De gele bol

Een verhaal uit 2014 – in memoriam Café Chaff op het Vossenplein

Hier lagen levens. Leeggegoten in dozen, zonder sorteren. Voor veel voorwerpen was dit de laatste halte voor ze naar het afval gingen. Soms waren ze al afval maar werden ze toch nog te koop aangeboden. Sinds mijn kindertijd was dit mijn meest geliefde plek in de stad, maar nu was ik hier zeker al een jaar niet meer geweest. Het was een zonnige dag in maart en ik vroeg me af waarom ik hier niet meer kwam. Ik voelde de laatste tijd steeds meer de nood om me te ontdoen van alle overbodige voorwerpen die ik in de loop der jaren had verzameld. Geleidelijk aan, want ik had geen auto en het viel me zwaar om afscheid te nemen. Elke dinsdag bracht ik een herbruikbare zak vol afgedankte spullen naar het Leger des Heils. Daarom kwam ik hier niet meer. Ik wilde vermijden dat ik met nieuwe oude dingen huiswaarts zou keren.  

Hier stonden televisies uit de tijd dat die warmte uitstraalden. Waspoeder van toen dat nog in tonnetjes zat. Hier lagen fotoboeken uit de tijd dat vliegreizen met Sabena werden gemaakt en prijzen nog niet in euro uitgedrukt. Serviezen van toen mensen er daar maar één van hadden, meestal van Boch Frères uit La Louvière, als huwelijksgeschenk gekregen. Het meest troffen me onverkoopbare zaken zoals een kopje zonder oortje, een bevlekt tafelkleed, een pan met roestige bodem, afbladderende kerstballen, een dienblad met nog maar één handvat.

Je kon persoonlijkheden reconstrueren. Welke kleren iemand had gedragen, welke boeken gelezen, welke spelletjes gespeeld, welke postkaarten gekregen, van welke borden gegeten.  Wat overbleef van een leven werd hier voor één euro per stuk te koop aangeboden.

Ik verbaasde me erover dat een babyalbum van iemand geboren in 1942 geen familie meer had die er nog in wou kijken. Alleen aan de kasseien van het Vossenplein kon men het kwijt. Niemand die nog geïnteresseerd was in het feit dat deze baby, Georges, geboren in volle oorlogstijd, na vier weken al voor het eerst had gelachen en met Kerst 1942 zijn eerste tandje had gekregen. Ik legde het album terug. Het kostte me grote moeite het niet te kopen. Ik had thuis al een album van een baby die ik niet kende, Dominique, geboren in 1961. Als ik me niet beheerste zou ik elk afgedankt babyalbum adopteren.

Wanneer ik hier dingen kocht, was het vaak niet omdat ik ze mooi vond of nodig had. Maar omdat ik er de handen in voelde die ze eerder hadden aangeraakt. Deze keer werd ik getroffen door een oud kookboek met een stoffen omslag dat er met de hand omheen was genaaid, rood-wit geruit, het wit verkleurd tot beige. Er was een tijd geweest dat mensen maar één kookboek bezaten, dat beschermd werd om een leven lang, zelfs meerdere generaties mee te gaan. Nu lag zo’n boek hier in een doos tussen de rommel. Ik kocht het niet. Het was een gok. Soms was ik het voorwerp de volgende dag alweer vergeten, soms bleef het nog jaren door mijn hoofd spoken. Zo werd ik nog geregeld geplaagd door de gedachte aan een gele gietijzeren pan en een turkooizen theemuts met oranje bloemen die ik hier jaren geleden had laten staan.

Ik kwam bij twee tafels waarop een grote lading boeken was uitgestort. Helemaal onderaan zag ik een titel die me aansprak, “Voer voor psychologen”. Ik trok het boek voorzichtig vanonder de andere boeken. Ik hield het de verkoper voor en vroeg de prijs. Hij nam het boek van me over, bekeek aandachtig voor- en achterkant met een geveinsde kennersblik. Alsof ik net die ene schat tussen de rommel had gevonden. Hij vroeg te veel voor het verfomfaaide exemplaar, ik dong af, hij gaf niet toe. Ik liep weg, hij riep me na dat het goed was. Zo ging het spel. Ik liep terug en kocht het boek.

