – toen nog Brussel deze Week. De tekst was niet bij de acht verhalen die gepubliceerd werden. Gisteren vernam ik dat café Chaff op het Vossenplein failliet is door de coronacrisis. Het was mijn favoriete terras, en dit verhaal speelt zich er af.

Boven de stad

Nog negen minuten voor de negentien komt. Omdat ik niet graag stilsta, stap ik naar de volgende halte. Wanneer ik daar aankom, duurt het nog steeds negen minuten voor de negentien komt. Ik loop door naar het station. Ook hier moet ik nog negen minuten wachten, geeft het bord aan. Ik stap verder. Op de hoek van de straat, bij het kerkhof, rijdt de tram me plots voorbij. Het is niet erg, ik heb nog tijd.

Ik wandel tot ik bij een vijver kom. Die heb ik al eens eerder gezien, in een droom van twee dagen geleden. Toen zat ik hier aan een tafel en las een krant. Een plotse windstoot deed de krant opwaaien. Hij dwarrelde naar beneden, in de vijver. Zonder me eerst te ontkleden dook ik hem achterna en redde hem. Ik vouwde de doorweekte krant open. In het midden zat een gat ter grootte van mijn gezicht.

Vandaag is het windstil. Een paar dagjesmensen zitten in het gras, drie nijlganzen staan bij de rand van het water. Ik wandel verder en zoek mijn weg met de routewijzer van mijn telefoon. Die stuurt me een paar keer heen en weer. Het lijkt of ik telkens ergens voorbij loop.

Dan zie ik het. Een gewelf met een stenen trap. Hier moet ik naar boven. Mijn bestemming bevindt zich op een ander niveau. Ik ga de trap op. Niemand ziet me hier, het voelt een beetje eng. De trap leidt naar een brug uit een andere tijd, hij heeft een grandeur die we nu niet meer kennen. Ik loop eroverheen en kom bij een lange hoge muur. Hier zijn geen zijstraten, ik moet de muur volgen op het smalle voetpad, terwijl auto’s me voorbijsnellen. Net wanneer ik begin te vrezen dat de muur eindeloos is, stopt hij. Ik sla de hoek om.

Daar is een poortje. Vorige keer heb ik deze ingang niet gevonden. Ik begrijp nu waarom, hij ligt zo goed verborgen. Weer zie ik trapjes. Bovenaan de trapjes, tussen de helleborussen staat een koppel in een innige omhelzing, kussend. Ik observeer hen even, ga dan naar binnen. Ik loop het kussende paar voorbij, ze merken me niet op. Nu bevind ik me nog een niveau hoger, op een smal paadje. De hoge muur die zojuist links van me was, loopt nu rechts van mij en is maar half zo hoog meer. Ik kijk neer op de auto’s. Even draai ik me om: het koppel is verdwenen.

Ik volg het smalle paadje en sta plots in een grote, aangelegde tuin, hoog in de stad. De straten waar ik zonet gelopen heb, zijn nergens meer te bekennen. Alsof ik in een parallelle wereld ben hoog boven de begane grond. Ik lijk me op de hoogte van de kruinen van de bomen te bevinden en van de toppen van de torens die ik in de verte zie. Links en vrij dichtbij een kerk, rechts in de verte buildings. Vlak voor me, centraal in het landschap, in een zee van duingras, eist een expressief boompje zijn plaats op. Zijn kale, dunne takken en haarfijne twijgjes zijn tegelijk kwetsbaar en krachtig. Het boompje doet me sterk denken aan het affichebeeld van een sprookjesachtige film. Ik wil die film zoeken en bekijken.

Narcissen bloeien langs de rand van het pad. Een jonge vrouw poseert er voor haar vriendin. Ze heeft een oudroze deken om zich heen geslagen. Ze neemt verschillende houdingen aan terwijl haar vriendin foto’s neemt. Ze zien niet dat ik hen vanuit de verte fotografeer. Door de narcissen heen.

Op een bankje zit een gezin alsof ze hier elke zondag samenkomen, een ouderpaar en drie volwassen kinderen, ze lachen en praten over een Franse film. En over de actrice die daarin zo’n mooie tailleur draagt.

