Toeval

Waar word ik gelukkig van?

Ik word gelukkig van ’s ochtends vroeg in Brussel op stap zijn.

Ik douche, ontbijt en ga dan meteen naar buiten.

Vandaag moet ik naar de dokter.

Om tien over acht sta ik bij de tramhalte.

Ik neem tram 19 naar Stuyvenberg.

Ik ben 20 minuten te vroeg.

Het is heel koud. Ik hou van de kou als de zon schijnt.

Ik wandel langs de Houba de Strooperlaan.

Daar staan mooie huizen. En je kan het atomium zien aan het einde van de straat.

Ik zie drie doodkisten in een etalage.

Het zijn ecologische doodkisten.

Een kist van karton met bloemen erop.

Een blauwe kist van hout.

En een kist van riet. Hij lijkt op een picknickmand.

Ik ril. De kisten maken mij bang.

Het is tijd om naar de dokter te gaan.

Een uur later sta ik weer op straat.

Ik loop weer naar de tramhalte.

Tram 19 komt er net aan.

Ik spring op de tram.

Ik rijd graag met de tram door de stad.

De tram rijdt snel en je kan goed naar buiten kijken.

We komen voorbij het park en het kerkhof van Jette.

Ik moet bijna afstappen. Bij halte Astrid.

Bij de halte staat een grote man met een bruine jas en een rode muts.

Ik zou hem uit een miljoen mensen herkennen.

Het is mijn man.

De tram stopt. De deuren gaan open.

Mijn man stapt achteraan op de tram. Ik ga vooraan afstappen.

Maar ik stap niet af.

Ik loop door de tram naar mijn man.

Ik kijk naar hem. Hij ziet mij niet.

Hij biept met zijn MOBIB-pas.

Ik leg mijn hand op zijn arm.

Dan ziet hij mij.

We geven elkaar een kus.

Hij bloost.

Hij begrijpt het niet.

Ik leg het uit.

‘Ik ben naar huis gekomen met de tram. Jij gaat naar je werk met dezelfde tram.’

‘Waarom ben je niet afgestapt?’ vraagt hij.

‘Omdat ik jou zag,’ zeg ik. ‘Ik rijd nog één halte met je mee.’

Wat een toeval dat we dezelfde tram genomen hebben.

Het toeval kan heel mooi zijn.

Zeker als je verliefd bent.

Bloost mijn man daarom?

Bij halte Spiegel geven we elkaar nog een kus.

Ik stap af.

‘Tot vanavond!’ zegt mijn man.

‘Tot vanavond!’

Winterochtend

_DSC3937 (2).JPGEr is weinig wat mij zo gelukkig maakt als vroeg in deze stad op pad zijn. ’s Ochtends douchen, ontbijten en dan meteen naar buiten. Vanochtend heb ik een doktersafspraak. Om tien na acht sta ik bij de tramhalte. Ik neem tram 19 richting De Wand. Bij Stuyvenberg stap ik uit. Ik hou van de buurt rond Stuyvenberg, met de Eendjesvijver en de zijstraten van de Houba de Strooperlaan die uitkijken op het atomium. Er staan veel prachtige herenhuizen in deze buurt. Ik ben twintig minuten te vroeg. Ik wandel langs de mooie laan met geen ander doel dan wat tijd voorbij te laten gaan. Ik geniet van de kou. De koude doet enorm veel deugd.

Op de Houba de Strooperlaan zie ik een zaak met ecologische doodkisten. Er staan drie kisten in een verder lege etalage. De ene lijkt van wit karton, er zijn lelijke lelies op geschilderd. De andere is van hout, hij heeft de kleur van een stralend blauwe hemel. De middelste kist is van riet. Het lijkt een picknickmand, maar dan voor een lijk. Deze kisten staan hier zo troosteloos op een rij. Ze zijn lelijk en goedkoop. Ze passen totaal niet bij elkaar. En ze staan rechtop. Dat is raar. Een kist moet liggen. Een huivering gaat door me heen. Dan is het tijd voor de dokter.

Een uur later sta ik weer op straat. Zal ik nog even naar de nabije Albert Heijn gaan? Als halve Nederlandse heb ik soms heimwee naar eten uit mijn kindertijd, zoals krentenbollen en Calvé pindakaas.

Nee, ik ga naar huis. Ik stap naar de tramhalte bij de Eendjesvijver. Er stopt net een tram, ik ren om hem te halen. Ik spring op de tram. Mijn wangen voelen rood. Warm van het praten met de dokter, bevroren door de kou. De tram is het fijnste vervoermiddel. Niets heerlijkers dan door deze stad te zoeven en naar buiten te kijken. We passeren het Jeugdpark en vervolgens het kerkhof van Jette.

Ik nader mijn afstaphalte, Astrid. Bij de halte zie ik een grote man met een beige jas en een bordeaux muts. Ik zou hem uit miljoenen meteen herkennen. Hij steekt er altijd een beetje bovenuit. Het is mijn man. Hij kijkt door zijn grootte dan weer altijd een beetje over me heen. Ik sta op het punt vooraan van de tram te stappen, hij staat klaar om achteraan op te stappen. Ik loop door de tram naar hem toe. Hij stapt op, haalt zijn metropasje boven, laat het biepen. Het is vreemd je geliefde te bespieden. Pas wanneer ik vlak naast hem sta en mijn hand op zijn arm leg, ziet hij mij. Intussen zijn de tramdeuren gesloten.

