Het ivoren aapje

Na het werk liep ik nog even de stad in
Ik moest nog even naar de Nieuwstraat
Ik dacht, ik loop langs Het Ivoren Aapje
Het was een eeuwigheid geleden
Ik was benieuwd welke boeken het toeval me zou brengen

Ik keek in de etalage
In het midden stond overwegend Russische literatuur
“Eerste liefde” van Toergenjev
Toen richtte ik mijn blik wat meer naar links
Hij viel op de titel “De man voor het venster”
Wat ik grappig vond
Vermits ik daar een vrouw voor het venster was
Toen zag ik pas dat het van Maurice Gilliams was

Ik ging naar binnen
Vroeg wat het boekje van Gilliams kostte
En of ik het eens mocht inkijken
“Boek” verbeterde de verkoper me
Het was inderdaad dikker dan ik dacht
Hij pakte het en zei
Dertien euro
Dat vond ik een gelukkige prijs
Ik doorbladerde het en zag dat er artikels in zaten
Een kaart
En tekeningen

Ik kocht het
Zag de verkoper nog wat nieuwsgierig kijken
Misschien in de hoop dat ik uitleg zou geven bij mijn aankoop
Maar dat deed ik niet

Ik ging naar buiten, het boek nog in de hand
Zag aan de overkant een goede vriend
Ik zwaaide met de ene hand, stak met de andere het boek op
Hij stak de straat over
We keken er samen in
Ik zag op zijn gezicht hetzelfde plezier als ik voelde
Misschien zelfs een tikkeltje jaloezie
Wat heb je ervoor betaald, vroeg hij

Dertien euro
Dat is niet te veel, zei hij
We namen afscheid

Later op de metro doorbladerde ik het boek
Het is gedrukt in 1943
Het werd gekocht in januari 1955
De kindertekeningen dateren van 1954
De lidmaatschapskaart van het Thijmgenootschap
– Vereniging tot het bevorderen van de beoefening der wetenschap onder katholieken in Nederland – van 1964
Het artikel uit Elsevier van 1980
In de loop van zijn leven heeft Drs. K.C.J.W. de Vries uit Maastricht
Van tijd tot tijd dit boek geopend
En er iets tussen gestoken

Er staat een mooi ex-libris in met een vlinder erop

Dubbelganger

Vanochtend stapte ik op tram negentien, ging zitten en schrok, de man tegenover me leek sprekend op Bart De Wever, de zwaarlijvige versie evenwel, iets ouder ook, hij had vooral sprekend dezelfde ogen, dezelfde cynische blik en die diepe dubbele groef tussen zijn wenkbrauwen als was dat zijn dagdagelijkse gelaatsuitdrukking, de gelijkenis trof mij zo, dat ik moeite had om niet naar hem te kijken, maar telkens ik keek, wierp hij me zo’n kwade blik toe dat ik meteen de mijne afwendde, maar ook dan nog voelde ik aldoor zijn boze ogen in mij priemen, het moet vervelend zijn om als het evenbeeld van Bart De Wever door het leven te gaan, dacht ik, misschien had de man aan mij gezien dat ik hem herkend had, ik bedoel, dat ik zijn gelijkenis met de politicus had opgemerkt.

Vrijdag

“De dokter zei dat mijn moeder niet lang meer te leven had. Dat ze best naar een home zou gaan. We vonden er één waar ze snel terecht kon. Daar heeft ze nog negentien jaar geleefd.”

Het is vrijdag. Ik zit met mijn hoofd achterover geleund, wachtend tot het belletje rinkelt. De vrouw die naast me dit verhaal vertelt, kan ik niet zien. Eens hoorde ik hier zo’n aangrijpend verhaal, dat ik wegging zonder te betalen.

Ik ben hier voor iets fris, korts, roods, zomers. Het verhaal van spijt over negentien verloren jaren krijg ik erbij. De hoofdmassage ook. “Er zijn klanten die alleen maar daarvoor naar hier komen.”

Koffie krijg ik ook, wanneer ik verhuis naar een stoel voor de spiegel. Naast me zit nu een andere dame. Ze is heel mooi. “Bent u van hier?” vraag ik haar. “Ja, ik ben hier geboren.”

“Mijn dochter bloost net zo gemakkelijk als u, niets helpt ertegen,” zegt ze. “Ze is nochtans al zestig jaar.” Dan buigt ze zich fluisterend naar me toe: “Ik ben er vijfentachtig.” “U ziet er nog heel goed uit.” “Maar ik heb verdriet. Omdat ik mijn enige kleindochter en mijn achterkleinkindjes bijna niet meer zie. Ze woont te ver, ze werd verliefd op een Zwitser. Ze heeft geen tijd.” Even zwijgt ze. “Ach, zo lang ze maar gelukkig is.”