Mijn oog viel op een bokaal met gedroogde kamillebloempjes. “1987” was met zwarte alcoholstift op het deksel geschreven. Ik zag nog twee dozen vol gelijkaardige bokalen. Iemand had, jaar na jaar, deze bloemen langs bermen geplukt, ze ergens in huis te drogen gehangen, ze een voor een van de steel geknipt en in bokalen bewaard. Tevergeefs. Hun thee was nooit gedronken, hun geur lang vervlogen, hun kalmerende werking vergeten, hun medicinale kracht ver verstreken. Misschien hadden ze blonde haren een gouden gloed moeten geven. Was de vrouw die ze geplukt had overleden. Dat ze hier toch nog te koop werden aangeboden, vervulde me met melancholie.

Ik nam plaats op een terras, aan een tafel van vier, rug tegen de gevel, gezicht in de zon. Naast mij, ook aan een tafel van vier, zat een man met een zwarte vilthoed. Hij zat aan de linkerkant, ik aan de rechter. Tussen ons in waren twee vrije stoelen. Ik bestelde een koffie en nam de krant uit mijn rieten tas. Een man met kort grijs haar vroeg in het Frans aan de man met de hoed of de plaats naast hem vrij was. Hij verwachtte iemand. “Vous pouvez vous installer à côté de moi,” zei ik. Hij kwam naast me zitten en legde zijn De Morgen naast mijn De Standaard. Zoals zo vaak in deze stad, had ik Frans met een Nederlandstalige gesproken. Ik zei er niets van.

“Is die plaats naast u vrij?” Nu was het een vrouw die het vroeg. “Ik wacht op iemand, maar gaat u gerust zitten,” zei de man met de hoed. “Ik moet in de zon zitten, zodat mijn haar kan drogen,” zei ze. Ze was gaan zwemmen. Verheugd merkte ze de man naast mij op. “Ah, gij zat hier op mij te wachten!” Ze ging zitten. “Mag ik een stuk van uw krant?” De krant werd verdeeld, koffies besteld, pakjes tabak op tafel gelegd. Een groen, een geel, een blauw. Tigra, Ajja, Pall Mall.

Ik had nooit gerookt, maar soms genoot ik ervan mee te roken, vooral zelfgerolde sigaretten. Ik keek graag naar de vingers die de tabak verdeelden over het vloeiblaadje, de behendigheid van het rollen, de vlam die uit de aansteker kwam, het opgloeien van de sigaret. Zelfs het zacht inademen van de rook was me in open lucht vaak aangenaam.

De vrouw vertelde mijn tafelgenoot dat ze een boek aan het lezen was over de naoorlogse economische geschiedenis van Europa. Ze doorbladerde de krant en gaf commentaar bij een artikel over Poetin. Ik vond haar intelligent en prettig om naar te luisteren. Af en toe keek ik op. Ze zagen dat ik meeluisterde. Ze gingen niet stiller spreken, maar ook niet luider, zoals mensen soms doen wanneer ze zichzelf interessant vinden en merken dat ze publiek hebben. Het deerde hen gewoon niet dat ik een beetje deelnam.

“Dit heb ik gekocht.” Mijn tafelgenoot  toonde een dunne brochure aan zijn gesprekspartner. “Au-delà de la mort” door Kardinaal Danneels. Hij leek me niet gelovig, maar wel iemand die zich voor veel uiteenlopende dingen interesseerde. Het hiernamaals was daar waarschijnlijk een van.

Ik toonde hem het boek dat ik gekocht had. Op de cover stond een met enge blik zijwaarts kijkende man, van wie het vel was gestroopt. Pezen, spieren en vlees lagen bloot, van penis en scrotum schoot nauwelijks iets over. Het was een bijna vijfhonderd jaar oude houtsnede uit het anatomieboek van Andreas Vesalius. Hij nam me het boek uit de hand en zei, zonder erin te kijken: “Het is een derde druk hè.” Hij verraste me. Hij moest het boek ook uit de grote stapel hebben gehaald. “Ik heb het thuis,” zei hij. Hij sloeg het open, daar waar stond:

Eerste druk maart 1961
Tweede druk april 1961
Derde druk juni 1961

Een hele tijd staarde hij ernaar. Hij keek op en zei: “Het is van mijn geboortejaar.” Ik zag dat het hem iets deed. “Is het mooi?” vroeg ik. “Ja,” zei hij en gaf me het boek terug. We zwegen. De vrouw was intussen gemoedelijk aan het praten met de man met de hoed.

