De rode valies

Wanneer ik terugkeer na het kerstweekend bij mijn ouders, staat zij daar, op het plein voor onze deur. Een rode valies. Het is onmogelijk haar niet te zien. Ze raakt me. Ze heeft iemand toebehoord, iemands persoonlijke spullen bevat, gereisd, dingen beleefd. Wie heeft op kerstdag de ingeving gehad om haar hier achter te laten, te midden van het Brusselaarsplein? Het lijkt alsof zij bij de halte staat te wachten op de bus. Voor de eerste keer alleen op reis. Is iemand haar vergeten? Is ze gestolen?

Iedere keer wanneer ik onze trap bestijg en door het raampje op de overloop naar buiten kijk, wordt mijn blik weer naar haar toegezogen. Haar felle rood op het winterse plein. Ik moet naar buiten. Haar eens vastnemen. Misschien zit er een verhaal in. Ik til haar op, ze weegt licht, rammelt niet. Ze heeft een cijferslot. Ik zie niet meteen hoe ze open moet en probeer het ook niet. Ik hoef haar niet te openen om te weten dat er niets tastbaars in zit. Misschien heeft iemand haar al leeggehaald. Ze draagt een label met een wat vreemde naam, die ik meteen vergeet. Ik zet haar weer neer en ga naar binnen.

De volgende ochtend kijk ik meteen of ze er nog staat. Iemand heeft haar in de loop van de nacht een beetje verplaatst, zij staat nu naast een boom. Verbaasd stel ik vast dat ik blij ben dat zij nog steeds aanwezig is. Het valt me op dat de meeste passanten haar ondanks haar felle kleur niet lijken te zien. Het lijkt alsof zij voor de meeste mensen onzichtbaar is. Vanuit mijn schrijfkamer zie ik hoe drie jongetjes van een jaar of acht naast elkaar het plein overlopen. Als ze bij de valies komen, splitsen ze zich op: twee jongetjes lopen links van haar, de andere loopt rechts, hoewel daar nauwelijks plaats is. Toch merken ze de valies niet op.

Een man en een vrouw, zwaar geladen met boodschappen, komen aangelopen. De caddy van de man scheert, in hetzelfde felle rood, langs de valies. Alleen ik ben getuige van deze vluchtige coup de foudre tussen valies en caddy. De man gaat zitten op de bank, de vrouw blijft rechtstaan, ik zie hen ruziën. De rode valies staat vlak naast de geluidloos roepende vrouw. Alsof zij op het punt staat haar man te verlaten. Zou de valies nog een tweede leven krijgen? Of zouden de mannen van de reinigingsdienst haar meenemen voor een laatste reis?

Het wordt donker en zij zal zijn derde nacht voor onze deur ingaan. Met enige angst hoor ik het lawaai van de wagen van de reinigingsdienst naderen, ik zie zijn oranje zwaailicht op de muren van mijn duistere schrijfkamer flikkeren. Maar de valies blijft onaangeroerd. Het wordt weer stil op het plein, de voorbijgangers zijn gaan slapen. In haar eentje staat mijn valies daar te wachten. Ik heb haar mij toegeëigend, besef ik, zonder haar te willen bezitten. Ik wil alleen door mijn raam naar haar kunnen kijken, zien hoe mensen aan haar voorbijgaan.

De volgende ochtend bij het ontwaken, hoop ik, meer nog dan de vorige dag, dat zij er nog zal staan. Alsof er iets van af hangt. Ze is er nog. Een jonge vrouw in mantelpak komt van de overkant van de straat recht op hem afgestevend. Maar wat eerst doelgerichtheid lijkt, is haast om op het werk te zijn. Van de andere kant komt een tweede jonge vrouw op de valies toegelopen, haar eerste sigaret van de dag rokend. Ook zij gaat rakelings aan haar voorbij. Kort daarna is de valies verdwenen. Als ik even later terugkeer van een bezoek aan de tandarts zie ik dat ze aan de andere kant van het bushokje staat, naast de vuilnisbak. Iemand heeft erin gekeken, ze staat een beetje open. Nu pas voor het eerst open ik haar. Ze is leeg. Even later is ze echt weg.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s