“Nee, niet creperen!” zegt ze streng. Ze krijgt nu krulspelden in.

Ik krijg een machine om het hoofd die warme lucht blaast, een moderne variant op de droogkap waar mijn grootmoeder elke donderdagochtend bij Yvette onder zat. Nu kan ik haar niet meer horen.

In de spiegel kijk ik in haar mooie blauwe ogen.

Berglucht in Beekkant

Vanochtend stapte ik in Beekkant op de metro en snoof een kruidige houtgeur op die me meteen naar Oostenrijk voerde, naar het gezin waar ik als achttienjarige in de zomervakantie Duits zou leren, maar dat viel tegen want ze zeiden “Muuch” in plaats van “Milch”, ik verstond hen nauwelijks, ze woonden in een zelfgebouwd houten huis boven op een berg, aten vegetarisch en waren naturist, ik was er eerder een toerist, speelde met de vijf jonge kinderen, die heel creatief waren en ’s nachts buiten op het balkon sliepen, werkte in de bovenmaatse moestuin, plukte “Schachtelheim” in het woud waarmee ik een onkruidbestrijdend product brouwde, zeker een uur moest ik er in roeren met een houten stok, in wijzerzin en wanneer een draaikolk ontstond in tegenwijzerzin en dan weer in wijzerzin, zo eindeloos door, tot het brouwsel het toppunt van zijn middelpuntvliedende én onkruidbestrijdende kracht had bereikt en we er de tuin mee konden besprenkelen, ik werd er bedwelmd door klankschalen, we aten er “Hirseauflauf” en “Ribiselkuchen”, ik viel er in de kleine benauwde keuken flauw bij het schillen van op het houtfornuis gekookte aardappelen voor zeven personen, hielp met het schuren van balken in het tweede, grotere houten huis dat ze wat hoger op de berg aan het bouwen waren, schreef er vele brieven aan mijn lief en aan mijn ouders en ondernam dagelijks een queeste naar onze brievenbus beneden in het dal – in de hoop dat er nog een bericht was uit de bewoonde wereld.

Zaterdag zeven mei 2016

cropped-dscf5419.jpgZaterdag zeven mei 2016. Een van de eerste kramen waar ik stilsta, is er één met kartonnen dozen vol oude foto’s en ansichtkaarten. Sommige staan op de grond, andere op een tafel. In de tweede doos op de tafel vind ik een mooie foto, van een boom in bloesem, roze tegen een turkoois blauwe hemel. Er ligt ook een kleine kalender in, van 1949. Bovenaan elke maand is een foto gekleefd, portretjes van steeds dezelfde twee kindjes, een jongetje van een jaar of drie en zijn babyzusje. Soms samen, soms alleen. Deze kalender is oneindig veel mooier dan de kalenders die ouders tegenwoordig zelf maken met behulp van fotosites. Strakker en soberder, met foto’s in zwart-wit en in een mooier lettertype. Gedrukt in een soort spiraalschrift op stevig karton en daardoor duurzaam. De portretjes verschillen niet veel van elkaar. Op twee foto’s draagt het jongetje een muts, in februari en vreemd genoeg in de maand juni. Ik rommel nog even in de doos, er zit een schat aan oude foto’s in. Ik ben nog maar pas op het Vossenplein en wil eerst langs alle kramen wandelen alvorens ergens lang stil te staan. Dus ga ik verder.

DSCF5417Er zijn weer veel wereldbollen vandaag en ook veel vergieten – opmerkelijk toch dat dit woord slechts één letter verschilt van vergeten – en ons geheugen ook vaak een zeef genoemd wordt. Ik koop een zelfgemaakt kastje om sleutels in te hangen, er zitten nog sleutels in, waarvan één heel oude – zouden de deuren waarop ze passen nog bestaan? Bovenop een doos vol rommel ligt een schoolschriftje waarop iemand in knullige rode drukletters geschreven heeft LE SENS DE L’EXISTENCE. Het voelt voor mij soms zo, hier op dit plein tussen de oude rommel de zin van mijn bestaan te vinden – zeker op deze zonovergoten dag. Het opstel vertelt in sierlijke zwarte letters over de misantroop van Molière, Bérénice van Racine, Caligula en De pest van Camus en La Reine morte van Henry de Montherlant. De auteur mist wat christelijke schrijvers in het opstel en komt tot de conclusie: “Il est certain en tous cas que l’Homme ne sera jamais à la fin de sa recherche. Mais à ce stade, une option est à prendre: soit espérer que le décalage, l’incertitude seront résolus dans l’éternité soit ne rien espérer du tout.” Ik verbaas me erover dat een leerling uit een katholieke school een dergelijk werkstuk in het middelbaar heeft moeten schrijven – het dateert dan ook van het onheilige jaar 1969.

