Bomen

Ik loop door de lange straat die van het Jetse station naar het Spiegelplein gaat. Bij het Garcetpark wacht ik op de hoek om over te steken. Aan de overkant staat een man met kortgeschoren haar. In zijn rechterhand houdt hij een sigaret, in zijn linkerhand zijn smartphone. Hij steekt de straat over, lezend op zijn smartphone. Dan pas herken ik hem. We kruisen elkaar, ik besluit hem niet te storen. Het is nog maar tien dagen geleden dat ik hem toevallig tegenkwam, in de koelafdeling van de Colruyt. Toen vroeg hij meteen hoe het met me ging.

Intussen heb ik weinig nieuws te melden, behalve dat ik een week geleden in de smalste, rustigste straat van onze gemeente ben aangereden. En dat ik ongelooflijk veel geluk heb dat ik nog in leven ben.

Van dat geluk geniet ik in stilte – en in pijn. Ik loop hem dus voorbij, begroet hem niet.

Wanneer ik thuiskom, stuur ik hem een berichtje: ‘Ik ben je zonet gekruist in de Leon Theodorstraat maar je was druk aan het roken en op je smartphone aan het lezen. Ik heb je maar niet gestoord. Ik had je ook wat te laat herkend met je nieuwe frisse coupe!’

Hij antwoordt: “Aha 🙂 Ja, ik ben ‘gekapt’, liever dat dan de bomen.”

Wij kennen elkaar niet goed. Maar hij weet van mijn verdriet om de gekapte bomen voor mijn huis.

Ik lach.

Advertenties

Na de regen

Het is avond.
Het heeft geregend.
Het heeft heel hard geregend na een warme dag.
Nu is het gestopt.
Ik ga naar buiten.
Naar het park.
Elke avond wandel ik in het Boudewijnpark.
In het park is er goede lucht.
Er is vandaag niemand in het park.
Ik ben alleen.
Ik herken het park niet.
Het is anders.
Zo heb ik het park nog nooit gezien.
Er hangt mist.
Maar het is geen mist.
Het zijn geen wolken die naar beneden zijn gekomen.
Het is de regen die als rook uit de warme grond komt.
Zo mooi.
Net een sprookje. Of een film.
Ik ben in een andere wereld. Of is dit de hemel?
Het ruikt heel lekker.
Naar gras en naar daslook.
Fris en pittig.

Een wandelaar komt voorbij.
‘Bonjour,’ zegt hij.
Hij zegt dag omdat er niemand anders is.
Ik loop verder.
Ik maak veel foto’s.
Ik hou veel van bomen.
Al van toen ik kind was.
Ik ben graag dicht bij bomen.
Nu zijn de bomen dicht bij mij.
Ze komen naar mij toe.
Alsof ze tegen mij spreken.
Mij troosten.
Mij alleen.
Waar zijn alle mensen?
Denken ze dat het nog regent?
Zitten ze binnen voor de tv?
Zo spijtig.Ik kom bij de vijver.
Nog nooit was het hier zo stil.
Ineens ben ik bang.
Ik zit in een griezelfilm.
Straks komt er een monster. Of een zombie.
Maar het is ook romantisch.

Ik wil hier niet weg.
Dit zou ik willen tonen.
Aan mijn vrienden, aan mijn familie.
Ik loop naar de overkant van het park.
Naar de andere vijver, bij de speeltuin.
Ik denk aan een schilderij.
Er zijn geen kinderen in de speeltuin.
Zo stil is het hier nog nooit geweest.