Een man kwam aangelopen, steunend op zijn wandelstok. Van ver reeds wist ik dat hij de vriend was die verwacht werd. De man met de hoed riep hem iets toe, zijn vriend maakte rechtsomkeert en verdween weer tussen de kramen van het Vossenplein. “Zo begroet je iemand toch niet!” zei de vrouw met de natte haren verontwaardigd. “Gisteren kloeg hij erover dat niemand ooit “Tu m’emmerdes” tegen hem durfde te zeggen. “Ik wel,” zei de man met de hoed.

“Lente barst los” – de vrouw las het weerbericht voor, we lachten, het was zo’n zinloze mededeling op het zonnige terras. Ze niesde een paar keer. “Helaas barst het niezen ook weer los,” zei ze. Zij las nu een artikel over de olifant. Onderzoek had uitgewezen dat deze op hetzelfde intellectuele niveau als de mens stond. Het waren buitengewoon intelligente, sociale en empathische dieren. “De Morgen besteedt daar bijna een hele bladzijde aan, Le Soir slechts een klein stukje,” zei ze.

De man met de wandelstok kwam weer aangelopen. Nu stond zijn vriend recht, liep naar hem toe en omhelsde hem stevig. Ze gingen zitten en begonnen te praten. Ik verstond hen niet, maar begreep dat zij een altijd doorlopend gesprek met elkaar voerden waarin stiltes nooit pijnlijk waren.

Een bij landde op de krant van de vrouw. Precies daar waar, op de verder zwart-witte bladzijde, een kleine gele bol stond afgedrukt, met daarin de namen van de auteurs van een opiniestuk, “Feminisme is een mannenzaak”. Hij moet van ver gedacht hebben dat hij het hart van een bloem zag. “Een wesp!” “Maar nee, het is een bij.” Opmerkelijk toch hoe wij steeds meer vervreemden van de natuur, dacht ik. We keken naar de bij in het midden van de bol. Even bleef hij zitten. “Zou hij willen dat ik dit lees?” vroeg de vrouw. Volgens mij wou hij ons wijzen op de massale, mogelijk catastrofale bijensterfte. Ik vond het een wonder dat hij de gele bol in deze bloemloze omgeving had gevonden. Toen hij merkte dat er geen stuifmeel te halen viel, vloog hij weg, even plots als hij gekomen was. Met vier keken we hem na, tot hij uit het zicht verdwenen was. Wanneer ik er ’s avonds aan terugdacht, scheen dit me het mooiste moment van de dag.

Ik hoefde niet te weten wie deze mensen waren, hoe ze heetten, wat ze deden. We dronken koffie, keken om ons heen, we luisterden, we lazen, we praatten, we zwegen. Het leek lang geleden dat ik nog zo aangenaam met anderen samen was geweest. Ik besloot mezelf evenveel tijd te geven als zij en te blijven zitten tot hun afscheid.

Tijd leek voor hen iets anders dan voor mij. “Welke dag is het vandaag?” vroeg de man met de hoed. Hij ging het rijtje af. “Vrijdag,” antwoordde zijn vriend. “Vrijdag,” antwoordde de vrouw. “Vrijdag,” antwoordde mijn buurman. “Zeker?” “Het staat toch op de krant?” “De krant kan zich vergissen. Het kan ook de krant van gisteren zijn.” “Wil je dat we een uitgebreidere steekproef houden?” Dat vond de man met de hoed niet nodig.

Ik was klaar met De Standaard en haalde nu een roman boven. Mijn buurman vroeg of hij mijn krant mocht lezen. Hij begon bij de literatuurbijlage, bij een stuk over een heruitgegeven roman van Julio Cortázar. “Dat moet ook een mooi boek zijn,” zei ik. “Cortázar is in Brussel geboren. Dat wist ik niet,” antwoordde hij. “Ik ook niet.” ’s Avonds las ik dat de schrijver honderd jaar geleden, op 26 augustus 1914 in Elsene was geboren en daar zijn eerste twee levensjaren had doorgebracht, in de Louis Lepoutrelaan 116, waar nu een standbeeld van hem stond. Ook Vesalius was in Brussel geboren, vierhonderd jaar eerder, op 31 december 1514. Hij had zelfs in de Marollen gewoond, op een boogscheut van het nog onbestaande Vossenplein. In 1621 werd zijn voormalige huis afgebroken om plaats te maken voor de Miniemenkerk. Dat had ik niet geweten toen ik die voormiddag zijn illustratie zag op het omslag van het boek. Altijd zocht ik verbanden tussen mensen, dingen, plaatsen en data. Ik nam me voor de geboorteplaatsen van Cortázar en Vesalius spoedig eens te bezoeken.