De bloesem en de kalender schieten me weer te binnen. Bij de doos staat nu een oudere man te snuisteren, hij heeft al verschillende foto’s uitgekozen. Hopend dat hij de bloesems en de kalender zal laten liggen, vat ik post bij de doos naast hem, veins interesse in de toeristische prentkaarten die daarin zitten. De man gaat systematisch door de doos, de berg kris kras door elkaar liggende foto’s worden in nette rijen gelegd. Hij haalt er een klein fotootje uit van een vrouw bij een kudde schapen, ik vraag me af wat hij er speciaal aan vindt. Er valt geen systematiek te ontdekken in de beelden die hij uitkiest, vaak zijn het niet eens goede foto’s.

Ik begin een beetje te dralen rond het kraam, het duurt lang eer hij klaar is. Hij lijkt wat zenuwachtig te worden van mijn aanwezigheid, maar gaat toch onverstoord voort. Na een kwartier staart hij even voor zich uit, ik vraag of hij klaar is, ga je gang, zegt hij. Ik vertel hem dat ik een mooie foto heb gezien, maar dat het niet makkelijk zal zijn hem nu nog terug te vinden. Dat is een misrekening, ik vind de bloesem vrijwel meteen, alsook de kalender. De man staat nu in de doos naast me te kijken. Ik vraag hem hoe hij de foto’s uitkiest. “Par hasard,” zegt hij. En of hij op zoek is naar bepaalde beelden. “J’essaie de sauver des traces.”

Intussen zit de eigenaar van het kraam oude fotoboeken te verscheuren. Misschien kunnen oude familiekiekjes ook beter versnipperd worden. Familiefoto’s zijn intiem, niet voor ogen van buitenstaanders bedoeld, levens horen niet op straat te liggen. Maar toch. Ik vraag de man wat hij met de foto’s doet. Hij vertelt dat hij ze in dozen op onderwerp sorteert en ze af en toe eens bekijkt. Meer niet. We snuisteren verder. Ik vind een foto van een man met zijn hond, bovenaan zijn stapeltje ligt een foto van een vrouw met haar hond. Ik merk op dat mensen vaak poseren met hun huisdier. “Absolument,” zegt hij. Voor mij is het genoeg, voor hem nog lang niet. Heel veel foto’s in de dozen beginnen op te krullen door de zon, zonde.

Ik blijf nog wat aarzelen. In deze man zit een verhaal. Ik schraap al mijn moed samen en vraag of ik hem mag interviewen over zijn collectie. “Pourquoi pas?” zegt hij tot mijn verbazing, want hij leek me eerder schuchter en kortaf. We praten nog even, hij toont me enkele van zijn foto’s. “Deze heb ik gekocht omdat dat kindje twee jaar werd en kaarsjes op de taart zet” – hij toont me een wazige, slecht gekadreerde foto. “Zo heb ik er veel, van verjaardagen.” Ik merk op dat het meestal die speciale momenten zijn die gefotografeerd worden en veel minder vaak het dagelijkse leven. “En deze foto omdat ze toen nog wollenfoto zwembroeken droegen.” Twee mannen poseren in gekke zwembroeken op het strand. “Ik heb veel foto’s van aan zee.” Ik toon hem de foto van een man en een vrouw op een terrasje, een mooi koppel. “Die heb ik niet gezien, anders had ik hem ook gekozen.” Op het oude notaboekje van Liebig dat ik net aanschafte, schrijf ik mijn naam en telefoonnummer, hij geeft me zijn kaartje. We zullen ons gesprek weldra verderzetten.

Een dame komt ons groeten, ook zij heeft foto’s in de handen, ze zegt dat ze ons gesprek met belangstelling gevolgd heeft en dat ze ook zo iemand is die sporen bewaart. We lachen. Dan nemen we afscheid. Wanneer ik een half uur later opnieuw langs het kraam passeer, zie ik dat de man daar nog steeds bezig is.

