Verloren

Op woensdag merkte mijn man op dat hij vermist was. “Waar is hij? Ik heb hem overal gezocht.” Ik wist het niet. Ik was van slag. Hoe kon het dat we zijn afwezigheid drie dagen niet hadden opgemerkt? “Zondag ben ik nog met hem gaan wandelen,” zei ik. “Ik moet hem onderweg zijn kwijtgeraakt.”

In gedachten keerde ik terug naar de autoloze zondag. ’s Ochtends waren we samen vertrokken, om groenten te gaan kopen Au Rayon Bio. Onderweg waren we langs de rommelmarkt gelopen, we hadden er voor een prikje een werelbol gevonden met een lichtje in en een stoomkoker, spiksplinternieuw. De vriendelijke verkoper had hem ooit cadeau gekregen maar nooit gebruikt, want hij hield niet van ‘la cuisine à la vapeur’ en was ook niet op dieet. Met de stoomkoker en de wereldbol waren we te zwaar geladen en we keerden terug naar huis. We staken de werelbol in het stopcontact en het lichtje ging meteen aan. We bewonderden hem, dan vertrokken we weer om onze groenten te gaan kopen.

Vervolgens wist ik het niet meer goed. We waren samen naar huis gelopen, dacht ik. Toen waren we Jozef en zijn vrouw tegengekomen. Bijna altijd wanneer ik door de straat wandel waar Jozef woont, kruis ik hem toevallig, of tref ik hem bij het verlaten van zijn huis. Tot voor kort kende ik hem alleen van zien, maar sinds kort praten we af en toe. Jozef en zijn vrouw zeiden dat ze op weg waren naar het Kardinaal Mercierplein, want dat daar vanalles te doen was. Ik zei dat ik even met hen mee ging kijken, hoewel ik daardoor verder weg van huis liep. Ik vroeg Jozef naar de cursus voor natuurgids die hij volgde. Hij vond het leuk maar intensief. Hij was verbaasd hoeveel Brusselaars, jong en oud, zich hadden ingeschreven. Bomen, planten, vogels en andere dieren: het lijkt of steeds meer stedelingen zich ervoor interesseren, nood hebben aan hun nabijheid. Mijn man was ook zo iemand. Zo hadden we Jozef leren kennen.

Op het Mercierplein keek ik even bij de kraampjes en nam er een plan met de groene plekken in Brussel mee. Daarna zei ik dag tegen Jozef en zijn vrouw. Vervolgens nam ik de Villo om snel thuis te zijn. Ik was er zeker van dat ik alleen naar huis ben gekeerd.
Waar was ik hem kwijt geraakt? Op het Mercierplein? Zou iemand hem naar de politie gebracht hebben? Of zelf mee naar huis genomen? Misschien had ik hem in de groentenwinkel achtergelaten. Ik kon het me moeilijk voorstellen. Hoe lang was hij al met mijn metgezel? Een jaar of tien, schatte ik. Ik denk dat hij in mijn leven kwam toen we van een appartement naar ons huidige huis verhuisden. Zou ik hem door een nieuwe vervangen en waar kon ik die dan halen? Ik voelde me een beetje akelig bij de gedachte. Hij had het in onze jaren samen vaak zwaar te verduren gehad, maar de tand des tijds goed doorstaan. Ik wou hem helemaal niet kwijt.

Ik wandelde naar de groentenwinkel. Daar stond hij me op te wachten. Mijn hart maakte een sprongetje. In gedachten had ik al afscheid van hem genomen. Ik nam hem vast, wandelde met hem door de winkel, niemand zag het. Zo had ook iemand anders hem ongezien kunnen meenemen. Brussel is veiliger dan veel mensen denken, onlangs hebben we per ongeluk een hele nacht met onze voordeur open geslapen zonder dat iemand is binnengekomen. Ik kocht twee courgettes, wat trostomaten en bananen.
Bij het afrekenen vertelde ik de verkoper wat me was overkomen. De verkoper reageerde blij: “Il est à vous? Heureusement que vous l’avez retrouvé. Il est resté là sans bouger. Il a pleuré toute la nuit!” En hij vond dat hij er nog zo goed uitzag. “Pourtant il a déjà dix ans,” zei ik.

Advertenties

Goedemorgen

Tegenover me zit een man op zijn smartphone, naast me zit een vrouw op haar smartphone, schuin tegenover me zit een vrouw met oortjes in, ik staar wat voor me uit, naar het felgroene brede lint dat de man om zijn hals heeft hangen, met een badge eraan, waarop zijn naam, Wim Martens, waarom heeft hij deze aangehouden, als een statussymbool, is hij een CEO, of juist niet, vreemd wanneer een toevallige medereiziger een identiteit krijgt, al is deze relatief, want ik vermoed dat er veel Wim Martensen in Vlaanderen zijn, hij draagt een bril en een hemd, wit met een fijn blauw streepje, daarover een antracietkleurig kostuum, zijn haar is grijzend, zijn schedel kalend, hij heeft een klein buikje, hoeveel mannen zouden beantwoorden aan deze persoonsbeschrijving, erg sympathiek lijkt hij niet, maar ik heb niet veel anders om naar te kijken, “dag Wim!” zeg ik in gedachten en het is alsof hij me hoort, hij kijkt op en werpt me een verwijtende blik toe, dan kijkt hij meteen weer naar zijn smartphone, vlak na de aanslagen ging het even beter, toen hadden we weer oog voor elkaar, maar intussen zijn ze al te lang geleden, nu haalt ook de dame met de oortjes haar smartphone boven, gelukkig ben ik ter bestemming, ik stap af, samen met een mama die met de ene hand haar kindje en met de andere een roze fietsje vast houdt, ze staan voor me op de roltrap, bovengronds fietst het kindje weg, de dag in, wat een geluk, ik wandel verder en denk aan Wim, “dag Wim!” zeg ik nog eens in gedachten en dan kruis ik iemand die dag zegt tegen mij, bijna had ik haar niet gezien, een vriendin.