Vijf jongens

In 2002 vertrok een groepje Brusselse scouts op kamp naar een weeshuis in Roemenië. Laetitia De Blauwe was een van hen. Ze was er niet helemaal gerust in, want ze vertrokken met een groep van meisjes naar een weeshuis waar overwegend jongens zaten. Het werd een levensbepalende ervaring. Toen ze aan het eind van het kamp naar België terugkeerde, kon ze zich niet voorstellen dat ze deze jongens voorgoed achter zou laten.

Ze hield contact. Kort nadien ging ze fotografie studeren. Ze keerde terug naar het weeshuis, leerde Roemeens en maakte portretten van vijf jongens: Roberto, Alex, Nicu, Cặtặlin en Mihai. Intussen volgt ze hen al zeventien jaar.

Iedereen herinnert zich de schrijnende beelden uit Roemeense weeshuizen uit de jaren 1980-1990. Onder het bewind van Nicolae Ceauşescu werd abortus verboden, net als de verkoop en productie van voorbehoedsmiddelen. Als gevolg van deze politiek belandden veel kinderen, vooral uit arme gezinnen, in weeshuizen.

Laetitia De Blauwe heeft de gevolgen van deze donkere periode uit de Roemeense geschiedenis op unieke wijze vastgelegd. In de bibliotheek van Jette hangen ze nu bij elkaar: vijf jongens over een periode van zeventien jaar, een veertigtal foto’s, een achttal per persoon.

Roberto kent ze al sinds hij kind was. Hij weet niet wie zijn ouders zijn. Hij kan hen niet terugvinden en heeft zijn zoektocht inmiddels stopgezet. Hij was een heel aanhankelijk kind, zocht warmte bij iedereen. Voor de fotografe heet hij Roberto, maar hij laat zich door iedereen anders noemen.

Alex was de eerste met wie Laetitia De Blauwe meteen een klik had. Hij sprak vloeiend Engels omdat zijn moeder hem als kind zo vaak voor de tv had achtergelaten. De zwart-witfoto van Alex als kind vergeet je niet meer. Lachend kijkt hij in de lens. Op de achtergrond lacht een vriend. Niets verraadt dat het leven hen niét toelacht.

Alex – © Laetitia De Blauwe

‘Altijd blijft het moeilijk om het onderscheid te maken tussen wat Alex zegt en wat hij werkelijk voelt. Het onderhouden van een vertrouwensband is niet evident. Begrijpen wie hij is evenmin,’ schrijft de fotografe in het boekje dat bij deze expo hoort. Daarin vertelt ze met veel warmte en inzicht het verhaal van elke jongen.

In de zomer van 2019 zag Laetitia De Blauwe vier van de vijf jongens terug. Op de expo kan je naar een film kijken waarin ze, mannen nu, hun leven overschouwen. Ze weten dat het aangaan van relaties altijd moeilijk zal zijn. Dat ze steeds gekweld zullen worden door een mengeling van bindings- en verlatingsangst. Het geven en ontvangen van warmte zal altijd moeilijk voor hen zijn. Achtervolgd door hun verleden, is het soms moeilijk om op het rechte pad te blijven. Maar ze blijven hopen op een stabiel, ‘gewoon’ leven.

Zeventien jaar werkte Laetitia De Blauwe aan deze reeks. Zij gaf dit project, samen met de jongens, zoveel jaar om te groeien. Een verademing in een tijd waarin alles snel moet gaan en waarin te weinig plaats is voor diepgang.

De Blauwes foto’s staan in dienst van haar onderwerp. Aanvankelijk had ze zelfs niet de intentie er een tentoonstelling van te maken. Ze wou het leven van de jongens vastleggen, voor henzelf, hun familie en hun toekomstige kinderen, als herinnering voor later. Andere kinderen hebben daar ouders voor. Fotografie als een daad van zorg en liefde.

Wanneer Roberto over straat wandelt, voelt hij zich als een herfstblad dat elk moment kan wegwaaien in de wind, vertelt hij in de film. ‘Ik weet niet wie ik ben,’ zegt hij.

Toch leren we hem en zijn vier vrienden op deze expo een beetje kennen.

