Krant

Zaterdag 13 maart 2021. Eén jaar geleden veranderden onze levens heel ingrijpend. De krant besteedt er een hele bijlage aan, zie ik online. Er staat een artikel in over aanraking, of ons gebrek daaraan in het voorbije jaar. Dat wil ik graag op papier lezen, in een fysieke krant.

Snel trek ik mijn jas aan over mijn pyjama. De krantenwinkel is maar een paar huizen verder. Het heeft ’s nachts hard geregend en er staat een stevige wind. Het lijkt alsof de vuile stadslucht volledig is ververst, het ruikt naar zee, ik kan Oostende tot in Brussel ruiken. Ik trek mijn mondmasker een beetje van me af om de lucht op te snuiven. Meer nog dan aanrakingen mis ik frisse lucht.

Het is druk in de krantenwinkel, zoals steeds op zaterdagochtend. Allemaal oudere mannen die lotto spelen. Er ligt nog één krant. De laatste krant hebben is zoals nipt de tram halen: een eenvoudig en direct geluk.

Ik ga in de file bij de kassa staan om te betalen. De persoon voor me heeft de voorlaatste krant gekocht. Mijn blik glijdt van de hand met de krant over de jas, een stevige donkerblauwe parka, naar het lichtblauwe mondmasker. Dan pas herken ik mijn vriendin F. Ze zou mijn moeder kunnen zijn, naar leeftijd.

Ik leg ter begroeting mijn hand op haar onderarm. Dat mag nog, vind ik. Ik zeg dat ik in pyjama ben en dat ik dacht dat ik in die korte tijd en afstand zeker niemand zou tegenkomen. Ze vindt mijn pyjamabroek best goed voor de dag komen. Ze vraagt hoe het met me gaat, ik vertel haar wat er scheelt. ‘Wat scheelt eraan’ is de titel van het boek dat ik haar uitleende maar dat ze niet gelezen krijgt. Het confronteert haar te veel met het naderende levenseinde. Ze excuseert zich dat ze het nog niet heeft teruggegeven en vraagt of het goed is als ze het in mijn brievenbus komt steken. Voor mij is het een boek over vriendschap, een spitsvondig geschreven vertelling die me ergens verzoent met mijn sterfelijkheid. Maar het levenseinde lijkt voor mij minder dichtbij dan voor haar, al weet je natuurlijk nooit, zeker niet in deze tijd.

Het is aan mijn vriendin. Ze bestelt een pakje sigaretten. We praten over de vreselijke afbeeldingen die tegenwoordig op de pakjes staan. Op haar pakje ligt een zieke magere vrouw te bed, een hoofddoek rond het kale hoofd gewikkeld. Het is een van de minder erge afbeeldingen. Ik zeg dat ik het jammer vind dat sigaretten tegenwoordig merkloos zijn. Ze vertelt dat ze vroeger Boule D’Or rookte. Ik wijs haar op twee boeken die op de toonbank liggen. Marie Curie en Simone Veil sieren de covers. Een Franstalige krant heeft een reeks gemaakt over sterke vrouwen.

De krantenboer verbaast zich erover dat F. en ik vriendinnen zijn. Hij kent ons al jaren, maar zag ons nooit eerder samen. ‘Vous êtes tous les deux formidables!’ zegt hij. Mijn vriendin zegt dat de krantenboer ook formidable is. Hij overwon onlangs kanker. Ik heb een moeilijke relatie met de krantenboer, ik vind hem een flauwe plezante. Het stoort me vooral dat hij me altijd in zijn beste Nederlands ‘brave mevrouw’ noemt. Ik wil dan beginnen roepen dat ik niet braaf ben.

De krantenboer geeft ons een cadeau. Hij heeft er nog net twee. Het is een boekje met kruiswoordraadsels en sudoku’s dat als bijlage bij Libelle zat. Mijn vriendin en ik hebben geen kruiswoordraadsels en sudoku’s nodig om ons bezig te houden. We aanvaarden de attentie dankbaar.

Zij moet gaan, ze heeft nog veel te doen vandaag. We nemen afscheid.

Met een ander gemoed dan bij mijn vertrek, stap ik de enkele meters naar huis. Als ik me eerst had aangekleed, had ik mijn vriendin niet ontmoet. Dan had ik allicht ook geen krant meer gehad. Ik dank het toeval, dat me het voorbije jaar niet in de steek liet.

Weer thuis kook ik een ei, rooster ik brood, snijd het in soldaatjes. Ik leg de krant op tafel, mijn gezelschap bij het ontbijt.