Schoenen

WS-schoenen 1 WS-schoenen 2 WS-schoenen 3 WS-schoenen 4 WS-schoenen 5 WS-schoenen 6 WS-schoenen 7 WS-schoenen 8 WS-schoenen 9  WS-schoenen 11 WS-schoenen 12 WS-schoenen 13 WS-schoenen 14 WS-schoenen 15 WS-schoenen 16 WS-schoenen 17 WS-schoenen 18 WS-schoenen 19

Een straatje in Molenbeek

 

VermicelliEen somber en vuil straatje in Molenbeek: de Vermicellifabriekstraat. Mocht ik er wonen, dan zou ik mijn adres ongetwijfeld in het Frans zeggen: Rue de la Vermicellerie. Het genot die “vermicellerie” over mijn tong te laten rollen… Het is in Brussel heel gebruikelijk dat je als Nederlandstalige bepaalde straatnamen in het Frans zegt. Zo noemt iedereen de Maria Christinastraat de rue Marie-Christine, of zelfs kortweg de Marie-Christine. Weinigen zeggen Vlaamsesteenweg, want het is een foute vertaling van Rue de Flandre. De woorden avenue en boulevard verliezen hun grandeur in het Nederlands, waar ze allebei “laan” heten. Een Brusselaar kiest de bekendste of de best klinkende naam, vaak de Franse. De Boulevard Anspach of de Anspachlaan, de keuze is snel gemaakt. Dat laat me denken aan de “Avenue du Boulevard” in Sint-Joost. In het Nederlands heet die natuurlijk niet de Laanlaan, maar de Bolwerklaan.

De Vermicellifabriekstraat. Ik passeerde er vandaag voor de tweede keer, en meteen voelde ik hetzelfde als de eerste keer. Een instant-geluksgevoel. Vermicelli, het laat me denken aan de soepen van mijn grootmoeder. Net als tapioca, een op kikkerdril gelijkend ingrediënt zonder enige smaak. Ze zijn een beetje in onbruik geraakt. Marokkanen gebruiken nog veel vermicelli in hun keuken, in soepen of in gefrituurde hapjes. Zou deze straatnaam van voor of na hun komst dateren?

Er staat geen vermicellifabriek in de Vermicellifabriekstraat. Zoals er in de betonnen Peterseliestraat geen sprietje groen groeit. Maar dat bederft de pret niet, nee, het prikkelt de fantasie.

Soms heb ik weinig nodig om vrolijk te worden. Een bordje met “Rue de la Vermicellerie” is al voldoende. Zelfs als het een troosteloos straatje is, en een miezerige dag.

Krappe schoenen

Blue Monday, zogezegd de meest deprimerende dag van het jaar, ik zit op de metro met lichte hoofdpijn, verder gaat het wel, tegenover me zit een vrouw van in de dertig te telefoneren, met haar moeder, zo begrijp ik, naast haar zit een vrouw met oortjes in, zij hoeft niet mee te luisteren, het gesprek gaat over te kleine schoenen, die de moeder van de vrouw voor de kleindochter heeft gekocht, ze passen net, maar ik twijfel of ze ze op school wel zelf toe zal krijgen, zo krap zijn ze, zegt ze, en kijkt gepijnigd, als knelden haar eigen schoenen, ik begrijp haar, herken het, te klein gekochte schoenen en gekrompen nieuwe kleren vind ik ook vaak moeilijk te relativeren, haar aanblik is confronterend, ook omdat haar gezicht een heel andere taal spreekt dan haar stem, dit gaat over meer dan alleen maar schoenen, maar over de relatie met haar moeder, ik zie hoe moeilijk het is dit gesprek te voeren, hoe zij haar moed heeft verzameld, hoe wat ze zegt aan de andere kant echt niet aankomt,  het is niet de eerste keer dat ze in deze situatie is, misschien kan ik er nog krantenpapier insteken en ze zo wat oprekken, zegt ze, ik weet niet of je het ticket nog hebt en of ze nog kunnen geruild worden, “elles sont jolies, mais trop justes” besluit ze en beëindigt het gesprek zonder afscheidsgroet, dan pas ziet ze schuin tegenover haar, aan de andere kant van het gangpad een bekende, een blonde vrouw van rond de vijftig, ook zij heeft het hele gesprek ongetwijfeld gevolgd, “Ca va?” vraagt ze, de jonge vrouw antwoordt: “Ca va.”