Twee vrienden wandelen onder een brugje door, een van hen raapt iets op van de grond, zijn vriend wacht op hem. Families picknicken in het gras. Twee kinderen voetballen in een verborgen hoekje. Deze tuin is al deze mensen vertrouwd, maar ze lijken de stilzwijgende afspraak te hebben hem geheim te houden.

Een beetje verder kom ik bij een uitkijkpost. Onder mij ligt een boomgaard waar een oude appelboom in bloei staat. Zo ver als ik kan kijken zie ik gras en bomen. Waar is de stad waar ik zonet nog was?

Ik loop verder, kom door een bosachtig stuk waaronder weer helleborussen groeien. De bomen begroeten me met hun grillige takken, even denk ik dat ze me vast zullen pakken.

Bij de rand van de tuin zie ik in de diepte onder me geraamtes van serres, overwoekerd door vlinderstruiken en een boompje met witte bloesems. Hier waren de geesten nog rond van de mannen die lang geleden deze tuin aanlegden.

Ik keer terug via het lange smalle paadje, ga door het kleine poortje naar buiten. Ik besluit niet langs dezelfde weg naar huis te gaan maar rechtsaf te slaan, de straat naar beneden. Er is niemand, er rijden geen auto’s, het is hier zo doods. Je zou hier op klaarlichte dag overvallen kunnen worden. Ineens sta ik voor een droomhuis, een reusachtige villa met rode ramen en dakgoten, rechts een gastvrij prieel in rood houtwerk. Het geeft me het gevoel aan de kust te zijn.

Wie zou hier wonen? Ik sta stil voor de gevel en fantaseer over het leven erachter. Iets doet mij besluiten aan te bellen. De bel klinkt luid en schel. Driiiiiing!

Zelfhulp

De man bij de ingang begroet me met een vriendelijk knikje naar de handgel-dispenser. Die is hier gul, weet ik, hij geeft je snel te veel. Voorzichtig trek ik aan het hendeltje, wrijf mijn handen in. Ik volg de witte pijlen op de vloer naar rechts, waar de aanwinsten staan.

Er staat een karretje vol nieuwe boeken. Twee vrouwen zijn ze samen aan het uitstallen op een grote tafel. Ik zie dat het zelfhulpboeken zijn. Dat is nodig in deze tijd. Het wordt steeds moeilijker om elkaar te helpen.

Wanneer je lichaam nee zegt.

De kunst van het ongelukkig zijn.

Lekker lang leven.

Beter leren leven met pijn.

Slaap: het nieuwe medicijn.

Zit seks tussen de oren?

Koester je boezem. 

Achterwerk: alles over het laatste lichamelijke taboe.

Kusje erop: de waarheid achter 70 gezondheidsmythes.

Ademen: hoe lucht je leven kan veranderen.

Voor alles bestaat een boek. Slapen en ademen zijn hun vanzelfsprekendheid kwijt. Ze gaan niet meer zomaar. We moeten ze opnieuw leren. Ik vind alles interessant, denk dat elk van deze boeken mij zou kunnen helpen. Ik zou me er een burn-out aan kunnen lezen.

De twee vrouwen amuseren zich met het uitstallen. Niets gebeurt ondoordacht. Welk boek leggen we naast de migraine? De menopauze? De immuniteit? Geen enkel boek wordt willekeurig op de tafel gelegd. Hoewel ze nog niet klaar zijn, sporen ze me aan om mee te nemen wat me interesseert. Ze maken me ook warm voor de workshops die ze gaan organiseren.

Ik neem een boek over rust. Ik zeg dat ik graag wil weten wat rust is. Want ik voel me altijd wat onrustig als goedmenenden me aanmanen rust te nemen. Wat moet ik dan doen? Niets? Moeilijk. Wat is rust eigenlijk? De vrouwen begrijpen me. We praten ook over gezichtscrèmes, zij zweren bij de blauwe doos en hebben het over de zinloosheid van oogcontourcrèmes. Ik wens hen nog veel plezier en loop naar de inleverautomaat.