Mijn buurman was klaar met De Standaard, de vrouw vroeg of ze hem mocht lezen. Hij draaide zich naar haar toe om de krant te geven. Met een kleine schok zag ik dat hij, op het achterhoofd, een grote letter T in zijn grijze haar had getrimd. De eerste letter van mijn voornaam. En van Toeval.

“Loonkloof gehalveerd in 10 jaar.” De vrouw las de kop luidop voor. “Bizar.” Ze las de kop van Le Soir, die naast haar lag: “Les femmes gagnent 21% de moins que les hommes. Ze moeten zich op dezelfde cijfers gebaseerd hebben. Toch vertelt de ene kop iets heel anders dan de andere.” “Mag ik uw speculoos hebben?” vroeg ze aan de man naast me. Ze sloeg de bladzijde van haar krant om. “Belg moet vijf keer minder suiker eten.” Ze lachte. Alsof de krant haar terechtwees. “Weer twee straatrovers opgepakt” – ze schaterde. “Vanwaar halen ze het: straatrovers!” “Er zijn geen struiken meer om zich in te verschuilen,” veronderstelde de man met de hoed. De man met de wandelstok dook diep weg in de kap van zijn sweater. Het was lang geleden dat ik de krant nog zo interessant had gevonden. En amusant.


De marktkramers begonnen op te ruimen. Dat was het moment waarop je koopjes kon doen. Zonder iets te zeggen liep mijn buurman naar het plein. Zijn leesbril en zijn zonnebril bleven op tafel liggen, met zijn pakje tabak. Hij was er vanuit gegaan dat ik zijn spullen zou bewaken. Ik kon nu niet weggaan voor hij terug was. Ik las verder. Een hevige windstoot blies zijn tabak op de grond. Ik boog me voorover, raapte het pakje op dat onder onze tafel was terecht gekomen. Zorgzaam legde ik het op de tafel, zette de asbak erop zodat het niet meer weg kon waaien.

De vrouw stond recht, ze moest ervandoor. Even later kwam ze voorbij gefietst, met wapperende, inmiddels droge haren. Mijn buurman bleef lang weg. Ik dacht aan het rood-beige geruite kookboek. Zou ik gaan kijken of het er nog lag en het alsnog kopen? Maar ik wou de spullen van mijn buurman niet onbewaakt achterlaten, bovendien zou mijn plaats bij terugkomst waarschijnlijk ingenomen zijn.

Een oude man kwam voorbij, graatmager, lang grijs haar, lange baard. Hij droeg een versleten beige regenjas waaraan allerlei vondsten van de rommelmarkt waren vastgemaakt: flessen, kopjes, belletjes, stofjes, sleutelhangers, poppetjes. Hij hing hier duidelijk vaak rond. Een Nederlandse toeriste vroeg of ze een foto van hem mocht maken, hij poseerde gewillig. Hij haalde een aardewerken Kerstman uit zijn tas, liep naar een kind en gaf het de Kerstman. Het jongetje wist niet goed wat gedaan, maar nadat zijn vader hem daartoe aanspoorde, nam hij het beeld aan en zei merci.

Daar was mijn tafelgenoot weer, hij droeg drie boeken onder de arm. Hij vroeg naar de vrouw. Ik zei dat ze net vertrokken was, hij leek teleurgesteld. We keken samen in zijn geïllustreerde boeken, een over Congo, een over India, een over Nieuw-Zeeland. Ik stond op om naar het toilet te gaan, vroeg of hij op mijn spullen wou passen en liep naar binnen. In de spiegel zag ik dat mijn gezicht al wat zon had gevangen. Ik stiftte mijn lippen in de kaneelroze kleur waarzonder ik niet kan.

