De warmste dag

De laatste donderdag van augustus, het wordt de warmste dag van het jaar, maar dat is nu nog niet voelbaar, ik stap op de bus, mijn oog valt op een dame met een te diep decolleté, ze lijkt zich er niet van bewust, ze is achter in de veertig schat ik en draagt een kleurig kleed van Desigual dat bijna de helft van haar borsten toont, heel gewoon, voor het overige ziet ze er verzorgd maar niet sexy uit, met een strakke paardenstaart, ze is niet opgemaakt, naast haar staat een meisje van een jaar of vijftien, zij draagt een korte, wijde transparante kaki bloes waar haar beha en ranke lichaam doorschemeren, aan de overkant van het gangpad zit een mooie vrouw met donkere ogen, een zwarte krullenbos en een witte bloes, ze draagt een opvallend halssnoer van frisgroene stenen die mooi passen bij haar felle fushiaroze lippenstift, er zijn nog een paar andere dames in het wit, iedereen oogt nog fris, is luchtig gekleed, voorbereid op de hete dag, het zweet is voor straks, veel gelakte nagels zie ik, op vijfendertig mensen zijn er maar vijf mannen op de bus, het is vrouwendag, bij Simonis stappen de te diepe decolleté en de transparante bloes voor mij af, ik besef nu pas dat het moeder en dochter zijn, ze zoeken de weg, ik help hen, dan neem ik de roltrap naar beneden, voor me zie ik, vlak na elkaar, drie vrouwen met een gele lederen handtas die meer op een strandtas lijkt, zouden ze die voor deze zonnige dag uit hun kast hebben opgediept, mijn tas is zwart, ik moet me voor die paar hete dagen op het jaar ook eens een zonniger exemplaar aanschaffen, ik stap op de metro, ga zitten tegenover een oude vrouw die zit te lezen, er is elders nog veel plaats, maar ik wil weten wat ze leest, het is “Le malentendu”, het debuut van Irène Némirovsky die in 1942 in Auschwitz overleed, ze was drieëntwintig toen ze het schreef, op de cover een mooie zwart-wit foto van een knappe vrouw en man, in ruglig op een strand, zij in badpak, hij in bloot bovenlijf, in tegenovergestelde richting, hun ogen dicht, zijn hoofd rust op haar linkerschouder en haar hoofd op de zijne. Le Malentendu

Vakantie in Brussel

We stappen uit in premetro Parvis de Saint-Gilles, met de glanzend blauwe tegeltjes waarop fragmenten uit de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens zijn aangebracht, één letter op elke tegel, met monnikenwerk moet het tot stand gekomen zijn. Dit indrukwekkende kunstwerk werd ontworpen door Françoise Schein. Haar naam laat misschien geen belletje rinkelen, maar zij ontwierp ook de Parijse metrohalte Concorde. “Brussel op zijn best, is Brussel op z’n Parijs” schreef Bernard Dewulf eens in de goede oude De Morgen-tijd.

In de zomer wordt Brussel weer van de Brusselaars. De automobilisten blijven dan liever buiten de ring, de pendelaars verblijven in het buitenland of binnen hun vertrouwde bebouwde kom. De toeristen, voor zover ze nog durven te komen, beperken zich tot de omgeving van Manneke Pis, met eventueel een uitstapje naar het atomium. Kortom, de Brusselaars zien hun geliefde stad weer leefbaar worden.

Het is stralend weer. Op de Parvis willen we pittazaak Chana bezoeken waarover we veel goeds hebben gelezen in Agenda toen die nog bestond. Vroeger had je hier alleen den Union en de Brasserie Verschueren, maar de voorbije jaren is het plein, mede door de aanwezigheid van deze twee authentieke cafés zo populair geworden dat je er het ene gezonde restaurantje naast het andere hippe eethuisje vindt.

Chana is met vakantie. Dan toch naar de Verschueren. Vroeger kon je hier een soep en een croque eten, vandaag niet meer. Maar we kunnen gerust wat eten gaan halen bij Manuka, de biowinkel om de hoek, zegt de vriendelijke en knappe ober. Hij beveelt ons hun lunchbox aan. We steken de straat over. We kunnen nog net de laatste lunchbox kopen, wat een geluk. En een stokbrood en een stuk kaas, voor acht euro hebben we onze lunch.

We lopen terug naar de Verschueren en begroeten documentairemaker Farzad Moloudi, die op het terras zit. Farzad maakte de aangrijpende documentaire Zone Zero, over de bezetting van de Gésukerk in de Koningsstraat door 150 mensen met verschillende achtergrond, van 2011 tot 2013. Een uniek document, aangezien hij er zelf woonde en alle gebeurtenissen van nabij volgde.

De Verschueren is afgestemd op een publiek van bohémiens. Cafés waar je je eten zelf mag meebrengen, zie je nog zelden. We krijgen zelfs bestek. We smullen bij een soundtrack van oude hits. Na het eten schrijven we elk een postkaartje. Voor onze dochters die op kamp zijn. Wanneer we bijna klaar zijn en de kaartjes uitwisselen om onze naam erop te schrijven, hoor ik nog net deze zinnen zingen voor het volgende nummer begint: “Send me a postcard darling/Send me a postcard now”. Deze noodkreet van Shocking Blue uit 1968 moet de hele tijd gespeeld hebben terwijl we aan het schrijven waren. We lachen om zoveel toeval.