Die heeft ook hulp nodig, hij is niet in staat mijn teruggebrachte boeken in te slikken. Ik begeef me naar de balie op de eerste verdieping. Daar vraagt een vrouw met een hoofddoek in het Frans naar een boek dat haar dochter nodig heeft voor school. Ze denkt dat het ‘De chefkok van Monaco’ heet. De man achter de balie vindt het niet in het systeem. Ik spreek de vrouw aan in het Nederlands, ze kent de taal maar is bang om ze te spreken. Ik zeg dat ik lerares Nederlands ben en dat ze een goed niveau heeft. Ze kent mijn school, heeft er les gevolgd. Ik weet welk boek ze bedoelt, ik zie de cover voor mij. Na even zoeken vind ik het op mijn telefoon: het gaat om ‘De keukenprins van Mocano’. We lachen. Ze had het toch ongeveer juist. De man van de bibliotheek bedankt me.

‘Kan ik u helpen, zoekt u iets?’ hoor ik achter me. ‘Ja, ik zoek mijn vrouw.’ Ik herken de stem van mijn man. Een steward heeft hem aangesproken. Hij heeft niet veel werk vandaag, het is heel rustig. Mijn man toont me blij een film die hij net heeft uitgeleend, ‘Green book’.

Samen lopen we naar de uitgang. Op het gelijkvloers worden we opnieuw aangesproken. ‘Jullie komen hier al heel lang he?’ Ze werkt hier al zolang ik hier kom, een jaar of vijfendertig. Ze kent ons allebei al jaren van zien, maar wist niet dat we samen waren. Ik haal herinneringen op aan de tijd dat ik als twaalfjarige de trein naar Brussel nam om boeken te ontlenen. Omdat ik in mijn provinciestad alle leuke boeken uit de jeugdbibliotheek gelezen had. Toen  Muntpunt nog de Hoofdstedelijke Openbare Bibliotheek was. De boeken stonden verspreid over de verschillende etages van een stoffig herenhuis met tapijt op de trappen. In die tijd sprak ik soms met haar, want ik kende haar zus. Maar in de loop der jaren leek ze me niet meer te herkennen. Na de verbouwing leek de hoeveelheid rechtstreeks aan te spreken medewerkers omgekeerd evenredig met het aantal vierkante meters.

Vandaag is er weer tijd en plaats voor een praatje.

Bij het buitengaan loop ik nog snel even tegen de pijlen in naar de tafel bij het begin. De twee vrouwen zijn klaar, vermoedelijk nemen ze nu hun lunchpauze, verder brainstormend of mediterend. Ik maak een foto van hun werk. Net op dat moment opent een deur tegenover de tafel en komt een andere bibliotheekmedewerker tevoorschijn. Hij vraagt lachend of we van het journaal zijn. Ik vertel hem over mijn blog en dat we in Jette wonen. Jette, daar heeft hij nog gevoetbald, antwoordt hij terwijl hij een koffie uit de automaat haalt.

We lopen naar de uitgang. ‘Tot straks!’ zegt de man.

We lachen. Tot straks? Hij zag toch duidelijk dat we vertrokken?

‘Straks’ maakt het draaglijker, zeg ik tegen mijn man. Misschien moeten we wat vaker ‘tot straks’ zeggen.

Bij het buitengaan kan ik de royale handgel-dispenser niet ontlopen: hij geeft me een dubbele portie. Met beide handen wrijf ik de handen van mijn man in met mijn overtollige gel. Een intiem gebaar in deze steriele tijd.

Thuis in de tuin lees ik over de kunst van het rusten. In het boek staat een top 10 van wat mensen rustgevend vinden.

Op één: lezen.

Krant

Zaterdag 13 maart 2021. Eén jaar geleden veranderden onze levens heel ingrijpend. De krant besteedt er een hele bijlage aan, zie ik online. Er staat een artikel in over aanraking, of ons gebrek daaraan in het voorbije jaar. Dat wil ik graag op papier lezen, in een fysieke krant.

