Party

De kant met de bomen of de kant die is opengebroken? Moeilijk kiezen altijd hier. De kant met de bomen lijkt logisch, maar altijd ligt er een dode rat. Dat weet ik, en toch schrik ik er iedere keer weer van. Omdat ik telkens hoop dat er deze keer eens geen dode rat zal liggen. Het is donker, het regent hard. Toch maar de kant waar de smalle stoep is opengebroken en waar ik een stuk op de straat moet lopen, dicht bij het drukke verkeer.

Nu nog voorbij verschillende sluikstorthopen. Deze buurt maakt me altijd moe. Toch kom ik naar hier om me beter te voelen. Ik ben blij dat ik vandaag nog kon komen.
Vanmiddag kreeg ik een bericht:
Om 18u hebben wij nog een plekje in de tent.
P.S.: De koning is net op bezoek geweest bij ons!
Het informele  van de laatste mededeling verbaasde me enigszins. Maar ik kon het enthousiasme wel begrijpen. Een buurt vol afval en dode ratten is niet meteen de biotoop van de koning.

Straks geef ik online les. Met wat geluk ben ik tijdig terug thuis. Ik kom bij de tent, een beetje te vroeg. Ik mag in de voortent wachten. Ironisch. Deze partytent in een tijd zonder party’s, deze zonnetent in de herfst. Er hangen zelfs feestelijke vlaggetjes. Iemand hier heeft gevoel voor humor. Of hangen ze er omdat de koning op bezoek was?



Hij verwelkomt me hartelijk. Ik ken hem niet, heb hem hier nog nooit gezien. Ik mag in het achterste deel van de tent plaatsnemen, een klein apart kamertje. Hij stelt me direct op mijn gemak. Hij tikt mijn gegevens in op zijn computer. Hoe primitief ook, alle materiaal is hier voorzien.

Ik zeg dat ik blij ben dat ik zo snel mocht komen, want dat ik nog les moet geven. ‘Toch niet in de klas? Als je nu hier bent, is dat geen goed idee.’ ‘Nee, vandaag online. Maar anders wel nog in de klas, in kleine groepjes, mijn cursisten hebben dat liever.’ ‘Mogen zij dat zelf beslissen?’ vraagt hij. ‘Dan zijn het zeker geen kinderen.’ Ik vertel hem over de volwassenen uit mijn klas.

Ik zeg dat ik bezorgd ben, me niet meer zo veilig voel de laatste tijd. Vooral op het openbaar vervoer. Hij begrijpt me. ‘Ik kom ook elke dag met het openbaar vervoer naar het werk, ja, het is erg.’

Hij kijkt in mijn keel, luistert naar mijn longen. Ik vraag me af hoe hij mijn ademhaling kan horen doorheen de regen die op de tent klettert. Hij is opvallend goed gehumeurd. Op deze donkere, natte avond, in deze sombere buurt en met de zorgen en het vele werk die de epidemie met zich meebrengt? Ik kan het niet goed rijmen. Het zal een overlevingsstrategie zijn. Of is hij nog feestelijk gestemd door het bezoek van de koning?

‘Dit zal niet je aangenaamste moment van de dag zijn,’ zegt hij vrolijk, met het lange dunne buisje in zijn hand. Ontspan je goed.’ Het voelt zoals water in je neus krijgen bij het zwemmen, maar dan tien keer erger. Als het voorbij is, voel ik het nog steeds prikken in neus en oor. ‘Zo, het is al gedaan!’ Hij maakt het staal klaar voor verzending naar het labo. Opgewekt licht hij me in over het vervolg.

‘Bent u hier een vaste arts? Ik heb u hier nog nooit gezien.’
‘Ik loop hier een jaar stage. Ik heroriënteer me.’
‘Wat deed u dan vroeger?’
‘Ik was advocaat. Daarom dat ik zoveel praat!’