Ik nam weer plaats op het terras. Het was tijd om mijn tocht verder te zetten. Naar de bovenstad, dan via het Egmontpark en de Zavel naar het centrum. Mijn tafelgenoot keek naar me en zei: “Er zit iets in je haar”. “Ja, het zit er al de hele tijd,” zei de man met de wandelstok. Zij hadden mij ook geobserveerd. Ik ging met mijn hand door mijn haar, twee keer, tevergeefs. Mijn haren waren het gevoeligste deel van mijn lichaam. Slechts een paar mensen mochten me daar aanraken. Mijn tafelgenoot stak zijn hand naar me uit. Met een nonchalant gebaar, alsof we elkaar al jaren kenden, plukte hij iets uit mijn haar. Het was een driehoekige snipper bruin papier, van een boek, een omslag of een oude brief. Ik legde hem voor me op de tafel, we lachten. Ik had nu makkelijk iets kunnen vragen over de betekenis van de T in zijn haar. Maar ik zweeg.

Ik stond op. Zij bleven. Drie uur had ik hier gezeten. Ik moest me gewonnen geven. Zij hadden meer tijd dan ik.

“Tot ziens,” zei ik. Ik vroeg me af of ik mijn tafelgenoot nog terug zou zien. Soms kwam ik zo’n vriendelijke vreemde de volgende week alweer ergens tegen. Soms bleef ik hem vervolgens overal tegenkomen. Soms pas een jaar later, of nog langer. Of zag ik hem pas weer wanneer ik niet meer wist vanwaar ik zijn gezicht kende. Misschien zag ik hem nooit meer, maar zonder hem te vergeten. “Tot ziens,” zei hij. Ik wandelde in de richting van de grote glazen lift.

Deze tekst schreef ik in 2014 en zond hem in voor de verhalenwedstrijd van Bruzz – toen nog Brussel deze Week. De tekst was niet bij de acht verhalen die gepubliceerd werden. Gisteren vernam ik dat café Chaff op het Vossenplein failliet is door de coronacrisis. Het was mijn favoriete terras, en dit verhaal speelt zich er af.

Boven de stad

Nog negen minuten voor de negentien komt. Omdat ik niet graag stilsta, stap ik naar de volgende halte. Wanneer ik daar aankom, duurt het nog steeds negen minuten voor de negentien komt. Ik loop door naar het station. Ook hier moet ik nog negen minuten wachten, geeft het bord aan. Ik stap verder. Op de hoek van de straat, bij het kerkhof, rijdt de tram me plots voorbij. Het is niet erg, ik heb nog tijd.

Ik wandel tot ik bij een vijver kom. Die heb ik al eens eerder gezien, in een droom van twee dagen geleden. Toen zat ik hier aan een tafel en las een krant. Een plotse windstoot deed de krant opwaaien. Hij dwarrelde naar beneden, in de vijver. Zonder me eerst te ontkleden dook ik hem achterna en redde hem. Ik vouwde de doorweekte krant open. In het midden zat een gat ter grootte van mijn gezicht.

Vandaag is het windstil. Een paar dagjesmensen zitten in het gras, drie nijlganzen staan bij de rand van het water. Ik wandel verder en zoek mijn weg met de routewijzer van mijn telefoon. Die stuurt me een paar keer heen en weer. Het lijkt of ik telkens ergens voorbij loop.

Dan zie ik het. Een gewelf met een stenen trap. Hier moet ik naar boven. Mijn bestemming bevindt zich op een ander niveau. Ik ga de trap op. Niemand ziet me hier, het voelt een beetje eng. De trap leidt naar een brug uit een andere tijd, hij heeft een grandeur die we nu niet meer kennen. Ik loop eroverheen en kom bij een lange hoge muur. Hier zijn geen zijstraten, ik moet de muur volgen op het smalle voetpad, terwijl auto’s me voorbijsnellen. Net wanneer ik begin te vrezen dat de muur eindeloos is, stopt hij. Ik sla de hoek om.

Daar is een poortje. Vorige keer heb ik deze ingang niet gevonden. Ik begrijp nu waarom, hij ligt zo goed verborgen. Weer zie ik trapjes. Bovenaan de trapjes, tussen de helleborussen staat een koppel in een innige omhelzing, kussend. Ik observeer hen even, ga dan naar binnen. Ik loop het kussende paar voorbij, ze merken me niet op. Nu bevind ik me nog een niveau hoger, op een smal paadje. De hoge muur die zojuist links van me was, loopt nu rechts van mij en is maar half zo hoog meer. Ik kijk neer op de auto’s. Even draai ik me om: het koppel is verdwenen.