Snel trek ik mijn jas aan over mijn pyjama. De krantenwinkel is maar een paar huizen verder. Het heeft ’s nachts hard geregend en er staat een stevige wind. Het lijkt alsof de vuile stadslucht volledig is ververst, het ruikt naar zee, ik kan Oostende tot in Brussel ruiken. Ik trek mijn mondmasker een beetje van me af om de lucht op te snuiven. Meer nog dan aanrakingen mis ik frisse lucht.

Het is druk in de krantenwinkel, zoals steeds op zaterdagochtend. Allemaal oudere mannen die lotto spelen. Er ligt nog één krant. De laatste krant hebben is zoals nipt de tram halen: een eenvoudig en direct geluk.

Ik ga in de file bij de kassa staan om te betalen. De persoon voor me heeft de voorlaatste krant gekocht. Mijn blik glijdt van de hand met de krant over de jas, een stevige donkerblauwe parka, naar het lichtblauwe mondmasker. Dan pas herken ik mijn vriendin F. Ze zou mijn moeder kunnen zijn, naar leeftijd.

Ik leg ter begroeting mijn hand op haar onderarm. Dat mag nog, vind ik. Ik zeg dat ik in pyjama ben en dat ik dacht dat ik in die korte tijd en afstand zeker niemand zou tegenkomen. Ze vindt mijn pyjamabroek best goed voor de dag komen. Ze vraagt hoe het met me gaat, ik vertel haar wat er scheelt. ‘Wat scheelt eraan’ is de titel van het boek dat ik haar uitleende maar dat ze niet gelezen krijgt. Het confronteert haar te veel met het naderende levenseinde. Ze excuseert zich dat ze het nog niet heeft teruggegeven en vraagt of het goed is als ze het in mijn brievenbus komt steken. Voor mij is het een boek over vriendschap, een spitsvondig geschreven vertelling die me ergens verzoent met mijn sterfelijkheid. Maar het levenseinde lijkt voor mij minder dichtbij dan voor haar, al weet je natuurlijk nooit, zeker niet in deze tijd.

Het is aan mijn vriendin. Ze bestelt een pakje sigaretten. We praten over de vreselijke afbeeldingen die tegenwoordig op de pakjes staan. Op haar pakje ligt een zieke magere vrouw te bed, een hoofddoek rond het kale hoofd gewikkeld. Het is een van de minder erge afbeeldingen. Ik zeg dat ik het jammer vind dat sigaretten tegenwoordig merkloos zijn. Ze vertelt dat ze vroeger Boule D’Or rookte. Ik wijs haar op twee boeken die op de toonbank liggen. Marie Curie en Simone Veil sieren de covers. Een Franstalige krant heeft een reeks gemaakt over sterke vrouwen.

De krantenboer verbaast zich erover dat F. en ik vriendinnen zijn. Hij kent ons al jaren, maar zag ons nooit eerder samen. ‘Vous êtes tous les deux formidables!’ zegt hij. Mijn vriendin zegt dat de krantenboer ook formidable is. Hij overwon onlangs kanker. Ik heb een moeilijke relatie met de krantenboer, ik vind hem een flauwe plezante. Het stoort me vooral dat hij me altijd in zijn beste Nederlands ‘brave mevrouw’ noemt. Ik wil dan beginnen roepen dat ik niet braaf ben.

De krantenboer geeft ons een cadeau. Hij heeft er nog net twee. Het is een boekje met kruiswoordraadsels en sudoku’s dat als bijlage bij Libelle zat. Mijn vriendin en ik hebben geen kruiswoordraadsels en sudoku’s nodig om ons bezig te houden. We aanvaarden de attentie dankbaar.

Zij moet gaan, ze heeft nog veel te doen vandaag. We nemen afscheid.

Met een ander gemoed dan bij mijn vertrek, stap ik de enkele meters naar huis. Als ik me eerst had aangekleed, had ik mijn vriendin niet ontmoet. Dan had ik allicht ook geen krant meer gehad. Ik dank het toeval, dat me het voorbije jaar niet in de steek liet.