Okselwarmte

Vrijdagochtend, ik sla de deur achter me dicht, zie dat er net een bus 14 komt aangereden, ik ren naar de halte aan de overkant, haal hem net, ik denk aan de vriend die ik soms op deze bus zie wanneer hij terugkeert van het UZ, het is een tijd geleden, ik moet hem schrijven om te vragen of alles goed met hem is, wat kan ik hem vertellen, wat is er gebeurd sinds ik hem het laatst zag, voor ik weet zijn we in Simonis, bij het afstappen staat een oude dame in de deuropening van de bus, ze vraagt of iemand haar kan helpen, ik ondersteun haar, ze heeft een gewatteerde jas aan, mijn hand onder haar arm voelt warm, ze heeft veel moeite met afstappen, ze moet echt hard op me steunen, ze draagt twee lege boodschappentassen, straks zal ze met gevulde tassen terugkeren, we zijn afgestapt, ze bedankt me, ik zou met haar mee de stad willen ingaan, samen boodschappen doen, ze dragen, haar naar huis begeleiden, zodat ze vandaag geen vreemden meer om hulp hoeft te vragen, ik zou mijn gevoel willen kunnen volgen, maar zet mijn tocht verder naar het werk, neem de metro, wanneer ik in IJzer bovengronds kom, denk ik even dat het miezert, ik steek mijn hand uit, hij blijft droog, het is de lucht die ik zie trillen.

Ontbijttijd

Ik ben vroeg vandaag, het is nog maar kwart voor acht, ik wacht op tram 19 bij halte Spiegel, naast me staat een treurig kijkende mooie blonde dame een pakje ontbijtkoekjes te eten, het soort dat men ons verkoopt als voedzamer en gezonder dan vieruurkoekjes, maar in werkelijkheid even vettig en gesuikerd is, de tram komt eraan, ik stap op, zij blijft staan, op de tram naast me eet een jong meisje een beetje troosteloos droge cornflakes uit een klein zakje terwijl ze een muziekje op haar mp3-speler kiest, het is ontbijttijd, op een later uur zie ik minder etende mensen, ik denk aan mijn overgrootvader zaliger die ik nooit gekend heb, toen hij eind jaren zestig een zakje chips etend de Villalaan waar hij woonde opwandelde, sprak de hele buurt er schande van, het verhaal haalde zelfs de overlevering, mijn oma vertelde het me vele jaren later, nu verbazen we ons niet meer over etende mensen op straat en vooral ook in stations, soms vind ik etend wandelen ook aangenaam, frieten, ijsjes en gepofte kastanjes vragen erom, maar het is toch erg dat vele mensen de woonst ’s ochtends met lege maag verlaten, de tijd niet nemen om gezond te ontbijten, er zijn op dit uur veel jonge mensen, schoolgaande jeugd en haast allemaal hebben ze draadjes die bungelen aan hun lichaam en verbonden zijn met oortjes in hun oren, waarom die behoefte om het leven steeds van een andere soundtrack te voorzien, ik beeld me in dat we in de toekomst ook oogjes in onze ogen zullen kunnen steken, die maken dat we de beelden bij onze tramrit zullen kunnen kiezen, dan zou ik met mijn oogjes allemaal mensen zonder oortjes kunnen zien, blije mensen die elkaar aankijken en met elkaar praten, of met zichtbare binnenpret voor zich uit staren, ook een verdrietig iemand en de passagier naast hem die spontaan zijn arm om hem heen slaat, ik zou in de tijd kunnen reizen en op elke dag in een ander decennium de tram nemen, ik zou eens helemaal alleen op de tram kunnen zitten en de volgende dag met mijn hele vriendenkring, de mogelijkheden zouden eindeloos zijn, de dagelijkse rit zou in de toekomst veel boeiender kunnen worden, maar dat zal ik allicht niet meer meemaken, dus moet ik deze mensen hier en nu voor lief leren nemen.

