Zelfhulp

De man bij de ingang begroet me met een vriendelijk knikje naar de handgel-dispenser. Die is hier gul, weet ik, hij geeft je snel te veel. Voorzichtig trek ik aan het hendeltje, wrijf mijn handen in. Ik volg de witte pijlen op de vloer naar rechts, waar de aanwinsten staan.

Er staat een karretje vol nieuwe boeken. Twee vrouwen zijn ze samen aan het uitstallen op een grote tafel. Ik zie dat het zelfhulpboeken zijn. Dat is nodig in deze tijd. Het wordt steeds moeilijker om elkaar te helpen.

Wanneer je lichaam nee zegt.

De kunst van het ongelukkig zijn.

Lekker lang leven.

Beter leren leven met pijn.

Slaap: het nieuwe medicijn.

Zit seks tussen de oren?

Koester je boezem. 

Achterwerk: alles over het laatste lichamelijke taboe.

Kusje erop: de waarheid achter 70 gezondheidsmythes.

Ademen: hoe lucht je leven kan veranderen.

Voor alles bestaat een boek. Slapen en ademen zijn hun vanzelfsprekendheid kwijt. Ze gaan niet meer zomaar. We moeten ze opnieuw leren. Ik vind alles interessant, denk dat elk van deze boeken mij zou kunnen helpen. Ik zou me er een burn-out aan kunnen lezen.

De twee vrouwen amuseren zich met het uitstallen. Niets gebeurt ondoordacht. Welk boek leggen we naast de migraine? De menopauze? De immuniteit? Geen enkel boek wordt willekeurig op de tafel gelegd. Hoewel ze nog niet klaar zijn, sporen ze me aan om mee te nemen wat me interesseert. Ze maken me ook warm voor de workshops die ze gaan organiseren.

Ik neem een boek over rust. Ik zeg dat ik graag wil weten wat rust is. Want ik voel me altijd wat onrustig als goedmenenden me aanmanen rust te nemen. Wat moet ik dan doen? Niets? Moeilijk. Wat is rust eigenlijk? De vrouwen begrijpen me. We praten ook over gezichtscrèmes, zij zweren bij de blauwe doos en hebben het over de zinloosheid van oogcontourcrèmes. Ik wens hen nog veel plezier en loop naar de inleverautomaat.

Die heeft ook hulp nodig, hij is niet in staat mijn teruggebrachte boeken in te slikken. Ik begeef me naar de balie op de eerste verdieping. Daar vraagt een vrouw met een hoofddoek in het Frans naar een boek dat haar dochter nodig heeft voor school. Ze denkt dat het ‘De chefkok van Monaco’ heet. De man achter de balie vindt het niet in het systeem. Ik spreek de vrouw aan in het Nederlands, ze kent de taal maar is bang om ze te spreken. Ik zeg dat ik lerares Nederlands ben en dat ze een goed niveau heeft. Ze kent mijn school, heeft er les gevolgd. Ik weet welk boek ze bedoelt, ik zie de cover voor mij. Na even zoeken vind ik het op mijn telefoon: het gaat om ‘De keukenprins van Mocano’. We lachen. Ze had het toch ongeveer juist. De man van de bibliotheek bedankt me.

‘Kan ik u helpen, zoekt u iets?’ hoor ik achter me. ‘Ja, ik zoek mijn vrouw.’ Ik herken de stem van mijn man. Een steward heeft hem aangesproken. Hij heeft niet veel werk vandaag, het is heel rustig. Mijn man toont me blij een film die hij net heeft uitgeleend, ‘Green book’.

Samen lopen we naar de uitgang. Op het gelijkvloers worden we opnieuw aangesproken. ‘Jullie komen hier al heel lang he?’ Ze werkt hier al zolang ik hier kom, een jaar of vijfendertig. Ze kent ons allebei al jaren van zien, maar wist niet dat we samen waren. Ik haal herinneringen op aan de tijd dat ik als twaalfjarige de trein naar Brussel nam om boeken te ontlenen. Omdat ik in mijn provinciestad alle leuke boeken uit de jeugdbibliotheek gelezen had. Toen  Muntpunt nog de Hoofdstedelijke Openbare Bibliotheek was. De boeken stonden verspreid over de verschillende etages van een stoffig herenhuis met tapijt op de trappen. In die tijd sprak ik soms met haar, want ik kende haar zus. Maar in de loop der jaren leek ze me niet meer te herkennen. Na de verbouwing leek de hoeveelheid rechtstreeks aan te spreken medewerkers omgekeerd evenredig met het aantal vierkante meters.

Vandaag is er weer tijd en plaats voor een praatje.

Bij het buitengaan loop ik nog snel even tegen de pijlen in naar de tafel bij het begin. De twee vrouwen zijn klaar, vermoedelijk nemen ze nu hun lunchpauze, verder brainstormend of mediterend. Ik maak een foto van hun werk. Net op dat moment opent een deur tegenover de tafel en komt een andere bibliotheekmedewerker tevoorschijn. Hij vraagt lachend of we van het journaal zijn. Ik vertel hem over mijn blog en dat we in Jette wonen. Jette, daar heeft hij nog gevoetbald, antwoordt hij terwijl hij een koffie uit de automaat haalt.

We lopen naar de uitgang. ‘Tot straks!’ zegt de man.

We lachen. Tot straks? Hij zag toch duidelijk dat we vertrokken?

‘Straks’ maakt het draaglijker, zeg ik tegen mijn man. Misschien moeten we wat vaker ‘tot straks’ zeggen.

Bij het buitengaan kan ik de royale handgel-dispenser niet ontlopen: hij geeft me een dubbele portie. Met beide handen wrijf ik de handen van mijn man in met mijn overtollige gel. Een intiem gebaar in deze steriele tijd.

Thuis in de tuin lees ik over de kunst van het rusten. In het boek staat een top 10 van wat mensen rustgevend vinden.

Op één: lezen.

5 gedachtes over “Zelfhulp

  1. Een prachtig verhaal. Alweer. Dat ‘tot straks’ herken ik heel goed. Ik zeg al heel mijn leven, bij het instoppen van mijn drie kinderen, heel bewust na de ‘slaapwel’ of ‘slaap lekker’ nooit ‘tot morgen’. Dat is me te lang, ik trek dat niet. Ik zeg: “Tot straks!” En trek dan zachtjes de deur dicht.

    Like

  2. Pingback: Lezen op het kookeiland (vangst #9) – Aanlegplaats

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s