Weer thuis kook ik een ei, rooster ik brood, snijd het in soldaatjes. Ik leg de krant op tafel, mijn gezelschap bij het ontbijt.

Party

De kant met de bomen of de kant die is opengebroken? Moeilijk kiezen altijd hier. De kant met de bomen lijkt logisch, maar altijd ligt er een dode rat. Dat weet ik, en toch schrik ik er iedere keer weer van. Omdat ik telkens hoop dat er deze keer eens geen dode rat zal liggen. Het is donker, het regent hard. Toch maar de kant waar de smalle stoep is opengebroken en waar ik een stuk op de straat moet lopen, dicht bij het drukke verkeer.

Nu nog voorbij verschillende sluikstorthopen. Deze buurt maakt me altijd moe. Toch kom ik naar hier om me beter te voelen. Ik ben blij dat ik vandaag nog kon komen.
Vanmiddag kreeg ik een bericht:
Om 18u hebben wij nog een plekje in de tent.
P.S.: De koning is net op bezoek geweest bij ons!
Het informele  van de laatste mededeling verbaasde me enigszins. Maar ik kon het enthousiasme wel begrijpen. Een buurt vol afval en dode ratten is niet meteen de biotoop van de koning.

Straks geef ik online les. Met wat geluk ben ik tijdig terug thuis. Ik kom bij de tent, een beetje te vroeg. Ik mag in de voortent wachten. Ironisch. Deze partytent in een tijd zonder party’s, deze zonnetent in de herfst. Er hangen zelfs feestelijke vlaggetjes. Iemand hier heeft gevoel voor humor. Of hangen ze er omdat de koning op bezoek was?



Hij verwelkomt me hartelijk. Ik ken hem niet, heb hem hier nog nooit gezien. Ik mag in het achterste deel van de tent plaatsnemen, een klein apart kamertje. Hij stelt me direct op mijn gemak. Hij tikt mijn gegevens in op zijn computer. Hoe primitief ook, alle materiaal is hier voorzien.

Ik zeg dat ik blij ben dat ik zo snel mocht komen, want dat ik nog les moet geven. ‘Toch niet in de klas? Als je nu hier bent, is dat geen goed idee.’ ‘Nee, vandaag online. Maar anders wel nog in de klas, in kleine groepjes, mijn cursisten hebben dat liever.’ ‘Mogen zij dat zelf beslissen?’ vraagt hij. ‘Dan zijn het zeker geen kinderen.’ Ik vertel hem over de volwassenen uit mijn klas.

Ik zeg dat ik bezorgd ben, me niet meer zo veilig voel de laatste tijd. Vooral op het openbaar vervoer. Hij begrijpt me. ‘Ik kom ook elke dag met het openbaar vervoer naar het werk, ja, het is erg.’

Hij kijkt in mijn keel, luistert naar mijn longen. Ik vraag me af hoe hij mijn ademhaling kan horen doorheen de regen die op de tent klettert. Hij is opvallend goed gehumeurd. Op deze donkere, natte avond, in deze sombere buurt en met de zorgen en het vele werk die de epidemie met zich meebrengt? Ik kan het niet goed rijmen. Het zal een overlevingsstrategie zijn. Of is hij nog feestelijk gestemd door het bezoek van de koning?

‘Dit zal niet je aangenaamste moment van de dag zijn,’ zegt hij vrolijk, met het lange dunne buisje in zijn hand. Ontspan je goed.’ Het voelt zoals water in je neus krijgen bij het zwemmen, maar dan tien keer erger. Als het voorbij is, voel ik het nog steeds prikken in neus en oor. ‘Zo, het is al gedaan!’ Hij maakt het staal klaar voor verzending naar het labo. Opgewekt licht hij me in over het vervolg.

‘Bent u hier een vaste arts? Ik heb u hier nog nooit gezien.’
‘Ik loop hier een jaar stage. Ik heroriënteer me.’
‘Wat deed u dan vroeger?’
‘Ik was advocaat. Daarom dat ik zoveel praat!’