We zetten onze tocht verder. We wandelen langs de lange Lyceumlaan die leeg is, geen auto’s, geen voetgangers. We komen voorbij het Athenée Royal Victor Horta, een prachtig schoolgebouw dat dringend nieuwe ramen nodig heeft. Het dateert van 1903 en werd ontworpen door gemeentearchitect Edmond Quétin, zo lees ik later._DSC0313

Dan zien we de ingang van een parkje, het Pierre Pauluspark. We besluiten een kleine omweg te maken en er even door te wandelen. We komen terecht in een sprookjesachtig park met grote hoogteverschillen. Het is geïnspireerd op de romantische Engelse tuin, lees ik achteraf in de inventaris van het natuurkundig erfgoed van Brussel. We kunnen onze verbazing niet op over dit vrij goed verstopte bijzondere parkje, vooral wanneer een kip met haar tien kuikentjes voor onze voeten een smal paadje oversteekt. Dromen we? Is dit Brussel?

Via de Bordeauxstraat gaan we verder. Ook daar weer een mooi maar erg verwaarloosd schoolgebouw, de gemeenteschool J.J. Michel. Later verneem ik dat het ontworpen werd door dezelfde architect als de Victor Horta-atheneum, Edmond Quétin, in 1891. Er zijn zoveel verkommerde schoolgebouwen die hoogdringend aan renovatie toe zijn. Dan zien we rechts van ons een opmerkelijk modernistisch huis. Het dateert van 1931 en is ontworpen door F. Vervalcke/A. Marit. Er is weinig geweten over dit duo en dit is hun enige huis in Brussel. Misschien dat we er daardoor nog nooit van gehoord hebben. Maar wat een prachtig huis met die gedurfde oranje-zwarte facade. We zijn jaloers op de bewoners.

We steken de Chaussée de Charleroi over en komen aan bij het einddoel van onze wandeling: de tentoonstelling van Jean Prouvé in La Patinoire Royale, een galerie die vorig jaar zijn deuren opende in een voormalige rolschaatsbaan. De renovatie van het gebouw uit 1877 is ronduit indrukwekkend. Sober maar met de mooiste, duurste materialen. Wanneer we even naar de blinkende wc gaan, hebben we het gevoel in een vijfsterrenhotel te gast te zijn. Wat een contrast met de verwaarloosde schoolgebouwen die we op onze weg zagen. Waarom investeren rijke mensen vaker in galerieën met dure kunst, dan in onderwijs, in jeugd, in de kunstenaars van morgen vraag ik me ietwat naïef af. Jean Prouvé is een meubelontwerper wiens kasten, stoelen en tafels nu enorm gegeerd zijn. Zijn ontwerpen zijn eenvoudig, functioneel, solide, elegant, ingenieus, modern en warm. In La Patinoire Royale staat, behalve een selectie van zijn meubels, een paviljoen van hem opgesteld dat oorspronkelijk als klaslokaal was bedoeld. Er omheen een houten terras en een vijver met vissen. Het kan niet op.

Verbluft staan we even later weer op straat. We kijken uit op de lege, zonnige Rue Blanche, een smalle straat met statige witte huizen die van Haussman zouden kunnen zijn, oude straatlantaarns en volle boomkruinen die haar overkoepelen. Brussel op z’n Parijs.

_DSC0346

Herfstige zondag

De voorlaatste zondag van augustus, de laatste dag van mijn vakantie. Het waait en het regent. Je zou denken dat de herfst is begonnen, als ze niet voor de komende dagen, wanneer ik weer werk, tropische temperaturen hadden voorspeld. Ik kijk uit het raam. Veel marktkramers van de zondagsmarkt zijn thuisgebleven. Zij die er die wel zijn, krijgen hun kraam door de wind maar moeizaam opgesteld. Mijn plan om naar het Vossenplein te gaan, laat ik varen. Ik trek mijn regenjas boven mijn nachtkleedje aan, om pistolets te halen bij het bakkerskraam dat voor onze deur op de stoep staat. Er is nog niemand, de bakkerin zit rustig haar koffie te drinken. Ik zie meteen dat ze haar nieuwe kunstgebit in heeft. Vorige week heeft ze het al aangekondigd. Al jaren ken ik haar met slechts twee boventanden. Ze leek daardoor op een lieve heks, ook omdat ze lang en smal is, bleek ziet en een stevige neus heeft. Makkelijk verstaanbaar was ze nooit. Ze heeft nu een stralende lach terwijl ze mijn pistolets en boterkoeken in een zak steekt. Het verschil is immens – ze is iemand anders. Ze praat zacht, moeizaam nog. Ze klaagt over de pijn. Pas half september zal ze weer kunnen eten. Ze heeft maagpijn doordat ze zo slecht kan kauwen. De tijd die ik win omdat ik niet naar de bakkerij drie straten verder hoef te lopen, verlies ik omdat de bakkerin me zo lang aan de praat houdt. “Iedereen zegt dat ik er nu tien jaar jonger uitzie. Maar mij kan het niet veel schelen.” Ik zeg dat ik kou heb en weer naar binnen ga en wens haar goede moed. Tot volgende week, dan zal het wel al beter gaan.