Ik zie hem in een zwarte toga in de rechtbank, dan weer in zijn witte doktersjas met korte mouwen in de zonnetent in de regen. Ik begrijp goed dat hij dit zoveel liever doet. Ik vraag me af hoeveel jaar  hij gestudeerd zou hebben. Ik vertel hem dat ik me ook geheroriënteerd heb, dat ik bediende was en nu sinds twee jaar leerkracht. ‘Ik heb grote bewondering voor u!’ zeg ik.

‘Ik ook voor u!’ We lachen, nemen afscheid, ik wil naar buiten door de voortent, maar nee, er is een aparte uitgang. Hij houdt een flap aan de zijkant van de tent voor me open. Rechtstreeks, zonder eerst mijn paraplu te kunnen openen, stap ik de gietende regen in. Het deert me niet meer.

Ik zal goed op tijd thuis zijn voor mijn avondles.

Vouwstoel

Nepzonlicht wekt me om zes uur. Even vloek ik. Dan sta ik op. Ik doe dit graag voor de cursisten van mijn school, voor de zieke collega die ik vanochtend zal vervangen.

Ik neem tram 19 tot halte De Wand. Het is gelukkig nog rustig op de tram. Het vroege opstaan is al vergeten wanneer ik bij De Wand in de verte de echte zon zie opgaan. Door het winteruur wordt het ’s ochtends weer vroeger licht. Elk jaar is het thuiskomen in het winteruur.

Nu nog een wandeling van een half uur, de bus nemen lijkt me geen goed idee. Er zijn meerdere scholen op mijn traject. Bus 53 zit op dit uur altijd vol met tieners en jonge kinderen en hun ouders. Dagelijks maak ik risicoanalyses en nieuwe regels: tram 19 kan nog, bus 53 niet meer.

Ik wandel langs de lange Versailleslaan, een chique naam voor een laan die verdeeld is in vrijstaande paleizen waarvan je alle kamers nooit kunt bewonen en mistroostige woonblokken waarin te veel mensen samenhokken. Ik loop voorbij een parel van jarenzestigarchitectuur, de villa Zonnewende van Roger De Winter. In de sociale woontorens verderop zien ze de zon net iets anders draaien.

In het centrum van Heembeek loop ik langs de kleine zeventiende-eeuwse Sint-Niklaaskerk, die al vele jaren een cultureel centrum is. Het doet me hier steeds aan een Frans dorpje denken. Ik wandel voorbij de bakker waar ik vorig schooljaar vaak een croissant ging kopen, de zaak waar ik mijn cappuccino ging halen en voorbij het Italiaanse restaurant waar mijn man en ik op een feestelijke avond in januari pizza aten, nadat we een mooi jazzconcert hadden bijgewoond. Moeten we vaker doen, zeiden we. Hoe onbezorgd we toen nog waren.

Rond acht uur kom ik aan bij het Peter Benoitplein, met zijn imposante Sint-Pieter en Pauluskerk in art-decostijl. Rechts ervan ligt de plek waar ik moet zijn, gemeenschapscentrum Nohva. Een modern gebouw dat je door zijn grote patio, zijn vele licht en warme houten balustrades met open armen ontvangt. Vorig schooljaar gaf ik hier met veel plezier les aan een fijne groep van zes. Tot het op dertien maart plots stopte en ik online moest doorgaan. Zonder afscheid ben ik vertrokken. Als er één ding is wat ik liever vermijd: vertrekken zonder afscheid.

De hoofdingang is nog dicht, maar de schoonmaakster ziet me en laat me binnen via de achterdeur. Ik ben blij dat ze me nog herkent met mondmasker, na al die tijd. Ik ben hier welkom, mag hier nog zijn, moet hier vanochtend zijn, ik word verwacht. Hoe niet vanzelfsprekend dit geworden is.

Ik voel tegelijk dankbaarheid omdat mijn job me toelaat nog mensen te ontmoeten en angst die me doet verlangen naar een nieuwe quarantaine. Met die angst valt het beter mee dan in het voorjaar, toen ik binnen mocht blijven en elk risico kon vermijden. Zoals je je angst voor slangen overwint door het beest vast te pakken en vliegangst door op het vliegtuig te stappen, zo vermindert de angst voor dit virus als je geregeld buitenkomt. Maar de laatste dagen is ze weer toegenomen, ik voel het virus steeds dichterbij komen.