Ik volg het smalle paadje en sta plots in een grote, aangelegde tuin, hoog in de stad. De straten waar ik zonet gelopen heb, zijn nergens meer te bekennen. Alsof ik in een parallelle wereld ben hoog boven de begane grond. Ik lijk me op de hoogte van de kruinen van de bomen te bevinden en van de toppen van de torens die ik in de verte zie. Links en vrij dichtbij een kerk, rechts in de verte buildings. Vlak voor me, centraal in het landschap, in een zee van duingras, eist een expressief boompje zijn plaats op. Zijn kale, dunne takken en haarfijne twijgjes zijn tegelijk kwetsbaar en krachtig. Het boompje doet me sterk denken aan het affichebeeld van een sprookjesachtige film. Ik wil die film zoeken en bekijken.

Narcissen bloeien langs de rand van het pad. Een jonge vrouw poseert er voor haar vriendin. Ze heeft een oudroze deken om zich heen geslagen. Ze neemt verschillende houdingen aan terwijl haar vriendin foto’s neemt. Ze zien niet dat ik hen vanuit de verte fotografeer. Door de narcissen heen.

Op een bankje zit een gezin alsof ze hier elke zondag samenkomen, een ouderpaar en drie volwassen kinderen, ze lachen en praten over een Franse film. En over de actrice die daarin zo’n mooie tailleur draagt.

Twee vrienden wandelen onder een brugje door, een van hen raapt iets op van de grond, zijn vriend wacht op hem. Families picknicken in het gras. Twee kinderen voetballen in een verborgen hoekje. Deze tuin is al deze mensen vertrouwd, maar ze lijken de stilzwijgende afspraak te hebben hem geheim te houden.

Een beetje verder kom ik bij een uitkijkpost. Onder mij ligt een boomgaard waar een oude appelboom in bloei staat. Zo ver als ik kan kijken zie ik gras en bomen. Waar is de stad waar ik zonet nog was?

Ik loop verder, kom door een bosachtig stuk waaronder weer helleborussen groeien. De bomen begroeten me met hun grillige takken, even denk ik dat ze me vast zullen pakken.

Bij de rand van de tuin zie ik in de diepte onder me geraamtes van serres, overwoekerd door vlinderstruiken en een boompje met witte bloesems. Hier waren de geesten nog rond van de mannen die lang geleden deze tuin aanlegden.

Ik keer terug via het lange smalle paadje, ga door het kleine poortje naar buiten. Ik besluit niet langs dezelfde weg naar huis te gaan maar rechtsaf te slaan, de straat naar beneden. Er is niemand, er rijden geen auto’s, het is hier zo doods. Je zou hier op klaarlichte dag overvallen kunnen worden. Ineens sta ik voor een droomhuis, een reusachtige villa met rode ramen en dakgoten, rechts een gastvrij prieel in rood houtwerk. Het geeft me het gevoel aan de kust te zijn.

Wie zou hier wonen? Ik sta stil voor de gevel en fantaseer over het leven erachter. Iets doet mij besluiten aan te bellen. De bel klinkt luid en schel. Driiiiiing!

Zelfhulp

De man bij de ingang begroet me met een vriendelijk knikje naar de handgel-dispenser. Die is hier gul, weet ik, hij geeft je snel te veel. Voorzichtig trek ik aan het hendeltje, wrijf mijn handen in. Ik volg de witte pijlen op de vloer naar rechts, waar de aanwinsten staan.

Er staat een karretje vol nieuwe boeken. Twee vrouwen zijn ze samen aan het uitstallen op een grote tafel. Ik zie dat het zelfhulpboeken zijn. Dat is nodig in deze tijd. Het wordt steeds moeilijker om elkaar te helpen.

Wanneer je lichaam nee zegt.

De kunst van het ongelukkig zijn.

Lekker lang leven.

Beter leren leven met pijn.

Slaap: het nieuwe medicijn.

Zit seks tussen de oren?

Koester je boezem. 

Achterwerk: alles over het laatste lichamelijke taboe.

Kusje erop: de waarheid achter 70 gezondheidsmythes.

Ademen: hoe lucht je leven kan veranderen.

Voor alles bestaat een boek. Slapen en ademen zijn hun vanzelfsprekendheid kwijt. Ze gaan niet meer zomaar. We moeten ze opnieuw leren. Ik vind alles interessant, denk dat elk van deze boeken mij zou kunnen helpen. Ik zou me er een burn-out aan kunnen lezen.

