Afscheid

© Raad van de VGC | Sera De Vriendt, co-auteur van het Brussels lexicon.

Net voor het concert zou beginnen, schuifelden twee oude mensen arm in arm de zaal binnen. De altijd attente ticketverkoopster was van achter haar balie gekomen om hen te begeleiden en hen persoonlijk hun plaats op de eerste rij toe te wijzen. Ik herkende de man meteen: het was professor De Vriendt, van wie ik in de eerste kandidatuur Nederlandse taalkunde had gekregen. Een man die zijn naam mooi droeg, want er was nooit iets onvriendelijks aan hem. Zijn gezicht lachte altijd, zelfs wanneer hij neutraal keek, leek het alsof hij zijn lach inhield. Het lukte hem niet zijn mond strak te houden of zijn blauwe ogen wat minder te laten stralen. Zijn rimpels waren lachrimpels.

Vierentwintig jaar had ik hem niet meer gezien. Onlangs nog had ik het met mijn man, die ook les van hem kreeg, over hem gehad. Vermits professor De Vriendt al in de zestig was toen hij mij lesgaf, had ik me afgevraagd of hij nog leefde. De kans was klein. In mijn hoofd was hij iemand van wie ik lang geleden al afscheid had genomen, niet iemand die ik ooit nog zou tegenkomen.

Nu zat hij recht voor mij, met één rij tussen ons, naar Bach te luisteren. Het concert was prachtig. Nooit had ik een passie van Bach live horen uitvoeren, met twintig muzikanten en twintig zangers. De muziek vervulde me zozeer, dat ik mijn professor even vergat.

Na het overweldigende applaus zag ik hem en zijn vrouw rechtstaan en moeizaam de tribune verlaten. Ik wachtte hen op bij de rand van de tribune en reikte de vrouw de hand. Ik zei dat ik in het theater werkte en nog les had gekregen van haar man. Ze vroeg of ik dan ook van haar les had gekregen, dat was niet zo. Zij vonden het altijd fijn oud-studenten tegen te komen, zei ze. En ze hadden zo van de avond genoten. Gelukkig waren ze nog net op tijd geweest, ze hadden in de file bij het Zuidstation vastgezeten.

Veel herinnerde ik me niet van de lessen van de professor. Toch dacht ik nog vaak aan hem. Dat kwam doordat hij zijn hond, een blonde labrador, altijd meenam naar de universiteit. De hond bleef in zijn kantoor en was nooit bij hem in het leslokaal, maar soms kwam je hen samen tegen in de lift. Tijdens de middagpauze liet hij het dier uit op de campus.

“Het was elf uur dus tijd om de hond uit te laten.” Dat was eens een voorbeeldzin in de les geweest. Waarschijnlijk ging het hem om de rol van de woorden “het” of “dus”. Hij was geïntrigeerd door de kleine woordjes in onze taal, en vooral door het woordje ‘er’. Ik vond het mooi dat hij een uit zijn eigen leven gegrepen zin ter ontleding aanbood. Dat hij iets van de warmte van zijn thuis in zijn grammaticales had gesmokkeld.

Voorheen had ik er nooit bij stilgestaan, dat hondeneigenaars laat ’s avonds, wanneer anderen in pyjama voor de buis zitten of al gaan slapen zijn, nog even naar buiten moeten met de hond. Sinds die zin was het me beginnen op te vallen, wanneer ik ’s avonds terugkeerde van het theater, dat ik op straat vooral mensen met een hond kruiste. “Het was elf uur dus tijd om de hond uit te laten,” flitste dan door me heen. Oneindig veel keren had ik zo aan professor De Vriendt gedacht. Pas nu besefte ik, hoe vaak hij me ’s avonds in nagenoeg verlaten straten had vergezeld.

In de foyer vertelde zijn vrouw me trots over hun kleinkinderen en wat ze allemaal geworden waren. De jongste was achttien, de oudste drieëndertig. De professor vroeg hoe lang geleden het was dat ik in zijn klas zat. “Vierentwintig jaar.” “Ik ben drieëntwintig jaar geleden met pensioen gegaan.” Ik kon zijn gezegende leeftijd ongeveer uitrekenen. Ze vroegen wat ik deed en toen ik zei dat ik schreef, spoorden ze me aan om zeker voort te doen. Ze vroegen om hen op de hoogte te houden. “Wonen jullie in Brussel?” vroeg ik. “In Sint-Genesius-Rode”. Wat was zijn voornaam ook weer? Ik herinnerde me dat het een speciale naam was, maar kon er niet meer op komen. “Sera – Seraphin”. Hij was naar zijn grootvader vernoemd, zo ging dat in zijn tijd.

Hij herinnerde mij zich niet en ook mijn man kon hij zich niet meer voor de geest halen. De meeste studenten van aan het eind van zijn carrière was hij vergeten. Ik vertelde dat ik nog geregeld aan hem en zijn hond dacht. “Welke was dat toen?” “Een blonde labrador”. “Dat is de laatste labrador die we gehad hebben. Die wegen dertig kilogram, ik kan ze niet meer tegenhouden, ik ben niet sterk genoeg meer. We hebben nu een ruwharige teckel. Ik moet nu naar huis om hem uit te gaan laten,” zei hij lachend. Het was kwart voor elf.

Ik begeleidde hen naar de uitgang, schudde mijn professor de hand, zijn vrouw omhelsde me en drukte vier kussen snel na elkaar op mijn rechterwang.