Aan het onthaal zit niemand. Zal er nog iemand komen? Gisteren is beslist dat de culturele instellingen in Brussel weer op slot gaan. De deur naar het café is gesloten. Vorig jaar dronk ik in de pauze graag koffie bij Conny. Zij runt het dienstencentrum hier. Senioren kwamen er rummikub spelen en breien, koffie drinken en eten, hun verjaardag vieren en dansen op de maandelijkse party. Tijdens de pauze kwam ik hier met mijn cursisten. We werden bediend door vrijwilligers, gepensioneerden die in dit werk een plezierige en zinvolle bezigheid hadden gevonden. We interviewden hen eens voor het thema vrijwilligerswerk, hun enthousiasme was aanstekelijk. Hoe zou het met hen gaan, nu een wrede ziekte vooral mensen van hun leeftijd treft?

Ik ga naar boven, naar mijn klas. Door mijn plotse vertrek is didactisch materiaal van mij achtergebleven in de kast: een galgje-spel en een stilstaande klok. Pas nu ik het opschrijf, besef ik hoe symbolisch het is.

De volgende dag valt de BRUZZ in de brievenbus. Ik sla hem open. Verrast zie ik een foto van Conny. Het bijbehorende interview beantwoordt mijn vraag van de vorige dag. Conny vertelt dat ze niet heeft stilgezeten tijdens de quarantaine. Ze heeft gestreden tegen angst en eenzaamheid in haar gemeente.

Toen de coronacrisis losbrak, schoot ze meteen in actie. De telefoonnummers van de zeshonderd gebruikers van haar dienstencentrum verdeelde ze onder de vrijwilligers. Zij belden iedereen wekelijks op, zetten boodschappentandems op, zorgden voor maaltijden aan huis, naaiden zevenduizend mondmaskers en organiseerden gespreksnamiddagen over het opstellen van een levenseindeplan.

© Saskia Vanderstichele 

Op de foto in de krant zit een dame van een jaar of tachtig de deuropening van haar woonst, op haar rollator. Voor haar deur is een stenen trap, zou ze daar nog op en af geraken? Onderaan die trap zit Conny. Halverwege de trap, tussen beide dames in, zit het schoothondje van de oude dame. Conny’s linkerhand aait hem. Met haar rechterhand ondersteunt ze haar hoofd, zoals mensen vaak doen wanneer ze aandachtig luisteren.

Wat me ontroert in deze foto: de kwetsbare persoon kijkt naar beneden, de ondersteuner naar boven. Het is geen toeval. In haar bolderkar neemt Conny altijd een vouwstoel mee, zodat ze bij deurbezoeken op dezelfde hoogte als mensen in een rolstoel zit. Ook in de schaduw achter de dame staat iemand. Ze is goed omringd. We doen het zo vaak anders, gaan boven iemand staan, vaak ook met goede bedoelingen.

Conny vertelt hoe ze een eenzame vrouw in contact bracht met haar Afrikaanse buurman. De twee hadden nog nooit met elkaar gesproken. Nu doet de man boodschappen voor zijn buurvrouw. Als elk appartementsblok een bruggenbouwer had, dan zouden we vandaag minder moe zijn, besluit Conny.

Wat een blij weerzien. Ik wens de wereld meer Conny’s. Mensen met de vinger aan de pols van de samenleving. Die met hun kleine verhalen van elke dag de vinger op de wonde weten te leggen. Ik wil ze graag horen, lezen. Mensen die luisteren zonder vooroordelen, verbinden en strelen. Met een inspirerende daadkracht. We hoeven deze tijd niet lijdzaam ondergaan. Een vouwstoel kan volstaan.

© Saskia Vanderstichele 

Lees ook het interview met Conny Roekens van Steven Van Garsse in BRUZZ.

Met veel dank aan Saskia Vanderstichele voor haar mooie foto’s!