Bij thuiskomst bekijk ik nog eens de kalender van 1949. Mijn vader was toen één jaar, mijn moeder zou het jaar nadien geboren worden. Ik vraag me af op welke dag zeven mei toen viel. Op het moment dat ik me de vraag stel, ken ik het antwoord al. Omdat ik geloof in de kracht van het toeval. Zeven mei was in 1949 ook een zaterdag. De kalender kan in 2016 opnieuw dienen.

De rode valies

Wanneer ik terugkeer na het kerstweekend bij mijn ouders, staat zij daar, op het plein voor onze deur. Een rode valies. Het is onmogelijk haar niet te zien. Ze raakt me. Ze heeft iemand toebehoord, iemands persoonlijke spullen bevat, gereisd, dingen beleefd. Wie heeft op kerstdag de ingeving gehad om haar hier achter te laten, te midden van het Brusselaarsplein? Het lijkt alsof zij bij de halte staat te wachten op de bus. Voor de eerste keer alleen op reis. Is iemand haar vergeten? Is ze gestolen?

Iedere keer wanneer ik onze trap bestijg en door het raampje op de overloop naar buiten kijk, wordt mijn blik weer naar haar toegezogen. Haar felle rood op het winterse plein. Ik moet naar buiten. Haar eens vastnemen. Misschien zit er een verhaal in. Ik til haar op, ze weegt licht, rammelt niet. Ze heeft een cijferslot. Ik zie niet meteen hoe ze open moet en probeer het ook niet. Ik hoef haar niet te openen om te weten dat er niets tastbaars in zit. Misschien heeft iemand haar al leeggehaald. Ze draagt een label met een wat vreemde naam, die ik meteen vergeet. Ik zet haar weer neer en ga naar binnen.

De volgende ochtend kijk ik meteen of ze er nog staat. Iemand heeft haar in de loop van de nacht een beetje verplaatst, zij staat nu naast een boom. Verbaasd stel ik vast dat ik blij ben dat zij nog steeds aanwezig is. Het valt me op dat de meeste passanten haar ondanks haar felle kleur niet lijken te zien. Het lijkt alsof zij voor de meeste mensen onzichtbaar is. Vanuit mijn schrijfkamer zie ik hoe drie jongetjes van een jaar of acht naast elkaar het plein overlopen. Als ze bij de valies komen, splitsen ze zich op: twee jongetjes lopen links van haar, de andere loopt rechts, hoewel daar nauwelijks plaats is. Toch merken ze de valies niet op.

Een man en een vrouw, zwaar geladen met boodschappen, komen aangelopen. De caddy van de man scheert, in hetzelfde felle rood, langs de valies. Alleen ik ben getuige van deze vluchtige coup de foudre tussen valies en caddy. De man gaat zitten op de bank, de vrouw blijft rechtstaan, ik zie hen ruziën. De rode valies staat vlak naast de geluidloos roepende vrouw. Alsof zij op het punt staat haar man te verlaten. Zou de valies nog een tweede leven krijgen? Of zouden de mannen van de reinigingsdienst haar meenemen voor een laatste reis?

Het wordt donker en zij zal zijn derde nacht voor onze deur ingaan. Met enige angst hoor ik het lawaai van de wagen van de reinigingsdienst naderen, ik zie zijn oranje zwaailicht op de muren van mijn duistere schrijfkamer flikkeren. Maar de valies blijft onaangeroerd. Het wordt weer stil op het plein, de voorbijgangers zijn gaan slapen. In haar eentje staat mijn valies daar te wachten. Ik heb haar mij toegeëigend, besef ik, zonder haar te willen bezitten. Ik wil alleen door mijn raam naar haar kunnen kijken, zien hoe mensen aan haar voorbijgaan.

De volgende ochtend bij het ontwaken, hoop ik, meer nog dan de vorige dag, dat zij er nog zal staan. Alsof er iets van af hangt. Ze is er nog. Een jonge vrouw in mantelpak komt van de overkant van de straat recht op hem afgestevend. Maar wat eerst doelgerichtheid lijkt, is haast om op het werk te zijn. Van de andere kant komt een tweede jonge vrouw op de valies toegelopen, haar eerste sigaret van de dag rokend. Ook zij gaat rakelings aan haar voorbij. Kort daarna is de valies verdwenen. Als ik even later terugkeer van een bezoek aan de tandarts zie ik dat ze aan de andere kant van het bushokje staat, naast de vuilnisbak. Iemand heeft erin gekeken, ze staat een beetje open. Nu pas voor het eerst open ik haar. Ze is leeg. Even later is ze echt weg.