‘Cinq Garçons – Cinci Bặieti’ – Laetitia De Blauwe

Van 13/01-01/02/2020 in de Jan Verdoodtzaal van de Nederlandstalige bibliotheek Jette, Kardinaal Mercierplein 6

Maandag tot vrijdag: van 14u-19u
Woensdag van 15u-19u
Zaterdag van 10u-13u en van 14-16u

Weerzien

Enkele dagen geleden nog heb ik aan haar gedacht. Na al die jaren mis ik haar nog steeds heel erg, bij vlagen. Ons afscheid was heel plots geweest. Onze band heel innig. Mijn intiemste zielenroerselen had ik haar toevertrouwd. Tot zij moest vertrekken.

Nu staat ze hier na vijfendertig jaar opnieuw voor mijn neus. De tijd heeft ook haar niet helemaal gespaard. Maar ze straalt nog net als toen. Ik raak haar aan, ze voelt nog zo vertrouwd. Ik weet nog precies hoe zij beweegt, hoe ze klinkt. Ik heb haar in mijn vingers.

Ik zou kunnen verdergaan waar ik was gebleven. Met het spelen van de partituur van mijn leven. Zonder enige aarzeling breng ik haar slede in beweging, druk ik lukraak een toets in.

Waarom moest ze vertrekken?  Haar tijd was voorbij, ze moest plaatsmaken voor een nieuw elektrisch exemplaar. We kregen korting op de aankoop van een nieuwe als we onze oude inleverden. Zij was zoveel meer waard dan wat we voor haar kregen. Dus was ze weerloos. Ik heb nog geprotesteerd, maar ik begreep het ook. Ik begreep zó veel.

Op de nieuwe elektrische machine typte mijn vader de eindverhandeling van mijn moeder. Na jaren huisvrouw te zijn geweest, was zij aan de universiteit gaan studeren. Niet veel later behaalde ze haar diploma. Ik was trots op haar.

De elektrische typemachine ging niet lang mee. Al snel kwamen computer en printer in de plaats. Ik kon niet ontkennen dat ze handig waren. Maar nog geregeld voelde ik verdriet om de verloren rode Olivetti Valentine waarop ik vele brieven had geschreven.

Nu staat ze hier ineens voor me, op het Vossenplein. De kans is klein dat het écht mijn typemachine is. Maar dat maakt weinig verschil. Ik probeer me te herinneren waarom ze enkele dagen geleden nog door me heen is gegaan. Ik weet het niet meer.

Remco Campert schreef ook op een Valentine, misschien nog steeds. In een krant van 2006 had ik hem achter zijn rode machine gezien. Er bestaat een zwart-witfoto van rond 1970, waarop de schrijver bij een voetgangerslicht wacht, met zijn typemachine in het bijbehorende koffertje. ‘My funny Valentine’ – Remco Campert was niet zomaar een grote fan van Chet Baker.

Ik vraag de verkoper wat de machine kost. Ze is betaalbaar maar ook niet goedkoop. Ik wandel weg en denk na. Ik zal de machine niet of nauwelijks gebruiken. Ik zou ze moeten kunnen uitstallen op mijn bureau en dagelijks bewonderen, maar waar ga ik mijn laptop dan laten? Ik ga haar toch niet kopen om op zolder te zetten? Zou ik er nog op kunnen typen? De linten zijn nog verkrijgbaar, zie ik op mijn telefoon. Ze zijn tweekleurig, vroeger typte ik er zwarte en rode letters mee. De linten zijn zo duur als een inktpatroon voor een printer.

Het doet er allemaal niet toe. Ik heb de kans om een oude pijn te verzachten. Wil ik dat? Leed hoeft niet altijd bestreden te worden, het hoort bij het leven. Maar als ik vandaag de machine niet koop, voeg ik misschien een extra portie pijn toe. Spijt om de gemiste kans. Kan dat er nog bij? De gedachten tollen door mijn hoofd. Ik moet ze opschrijven. Misschien kan ik de machine dan hier laten.

Bijna struikel ik over twee andere typemachines: een zwarte en een lichtblauwe. Zo gaat het altijd op het Vossenplein: als je iets ziet, dan is het ineens overal. Vergieten, paraplu’s,  elektrospellen, kerststallen, wereldbollen: eerst zie je er één, en vervolgens lijkt het hele plein er vol van. Deze twee machines zijn ook mooi. Onze printers belanden na gebruik bij het schroot en niet tussen de antiquiteiten. Waarom moet alles toch efficiënter, lelijker en minder duurzaam worden?