We kussen elkaar. Hij bloost. Eerst begrijpt hij het niet. Dat ik ben gekomen met de tram waarmee hij vertrekt. Ik moet het uitleggen. Waarom ik niet afstapte? ‘Omdat ik je zag. En jij achteraan opstapte. Ik rijd een halte met je mee,’ zeg ik. Het is laat. Het is kwart na tien. Meestal is hij nu al lang vertrokken. Er was veel toeval nodig om deze ontmoeting plaats te laten vinden. Alsof het zo moest zijn. Een toevallige ontmoeting is intens. Ook als je elke nacht samen slaapt. Bloost hij daarom?

Bij halte Spiegel kussen we elkaar nog eens. Ik stap ik af. ‘Tot vanavond!’

Op zoek naar Pêle-Mêle

Ik ben op zoek naar Pêle-Mêle, de bekende Brusselse tweedehandsboekenwinkel. In geen eeuwigheid ben ik er nog geweest. Mijn man was er onlangs. Hij heeft me gezegd dat de zaak in al die jaren niet veranderd is. Dat er nog steeds zo’n gezellige sfeer hangt en dat je er echt koopjes kunt doen. Daar wil ik me van vergewissen. Ik weet niet meer precies waar de boekhandel gevestigd is, zo lang is het geleden.

Ik wandel van het Anneessensplein naar de Beurs. Ik loop aan de schaduwkant van de straat. De schrale noordoostenwind die het kmi vanochtend voorspelde, maakt dat het bij 4°C stevig lijkt te vriezen. Ik wil aan de overkant gaan lopen, waar de zon schijnt. Bij het oversteken zie ik mensen gewoon in het midden van de Lemonnierlaan lopen. O ja, dit is de voetgangerszone. Ik ben er nog steeds niet aan gewend. Ik loop dan ook maar in het midden van de boulevard.

Ik kom voorbij het voormalige Italiaanse restaurant de ‘Rugantino’. Het is nog steeds gesloten. Het ziet er ook niet naar uit dat het binnenkort zal heropenen. Hoe lang is het geleden dat het restaurant bij een gasexplosie zwaar beschadigd raakte? Zou het prachtige interieur nog te restaureren zijn? In gedachten proef ik weer de flinterdunne pizza’s, ik zie weer de altijd norse obers, ik hoor weer de pianist die hier geregeld zat te spelen. Ik denk aan de mooie avonden die ik hier doorbracht, in wisselend gezelschap. Ik denk aan mijn nonkel, de bon vivant, die me dit restaurant leerde kennen. Voor hem en zijn vrouw was het hun tweede huiskamer. Wanneer ik hier kwam eten, was er veel kans dat ik hen tegenkwam. Nu is het zeker een jaar geleden dat ik mijn nonkel zag. Hoewel we allebei in Brussel wonen, gaan we uiterst zelden bij elkaar op bezoek. In twintig jaar ben ik misschien vijf keer bij hem thuis geweest, hij nooit bij mij. We komen elkaar niet zo vaak tegen. Soms eens in het theater.

Hoor ik mijn nonkel nu spreken in mijn hoofd? Het is zijn stem. Ik kijk opzij en zie een buik onder een beige regenjas. Daarboven een hoofd onder een donkere muts. Ik herken hem niet meteen. Ik ga een klein beetje dichterbij. Ja, het zijn mijn nonkel en zijn vrouw. We moeten al even naast elkaar hebben gelopen. Ook zij herkennen mij niet meteen. Ik heb ook een muts op en ze hebben me nog niet gezien met mijn nieuwe bril. Ik vertel dat ik net aan hen aan het denken was, omdat ik de Rugantino passeerde. ‘We zijn de patron een tijd geleden tegengekomen. Hij zei dat hij in december zou heropenen. Maar het is nog steeds dicht. Al vijf jaar. Waarschijnlijk heeft hij er geen zin meer in. Hij was al oud. Hij geniet nu zeker van zijn pensioen.’
Ik wandel verder met mijn nonkel en zijn vrouw door de voetgangerszone. Een kort eindje praten we wat bij. Mijn tante neemt afscheid bij de Delhaize waar ze haar boodschappen gaat doen. Ik wandel met mijn nonkel door tot aan de Brouckère. Ik vraag waar hij mee bezig is. Met een boek over Oostende, zegt hij en met een radio-uitzending over mei ’68. Met naar de cinema gaan en met heel veel lezen. Ik vraag wat hij leest. ‘Annie Ernaux – zware kost.’ Ik hoop dat ik later een even actieve gepensioneerde zal zijn.

We komen aan bij de Brouckère. Mijn nonkel gaat naar Muntpunt, ik ga de metro in. We nemen afscheid. Wie weet duurt het weer een jaar eer we elkaar nog eens zien.

Pêle-Mêle vind ik wel een volgende keer.