Thuis vertelde ik mijn man over de ontmoeting, hij deelde in mijn vreugde.

De volgende dag zocht ik de eigenaardige voornaam van mijn professor op in het woordenboek. “Naar het Oude Testament. Engel van de hoogste rang, die in de nabijheid van God lofliederen zingt”.

Gelukkig was hij de vorige avond gewoon een man op de eerste rij in het theater, vlak voor mij.

*

Deze tekst schreef ik vier jaar geleden. Gisteren vernam ik dat professor De Vriendt op 90-jarige leeftijd is overleden. Rust zacht, mooie man. Veel sterkte aan je lieve vrouw. Intussen werk ik niet meer in het theater. Ik geef nu Nederlands! (en ja, mijn cursisten vinden ‘er’ een moeilijk woordje)

Verzinsel

Het was stil op straat. Bleven de mensen preventief binnen voor de storm die morgen lelijk zou huishouden?

Ik ging nog snel even naar de bibliotheek. Lectuur inslaan voor de volgende dag. In mijn bibliotheek keek ik altijd bij de nieuwe boeken. Ze stonden uitgestald op wandplanken, meteen links als je binnenkwam. Enkele weken geleden had ik hier een mooi boek gevonden, ‘De vriend’ van Sigrid Nunez. Over een vrouw die de Deense dog van haar beste vriend adopteert nadat die uit het leven is gestapt. Het was het eerste boek dat ik in twintigtwintig heb gelezen. Het was moeilijk een tweede boek te vinden dat ik even graag zou lezen. Ik nam de nieuwe Juli Zeh mee.

Op de terugweg vroeg ik me af of ik nog groenten nodig had, en bij de biowinkel zou binnenspringen. Ik had niet echt iets nodig, ik had genoeg groenten thuis.

Zou ik nog een pompoen kopen voor soep? En een aubergine voor bij de Indiase rijstschotel van vanavond? Ik liep naar de biowinkel, wilde de deur openen, maar dat ging niet vlot. Binnen zat, op de deurmat, een enorme Deense dog.

‘Il s’est bien installé là,’ zei ik lachend tegen het baasje dat naast hem waakte, een jonge vrouw met een wollen muts.

‘Ik ben al blij dat ze stil zit,’ zei ze, ook in het Frans, maar voor het gemak schrijf ik dit even in het Nederlands. O, het was een vrouwtje. Ik liep naar de aubergines, die tegenover de hond stonden.

Wat een toeval. Ik moest het baasje aanspreken. Ze leek me vrolijk genoeg om dit niet vreemd te vinden.

‘Ik heb pas een boek gelezen waarin zo’n hond voorkomt,’ zei ik.

Ik vertelde haar over de roman. Dat het hoofdpersonage de hond geadopteerd had van haar overleden vriend. En dat ze in een appartement woonde dat te klein was voor de hond. De hond kon de badkamer alleen achterwaarts uit.

‘Net als bij mijn moeder,’ zei ze. ‘Het is haar hond. Mijn moeder is gek van Deense doggen. Maar ze woont ook klein.’ Haar moeder was in de verte groenten aan het kiezen.

‘Mag ik een foto nemen?’ vroeg ik. Dat mocht, maar de hond stond niet graag op foto’s. Ze was heel beweeglijk. ‘De hond in het boek heeft ook niet zo’n makkelijk karakter,’ zei ik. Ik vroeg hoe haar moeder aan de hond kwam. ‘Ze komt uit een asiel. Ze was achtergelaten.’ ‘De hond in het boek was ook achtergelaten door zijn eerste baasje. Ook daarom kan de vriendin het niet over haar hart krijgen om hem opnieuw naar een asiel te sturen. Maar ze heeft problemen met haar huisbaas, want ze mag geen hond houden.’

De hond kwam naar me toegelopen. Ze was inderdaad heel beweeglijk en stond op bijna elke foto wazig. ‘Hoe heet ze?’ ‘Athena’. ‘Dat is ook toevallig, de hond in het boek heet Apollo.”Son premier nom était Lorena. Mais je voudrais un nom plus costaud,’ zei ze. Ik citeer dit in het Frans, omdat ‘costaud’ een moeilijk te vertalen woord is dat zowel ‘krachtig’ als ‘uit de kluiten gewassen’ betekent. En omdat het mooi rijmt op ‘Apollo’.

‘In het boek kennen ze de eerste naam van de hond niet,’ zeg ik. ‘Dat is een van de problemen, misschien luistert hij daarom niet echt.’ De hond in de winkel was net als de hond in het boek vrij oud. Ze hadden hem zeven jaar – maar dit was zijn tweede leven.

‘Je ziet niet vaak zulke grote honden,’ zei ik nog. ‘Nee, zo zijn er maar drie hier in de buurt.’

We namen afscheid. ‘Tot ziens!’ Ze woonden vlakbij mij.

In  ‘De vriend’ zit een erg geslaagd vervreemdingseffect. Een scène die je als lezer een beetje van je stuk brengt. Omdat je begint te twijfelen aan het voorgaande. Heeft de schrijfster je beetgenomen? Wat is fictie? Wat is echt? Een zinloze vraag omdat alles in dit verhaal een verzinsel is. Of toch niet?

Wanneer ik met mijn pompoen en aubergine naar huis wandel en ook met nog wat boerenkool, komt de ontmoeting met de Deense dog me zo onwerkelijk voor. Alsof een hersenspinsel me had opgewacht.