Ik sta terug voor de Valentine. Ze is er nog. De verkoper zegt dat de prijs niet te hoog is. De kans dat ik kan afdingen is klein, en dan nog zal ze duur zijn. Ik kijk in de koffer van de typemachine. Ik diep er een klein langwerpig boekje uit op. De verkoper neemt het me meteen uit handen. Het is fragiel, voorzichtigheid is geboden. Hij zegt dat hij lang geleden veel Valentines heeft verkocht. Maar nooit zat de gebruiksaanwijzing erbij. Hij toont me het boekje. ‘C’est très rare, une machine Valentine avec le mode d’emploi’. Une machine Valentine, dat rijmt mooi in het Frans. Behoedzaam steekt hij de gebruiksaanwijzing weer weg.

Dan pas zie ik het. Ik heb er niet aan gedacht toen ik enkele jaren geleden een naam zocht voor mijn blog. En ook nadien heb ik het nooit beseft. De Valentine zit in een rode valies.

De foto van Remco Campert met de Valentine vind je op pagina 2 van  het prachtige krantje dat antiquariaat Demian over Campert uitbracht.

In dit artikel van NRC zie je de schrijver achter zijn machine zitten in 2006.

Het einde van de zomer

Zondag eindigde de zomer in Brussel. Met zijn begin.

Het Plazeyfestival in het Elisabethpark van Koekelberg, dat al zo lang ik me kan herinneren de zomervakantie inluidt, werd dit jaar naar laatste weekend van de vakantie te verplaatst, naar 1 september nog wel.

Het voelde raar. Ook omdat het de laatste zomer van Bar Eliza was geweest. De voorbije zomer had ik nog vaak voor het laatst genoten van het heerlijke door buurtbewoners uitgebate parkcafé.

Na de fantastische optredens van Beraadgeslagen op vrijdag, en Bert en de Bomma’s op zondagmiddag, mochten Amadou en Mariam zondagavond het mooie weer maken. Dit Malinese echtpaar maakt al even lang muziek als ik op deze wereld sta – bijna een halve eeuw.

Mensen waren talrijk komen opdagen. Iedereen had zijn vakantie achter de rug, iedereen was terug.

De rij voor drankbonnetjes was immens en gaandeweg de avond werden steeds meer dranken van de kaart geschrapt, wegens niet meer voorradig.

Papegaey
vlierbloesemsap
witte wijn

De twee mannen die falafel bakten, deden gouden zaken. Er stond een megafile aan hun kraam. Toch bleven ze met dezelfde toewijding sla, saus en roze opgelegde raapjes samen met de falafelballetjes op het platbrood strooien, dat ze vervolgens zorgvuldig oprolden. Wie er één kon bemachtigen, was gelukkig. Wie vrienden vooraan in de wachtrij aantrof, met hen een praatje sloeg en zo kon ‘voorkruipen’, was nog gelukkiger. Dit was ook een gangbare praktijk in de rij van de drankbonnetjes. Niemand die er wat van zei, iedereen wachtte babbelend zijn beurt af.

Op weg naar de tafel van goede vrienden, raakte ik aan de praat met zoveel andere bekenden, dat ik pas ter bestemming kwam toen de goede vrienden al naar huis vertrokken waren.

Amadou en Mariam zetten het park op stelten. Met hun afro-blues vertolkten ze precies het juiste gevoel van weemoedige, feestelijke uitbundigheid dat over deze dag hing. Konden we dit maar vasthouden.

Kinderen zaten op de schouders van hun vader. Zo heb ik ook een van mijn eerste concerten gezien, van Joe Jackson, op Mallemunt. Daar denk ik nog altijd aan wanneer Joe Jackson op de radio voorbij komt. Zouden deze kinderen, wanneer ze in de veertig zijn, bij het horen van Amadou en Mariam opnieuw op de schouders van hun vader zitten?

Hier werden herinneringen gezaaid.

Een grote zus droeg haar broer op de rug. Een vrouw legde haar arm om haar man heen, samen wiegden ze mee met de muziek. Vrienden stonden zij aan zij te praten, het was moeilijk kiezen: bijpraten of luisteren naar de muziek.

Ineens zag ik alleen nog ruggen. Ruggen voor wie het nog even vakantie mocht zijn. Ruggen die ‘terug naar school’ of naar het werk vergeten waren. Ruggen die er nog niet aan dachten, dat we morgen weer vertrokken zouden zijn – niet op vakantie.

Zondag begon de zomer in Brussel. Met zijn einde.

 

 

 

Pluisje

Het is vakantie. Het is heel warm.

De jongste dochter verhuist binnenkort naar de kamer van de oudste dochter.

Ze wil graag wat nieuwe spullen kopen voor haar nieuwe kamer.

Een rekje, een wandplank, een prikbord en lampjes.