Ik zie hem in een zwarte toga in de rechtbank, dan weer in zijn witte doktersjas met korte mouwen in de zonnetent in de regen. Ik begrijp goed dat hij dit zoveel liever doet. Ik vraag me af hoeveel jaar  hij gestudeerd zou hebben. Ik vertel hem dat ik me ook geheroriënteerd heb, dat ik bediende was en nu sinds twee jaar leerkracht. ‘Ik heb grote bewondering voor u!’ zeg ik.

‘Ik ook voor u!’ We lachen, nemen afscheid, ik wil naar buiten door de voortent, maar nee, er is een aparte uitgang. Hij houdt een flap aan de zijkant van de tent voor me open. Rechtstreeks, zonder eerst mijn paraplu te kunnen openen, stap ik de gietende regen in. Het deert me niet meer.

Ik zal goed op tijd thuis zijn voor mijn avondles.

Vouwstoel

Nepzonlicht wekt me om zes uur. Even vloek ik. Dan sta ik op. Ik doe dit graag voor de cursisten van mijn school, voor de zieke collega die ik vanochtend zal vervangen.

Ik neem tram 19 tot halte De Wand. Het is gelukkig nog rustig op de tram. Het vroege opstaan is al vergeten wanneer ik bij De Wand in de verte de echte zon zie opgaan. Door het winteruur wordt het ’s ochtends weer vroeger licht. Elk jaar is het thuiskomen in het winteruur.

Nu nog een wandeling van een half uur, de bus nemen lijkt me geen goed idee. Er zijn meerdere scholen op mijn traject. Bus 53 zit op dit uur altijd vol met tieners en jonge kinderen en hun ouders. Dagelijks maak ik risicoanalyses en nieuwe regels: tram 19 kan nog, bus 53 niet meer.

Ik wandel langs de lange Versailleslaan, een chique naam voor een laan die verdeeld is in vrijstaande paleizen waarvan je alle kamers nooit kunt bewonen en mistroostige woonblokken waarin te veel mensen samenhokken. Ik loop voorbij een parel van jarenzestigarchitectuur, de villa Zonnewende van Roger De Winter. In de sociale woontorens verderop zien ze de zon net iets anders draaien.

In het centrum van Heembeek loop ik langs de kleine zeventiende-eeuwse Sint-Niklaaskerk, die al vele jaren een cultureel centrum is. Het doet me hier steeds aan een Frans dorpje denken. Ik wandel voorbij de bakker waar ik vorig schooljaar vaak een croissant ging kopen, de zaak waar ik mijn cappuccino ging halen en voorbij het Italiaanse restaurant waar mijn man en ik op een feestelijke avond in januari pizza aten, nadat we een mooi jazzconcert hadden bijgewoond. Moeten we vaker doen, zeiden we. Hoe onbezorgd we toen nog waren.

Rond acht uur kom ik aan bij het Peter Benoitplein, met zijn imposante Sint-Pieter en Pauluskerk in art-decostijl. Rechts ervan ligt de plek waar ik moet zijn, gemeenschapscentrum Nohva. Een modern gebouw dat je door zijn grote patio, zijn vele licht en warme houten balustrades met open armen ontvangt. Vorig schooljaar gaf ik hier met veel plezier les aan een fijne groep van zes. Tot het op dertien maart plots stopte en ik online moest doorgaan. Zonder afscheid ben ik vertrokken. Als er één ding is wat ik liever vermijd: vertrekken zonder afscheid.

De hoofdingang is nog dicht, maar de schoonmaakster ziet me en laat me binnen via de achterdeur. Ik ben blij dat ze me nog herkent met mondmasker, na al die tijd. Ik ben hier welkom, mag hier nog zijn, moet hier vanochtend zijn, ik word verwacht. Hoe niet vanzelfsprekend dit geworden is.

Ik voel tegelijk dankbaarheid omdat mijn job me toelaat nog mensen te ontmoeten en angst die me doet verlangen naar een nieuwe quarantaine. Met die angst valt het beter mee dan in het voorjaar, toen ik binnen mocht blijven en elk risico kon vermijden. Zoals je je angst voor slangen overwint door het beest vast te pakken en vliegangst door op het vliegtuig te stappen, zo vermindert de angst voor dit virus als je geregeld buitenkomt. Maar de laatste dagen is ze weer toegenomen, ik voel het virus steeds dichterbij komen.

