Boven de stad

Nog negen minuten voor de negentien komt. Omdat ik niet graag stilsta, stap ik naar de volgende halte. Wanneer ik daar aankom, duurt het nog steeds negen minuten voor de negentien komt. Ik loop door naar het station. Ook hier moet ik nog negen minuten wachten, geeft het bord aan. Ik stap verder. Op de hoek van de straat, bij het kerkhof, rijdt de tram me plots voorbij. Het is niet erg, ik heb nog tijd.

Ik wandel tot ik bij een vijver kom. Die heb ik al eens eerder gezien, in een droom van twee dagen geleden. Toen zat ik hier aan een tafel en las een krant. Een plotse windstoot deed de krant opwaaien. Hij dwarrelde naar beneden, in de vijver. Zonder me eerst te ontkleden dook ik hem achterna en redde hem. Ik vouwde de doorweekte krant open. In het midden zat een gat ter grootte van mijn gezicht.

Vandaag is het windstil. Een paar dagjesmensen zitten in het gras, drie nijlganzen staan bij de rand van het water. Ik wandel verder en zoek mijn weg met de routewijzer van mijn telefoon. Die stuurt me een paar keer heen en weer. Het lijkt of ik telkens ergens voorbij loop.

Dan zie ik het. Een gewelf met een stenen trap. Hier moet ik naar boven. Mijn bestemming bevindt zich op een ander niveau. Ik ga de trap op. Niemand ziet me hier, het voelt een beetje eng. De trap leidt naar een brug uit een andere tijd, hij heeft een grandeur die we nu niet meer kennen. Ik loop eroverheen en kom bij een lange hoge muur. Hier zijn geen zijstraten, ik moet de muur volgen op het smalle voetpad, terwijl auto’s me voorbijsnellen. Net wanneer ik begin te vrezen dat de muur eindeloos is, stopt hij. Ik sla de hoek om.

Daar is een poortje. Vorige keer heb ik deze ingang niet gevonden. Ik begrijp nu waarom, hij ligt zo goed verborgen. Weer zie ik trapjes. Bovenaan de trapjes, tussen de helleborussen staat een koppel in een innige omhelzing, kussend. Ik observeer hen even, ga dan naar binnen. Ik loop het kussende paar voorbij, ze merken me niet op. Nu bevind ik me nog een niveau hoger, op een smal paadje. De hoge muur die zojuist links van me was, loopt nu rechts van mij en is maar half zo hoog meer. Ik kijk neer op de auto’s. Even draai ik me om: het koppel is verdwenen.

Ik volg het smalle paadje en sta plots in een grote, aangelegde tuin, hoog in de stad. De straten waar ik zonet gelopen heb, zijn nergens meer te bekennen. Alsof ik in een parallelle wereld ben hoog boven de begane grond. Ik lijk me op de hoogte van de kruinen van de bomen te bevinden en van de toppen van de torens die ik in de verte zie. Links en vrij dichtbij een kerk, rechts in de verte buildings. Vlak voor me, centraal in het landschap, in een zee van duingras, eist een expressief boompje zijn plaats op. Zijn kale, dunne takken en haarfijne twijgjes zijn tegelijk kwetsbaar en krachtig. Het boompje doet me sterk denken aan het affichebeeld van een sprookjesachtige film. Ik wil die film zoeken en bekijken.

Narcissen bloeien langs de rand van het pad. Een jonge vrouw poseert er voor haar vriendin. Ze heeft een oudroze deken om zich heen geslagen. Ze neemt verschillende houdingen aan terwijl haar vriendin foto’s neemt. Ze zien niet dat ik hen vanuit de verte fotografeer. Door de narcissen heen.

Op een bankje zit een gezin alsof ze hier elke zondag samenkomen, een ouderpaar en drie volwassen kinderen, ze lachen en praten over een Franse film. En over de actrice die daarin zo’n mooie tailleur draagt.

Twee vrienden wandelen onder een brugje door, een van hen raapt iets op van de grond, zijn vriend wacht op hem. Families picknicken in het gras. Twee kinderen voetballen in een verborgen hoekje. Deze tuin is al deze mensen vertrouwd, maar ze lijken de stilzwijgende afspraak te hebben hem geheim te houden.

Een beetje verder kom ik bij een uitkijkpost. Onder mij ligt een boomgaard waar een oude appelboom in bloei staat. Zo ver als ik kan kijken zie ik gras en bomen. Waar is de stad waar ik zonet nog was?

Ik loop verder, kom door een bosachtig stuk waaronder weer helleborussen groeien. De bomen begroeten me met hun grillige takken, even denk ik dat ze me vast zullen pakken.

Bij de rand van de tuin zie ik in de diepte onder me geraamtes van serres, overwoekerd door vlinderstruiken en een boompje met witte bloesems. Hier waren de geesten nog rond van de mannen die lang geleden deze tuin aanlegden.

Ik keer terug via het lange smalle paadje, ga door het kleine poortje naar buiten. Ik besluit niet langs dezelfde weg naar huis te gaan maar rechtsaf te slaan, de straat naar beneden. Er is niemand, er rijden geen auto’s, het is hier zo doods. Je zou hier op klaarlichte dag overvallen kunnen worden. Ineens sta ik voor een droomhuis, een reusachtige villa met rode ramen en dakgoten, rechts een gastvrij prieel in rood houtwerk. Het geeft me het gevoel aan de kust te zijn.

Wie zou hier wonen? Ik sta stil voor de gevel en fantaseer over het leven erachter. Iets doet mij besluiten aan te bellen. De bel klinkt luid en schel. Driiiiiing!

2 gedachtes over “Boven de stad

  1. Ik ken de plek, die verborgen parel, de tuinen van… Ik was er jaren niet meer geweest en nu, in de voorbije weken, op korte tijd al een keer of drie, telkens met andere mensen. Ik kon je wandeling in gedachten en tot in de details helemaal meestappen! We zijn dus samen coronaproof gaan wandelen! 😉

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s