We gaan naar het woonwarenhuis.

We nemen de tram.

Ik ga links bij het raam zitten, mijn dochter rechts.

Met het gangpad tussen ons in.

Ik kijk naar mijn dochter.

Ze is mooi. Haar nieuwe gele jumpsuit met zonnebloemen staat haar goed.

Mijn dochter plukt iets van het t-shirt van de man die voor haar zit.

Ze gooit het omhoog.

Het is een pluisje. Van een paardenbloem, denk ik.

Het pluisje dwarrelt naar beneden, mijn dochter vangt het op en gooit het weer omhoog.

Dat doet ze telkens opnieuw.

‘Ik had nooit gedacht dat ik me zo kon amuseren met een pluisje,’ zegt ze.

Maar dan is ze het pluisje kwijt. Ze doet alsof ze verdrietig is.

Ineens komt het pluisje weer aangevlogen.

Mijn dochter gaat verder met haar spelletje.

Dan krijg ik een berichtje van mijn moeder.

Ik heb haar net ge-sms’t dat we op weg zijn naar het woonwarenhuis.

Ze antwoordt: ‘Wil je voor mij pluizenrollers kopen? (om de pluisjes van mijn breiwerk weg te rollen).’

Mijn mama breit graag. Ze kan heel goed breien. Maar nadien hangt ze altijd vol pluisjes.

Mijn mama kan niet weten dat haar kleinkind juist nu met een pluisje aan het spelen is.

Wat een toeval.

We stappen over op de metro. Het pluisje blijft achter op de tram.

In het woonwarenhuis is het rustig en fris.

We gaan zitten in de zetels. We testen een grijze driezit. Wat zit hij lekker.

In het restaurant van de winkel eten we gehaktballetjes met saus en frietjes, en een ijsje.

We kopen nieuwe glazen, want we moeten veel water drinken met het warme weer.

We vinden alles wat we nodig hebben voor de nieuwe kamer van mijn dochter.

Dan wandelen we naar de pluizenrollers.

We kopen er acht voor mijn mama en vier voor onszelf.

Pluizenrollers komen altijd van pas.

Vlakbij de pluizenrollers staat een mand met grote strooien hoeden.

Een moeder past zo’n hoed, samen met haar zoontje en haar dochtertje.

Ze zijn heel mooi, alledrie met hun strooien hoed. Ze hebben plezier.

Alsof ze op het strand zijn.

Ik zou een foto van hen willen nemen, maar dat durf ik niet te vragen.

‘Echt vakantie,’ zeg ik. ‘En het is hier nog koel en rustig ook.’

‘Meer hoeft dat niet te zijn,’ lacht de moeder.

Paden

Negenentwintig mei. Het gaat even niet zo goed met mij. Ik neem de trein naar Oostende. De voorbije twee jaar heeft de zee altijd rust en raad gebracht. ‘Oostende trekt mensen aan die willen veranderen,’ schrijft Koen Peeters in zijn ode aan de kuststad. Ben ik hier daarom zo vaak naartoe gekomen?

Van het station wandel ik meteen via de dijk naar de bibliotheek. Het is een zonnige dag. Op het terras van het café van de bibliotheek  zal ik mijn meter ontmoeten. Zij is pas met pensioen, na jaren pendelen tussen Oostende en Brussel.

De uitbater van het café van de bibliotheek is een voormalige collega. Hij werkte lang geleden als barman in het café van het Brusselse theater waar ik vijftien jaar de personeelsadministratie verzorgd heb. Hij bleef er niet lang.

Op een dag ging hij met zijn vriendin een dagje naar zee. Toen ze ’s avonds naar Brussel terugkeerden, hadden ze een huis gekocht, heel impulsief. Hij woont nu al vele jaren in Oostende, kreeg er twee kinderen.

Ik bestel een cappuccino. ‘We hebben er toch nog eens goed van genoten,’ zeg ik, ‘een laatste keer in Océade zwemmen.’ ‘Ja,’ zegt hij. De vorige keer dat we elkaar zagen was aan het einde van vorige zomer. Een toevallige ontmoeting in een draaikolk van het Brusselse zwemparadijs, kort voor het moest sluiten. Hij kwam er afscheid nemen met zijn zoontje, ik met mijn jongste dochter en haar vriendin. ‘Zo erg dat ze het afgebroken hebben,’ zeg ik, ‘er is daar veel te weinig tegen geprotesteerd.’