Aan het onthaal zit niemand. Zal er nog iemand komen? Gisteren is beslist dat de culturele instellingen in Brussel weer op slot gaan. De deur naar het café is gesloten. Vorig jaar dronk ik in de pauze graag koffie bij Conny. Zij runt het dienstencentrum hier. Senioren kwamen er rummikub spelen en breien, koffie drinken en eten, hun verjaardag vieren en dansen op de maandelijkse party. Tijdens de pauze kwam ik hier met mijn cursisten. We werden bediend door vrijwilligers, gepensioneerden die in dit werk een plezierige en zinvolle bezigheid hadden gevonden. We interviewden hen eens voor het thema vrijwilligerswerk, hun enthousiasme was aanstekelijk. Hoe zou het met hen gaan, nu een wrede ziekte vooral mensen van hun leeftijd treft?

Ik ga naar boven, naar mijn klas. Door mijn plotse vertrek is didactisch materiaal van mij achtergebleven in de kast: een galgje-spel en een stilstaande klok. Pas nu ik het opschrijf, besef ik hoe symbolisch het is.

De volgende dag valt de BRUZZ in de brievenbus. Ik sla hem open. Verrast zie ik een foto van Conny. Het bijbehorende interview beantwoordt mijn vraag van de vorige dag. Conny vertelt dat ze niet heeft stilgezeten tijdens de quarantaine. Ze heeft gestreden tegen angst en eenzaamheid in haar gemeente.

Toen de coronacrisis losbrak, schoot ze meteen in actie. De telefoonnummers van de zeshonderd gebruikers van haar dienstencentrum verdeelde ze onder de vrijwilligers. Zij belden iedereen wekelijks op, zetten boodschappentandems op, zorgden voor maaltijden aan huis, naaiden zevenduizend mondmaskers en organiseerden gespreksnamiddagen over het opstellen van een levenseindeplan.

© Saskia Vanderstichele 

Op de foto in de krant zit een dame van een jaar of tachtig de deuropening van haar woonst, op haar rollator. Voor haar deur is een stenen trap, zou ze daar nog op en af geraken? Onderaan die trap zit Conny. Halverwege de trap, tussen beide dames in, zit het schoothondje van de oude dame. Conny’s linkerhand aait hem. Met haar rechterhand ondersteunt ze haar hoofd, zoals mensen vaak doen wanneer ze aandachtig luisteren.

Wat me ontroert in deze foto: de kwetsbare persoon kijkt naar beneden, de ondersteuner naar boven. Het is geen toeval. In haar bolderkar neemt Conny altijd een vouwstoel mee, zodat ze bij deurbezoeken op dezelfde hoogte als mensen in een rolstoel zit. Ook in de schaduw achter de dame staat iemand. Ze is goed omringd. We doen het zo vaak anders, gaan boven iemand staan, vaak ook met goede bedoelingen.

Conny vertelt hoe ze een eenzame vrouw in contact bracht met haar Afrikaanse buurman. De twee hadden nog nooit met elkaar gesproken. Nu doet de man boodschappen voor zijn buurvrouw. Als elk appartementsblok een bruggenbouwer had, dan zouden we vandaag minder moe zijn, besluit Conny.

Wat een blij weerzien. Ik wens de wereld meer Conny’s. Mensen met de vinger aan de pols van de samenleving. Die met hun kleine verhalen van elke dag de vinger op de wonde weten te leggen. Ik wil ze graag horen, lezen. Mensen die luisteren zonder vooroordelen, verbinden en strelen. Met een inspirerende daadkracht. We hoeven deze tijd niet lijdzaam ondergaan. Een vouwstoel kan volstaan.

© Saskia Vanderstichele 

Lees ook het interview met Conny Roekens van Steven Van Garsse in BRUZZ.

Met veel dank aan Saskia Vanderstichele voor haar mooie foto’s!