De twee vrouwen amuseren zich met het uitstallen. Niets gebeurt ondoordacht. Welk boek leggen we naast de migraine? De menopauze? De immuniteit? Geen enkel boek wordt willekeurig op de tafel gelegd. Hoewel ze nog niet klaar zijn, sporen ze me aan om mee te nemen wat me interesseert. Ze maken me ook warm voor de workshops die ze gaan organiseren.

Ik neem een boek over rust. Ik zeg dat ik graag wil weten wat rust is. Want ik voel me altijd wat onrustig als goedmenenden me aanmanen rust te nemen. Wat moet ik dan doen? Niets? Moeilijk. Wat is rust eigenlijk? De vrouwen begrijpen me. We praten ook over gezichtscrèmes, zij zweren bij de blauwe doos en hebben het over de zinloosheid van oogcontourcrèmes. Ik wens hen nog veel plezier en loop naar de inleverautomaat.

Die heeft ook hulp nodig, hij is niet in staat mijn teruggebrachte boeken in te slikken. Ik begeef me naar de balie op de eerste verdieping. Daar vraagt een vrouw met een hoofddoek in het Frans naar een boek dat haar dochter nodig heeft voor school. Ze denkt dat het ‘De chefkok van Monaco’ heet. De man achter de balie vindt het niet in het systeem. Ik spreek de vrouw aan in het Nederlands, ze kent de taal maar is bang om ze te spreken. Ik zeg dat ik lerares Nederlands ben en dat ze een goed niveau heeft. Ze kent mijn school, heeft er les gevolgd. Ik weet welk boek ze bedoelt, ik zie de cover voor mij. Na even zoeken vind ik het op mijn telefoon: het gaat om ‘De keukenprins van Mocano’. We lachen. Ze had het toch ongeveer juist. De man van de bibliotheek bedankt me.

‘Kan ik u helpen, zoekt u iets?’ hoor ik achter me. ‘Ja, ik zoek mijn vrouw.’ Ik herken de stem van mijn man. Een steward heeft hem aangesproken. Hij heeft niet veel werk vandaag, het is heel rustig. Mijn man toont me blij een film die hij net heeft uitgeleend, ‘Green book’.

Samen lopen we naar de uitgang. Op het gelijkvloers worden we opnieuw aangesproken. ‘Jullie komen hier al heel lang he?’ Ze werkt hier al zolang ik hier kom, een jaar of vijfendertig. Ze kent ons allebei al jaren van zien, maar wist niet dat we samen waren. Ik haal herinneringen op aan de tijd dat ik als twaalfjarige de trein naar Brussel nam om boeken te ontlenen. Omdat ik in mijn provinciestad alle leuke boeken uit de jeugdbibliotheek gelezen had. Toen  Muntpunt nog de Hoofdstedelijke Openbare Bibliotheek was. De boeken stonden verspreid over de verschillende etages van een stoffig herenhuis met tapijt op de trappen. In die tijd sprak ik soms met haar, want ik kende haar zus. Maar in de loop der jaren leek ze me niet meer te herkennen. Na de verbouwing leek de hoeveelheid rechtstreeks aan te spreken medewerkers omgekeerd evenredig met het aantal vierkante meters.

Vandaag is er weer tijd en plaats voor een praatje.

Bij het buitengaan loop ik nog snel even tegen de pijlen in naar de tafel bij het begin. De twee vrouwen zijn klaar, vermoedelijk nemen ze nu hun lunchpauze, verder brainstormend of mediterend. Ik maak een foto van hun werk. Net op dat moment opent een deur tegenover de tafel en komt een andere bibliotheekmedewerker tevoorschijn. Hij vraagt lachend of we van het journaal zijn. Ik vertel hem over mijn blog en dat we in Jette wonen. Jette, daar heeft hij nog gevoetbald, antwoordt hij terwijl hij een koffie uit de automaat haalt.

We lopen naar de uitgang. ‘Tot straks!’ zegt de man.

We lachen. Tot straks? Hij zag toch duidelijk dat we vertrokken?

‘Straks’ maakt het draaglijker, zeg ik tegen mijn man. Misschien moeten we wat vaker ‘tot straks’ zeggen.

Bij het buitengaan kan ik de royale handgel-dispenser niet ontlopen: hij geeft me een dubbele portie. Met beide handen wrijf ik de handen van mijn man in met mijn overtollige gel. Een intiem gebaar in deze steriele tijd.

Thuis in de tuin lees ik over de kunst van het rusten. In het boek staat een top 10 van wat mensen rustgevend vinden.

Op één: lezen.