Verdwaald

Zaterdagochtend, ik zit op tram 81, stap uit bij de bareel van Sint-Gillis, hier ga ik vandaag naar een brocanteverkoop, ergens in een herenhuis, ik ben te gehaast vertrokken en mijn bril vergeten, ik loop door de straten van Sint-Gillis, het ochtendlijke zonlicht schijnt op de bleke gevels, het is vooral het licht dat ik waarneem, zonder bril zie ik de wereld door een filter, dat me tegelijk beschermt voor te veel indrukken maar ook kwetsbaar maakt, omdat ik de mensen om me heen pas echt zie als ze vlakbij zijn en omdat ik hondendrollen of kotsplassen pas op het laatste moment opmerk, ik heb geen plan meegenomen, ik word niet graag voor een toerist aangezien in eigen stad, ik denk dat ik het adres op basis van vage instructies wel zal vinden, vind het ook niet erg wat te verdwalen, maar de straatnaambordjes zijn moeilijk leesbaar zonder bril, ik moet er vlak onder gaan staan, dat bemoeilijkt de zoektocht, ik kom een gezellig koffiehuis tegen, bestel er een cappuccino, vraag de weg maar de eigenares heeft nog nooit van het adres gehoord, wanneer ik even later weer buiten sta spreek ik een echtpaar aan, zij zeggen dat ik terug naar beneden moet en dan de derde naar links, onderweg kruis ik een hond die sprekend op Bobbie van Kuifje lijkt, ik kom weer beneden bij het plein, daar staat een stadsgids met een groepje mensen, zij vertelt over het beeld van de waterdraagster, ik onderbreek haar en vraag de weg, ook zij heeft nog nooit gehoord van de straat waar ik moet zijn, intussen ben ik zelf al twee keer aangesproken door mensen die mij de weg vragen naar een adres dat ik niet ken, ik moet er nu zelf mensen uitpikken zoals ik er vaak uitgepikt word, en begrijp welke afwegingen men daarbij maakt, achtereenvolgens probeer ik tevergeefs een jonge vrouw met een caddy, een clochard, een knappe Marokkaan en een oude autochtoon, iemand van wie ik denk dat hij al lang in deze buurt woont, hij zegt dat hij het niet weet, een jonge Afrikaanse vrouw die mijn vraag gehoord heeft draait zich om en zegt dat ik weer naar boven moet en de eerste straat rechts, ik volg haar, ze wijst me waar ik in moet slaan, even later kom ik bij de Jean Robiestraat aan.

 

Flaporen

We stapten bij Simonis samen van bus dertien, zij en ik, en wat het me eerste trof, waren haar flaporen, geen grote, maar kleine ronde welgevormde oren die ver van haar hoofd stonden, toch zeker drie centimeter was er tussen haar oorschelp en haar schedel, pas daarna zag ik haar overweldigend rode jas, ik vond het vreemd dat die mijn aandacht niet eerst had getrokken, je ziet niet meer vaak flaporen, dacht ik, en zeker niet bij mooie jonge vrouwen, ze worden haast altijd in de kinderjaren geopereerd, het is geen plastische chirurgie maar een vanzelfsprekende operatie, ik volgde de mooie oren de roltrap af, kon hun achterkant nu goed zien, even later stonden we samen op het metroperron en observeerde ik haar nader, ze droeg bruine laarsjes en een jeans, daarover de halflange, felrode, in de taille gecentreerde jas, daarop een dikke wollen sjaal in zacht oranje, haar haar had precies dezelfde kleur, zacht oranje, het was opgestoken, zodat alle aandacht naar haar oren kon gaan, hoewel ze zich daar helemaal niet bewust van leek, ze droeg een fototoestel in een tasje op de heup, wat haar extra sympathiek maakte, even later haalde ze ook nog een boek boven, ik kon niet zien welk, maar toen was ik helemaal verloren, ze had iets guitigs maar het kwam toch vooral door de oren, waarom menen wij steeds te moeten ingrijpen in de natuur, ze had een reiskoffer bij, op wieltjes, wellicht is ze niet van hier, dacht ik, maar van ergens ver, ja ik was er zeker van dat ze geboren was in een land waar flaporen nog heel gewoon zijn.