Ik vertel mijn oud-collega dat ook ik eindelijk de moed heb gehad om weg te gaan bij het theater dat me nauw aan het hart lag. En dat ik nu Nederlandse les geef aan anderstaligen. Hij vertelt dat zijn beste vriend in Brussel dezelfde job doet, met hart en ziel. Binnenkort gaat hij naar het trouwfeest van de vriend, in Afrika. Intussen maakt hij mijn cappuccino. Nog even praten we over de toekomst van het Oostendse zwembad, dat ook ten dode is opgeschreven. ‘Van mij mogen ze het afbreken, en niets nieuws in de plaats zetten. Dan kan ik van hieruit de zee zien. Ik zou er graag een groot plein van maken, van de bibliotheek tot aan de zee.’

Ik installeer me op het terras. Op mijn telefoon zie ik een berichtje verschijnen. ‘Hoe gaat het met je? En je werk? Als je nog vragen hebt, laat het mij gerust weten.’ Het is een half jaar geleden dat ik haar hoorde, en langer dan een jaar geleden dat ik haar zag. Net nu  informeert ze naar me. Soms lijk ik telepathisch verbonden met mensen die om me geven.

Het was de voorbije maanden niet nodig dat ik haar bezocht. Ik antwoord haar niet meteen. Dat verwacht ze niet. Nu moet ik me vooral ontspannen, zou ze zeggen, zeelucht inademen. Pas twee weken later schrijf ik haar. Ik zeg dat ik nog eens wil afspreken. Om samen over mijn voorbije jaar te reflecteren.

Vierentwintig juni. Wij zullen elkaar treffen in haar kantoor in de Scepterstraat in Elsene. De Scepterstraat is een straat met een actief wijkcomité, dat zich inzet voor meer groen. Geïnteresseerd kijk ik naar de klimplanten, de stokrozen en de veldbloemen die her en der gezaaid zijn, de bloembakken die bewoners voor hun huizen geplaatst hebben. Op een kaartje bij een roze hortensia lees ik: ‘Les voisins fleurissent la rue et voient la vie en rose.’ Ik zie een toekomst voor mijn treurige kaalgeslagen plein.

Ik heb haar veel te vertellen. Zij luistert. Pas na een tijd spreekt zij. Zij vult me met adviezen, ideeën, zin. Dan vallen we even stil. ‘Waar zou je het nog graag over hebben?’ zegt ze. ‘Hebben we nog tijd?’ Nog vijf minuten, zie ik. We zijn te vroeg klaar. Dat gebeurde nooit eerder. Het is omdat het goed gaat. Ik heb deze gesprekken niet meer zo nodig als ooit.

Wanneer ik wegga, zegt ze dat ze me graag wat vaker zou horen. ‘Jij bent diegene die al het langst bij me komt. Ik wil graag weten hoe het met je gaat.’ ‘Ik moet wel betalen om met je te praten,’ lach ik. ‘Een berichtje is ook goed,’ zegt ze.

Bij het afscheid wijst ze me een weg: ‘Als je hier naar links en dan naar rechts gaat, kom je bij de nieuwe promenade over de spoorweg.’ Ik volg haar raad. Ze heeft talent om iemand de juiste richting uit te sturen.

Ik heb nog veel werk maar gun me de omweg naar huis. Het pad is prachtig. Er ligt een verborgen parkje achter, het Viaductpark. Daar liggen mensen uit te blazen op deze hete dag. Beneden  me kruisen twee treinen elkaar. Zij proberen op tijd te zijn.

Via de promenade kom ik in het Leopoldpark, een verrassend groot park met veel hoogteverschillen. Hoe goed verborgen ligt dit groen achter de lelijke paleizen van de Europese wijk. De prachtige Wiertz- en Vautierstraat geven nog een idee van hoe het hier vroeger was. Ik heb deze buurt nog gekend ten tijde van de onteigeningen, mijn Franstalige pennenvriendin woonde hier. Binnenkort, als het vakantie is, kom ik eens terug om het Wiertzmuseum te bezoeken.

Wanneer ik weer bij de metro kom, weet ik niet wat het meest deugd deed: het gesprek of de wandeling.

Zakdoekjes

Ik ben op weg naar Wijnheuvelen voor een wereldbol. Waarom de halte zo heet, weet ik niet. Misschien waren er lang geleden wijngaarden in de Wijnheuvelenstraat. Waarom het geen Wijnheuvels zijn, weet ik ook niet. Wellicht werd het meervoud nog anders gebouwd toen hier wijn verbouwd werd.

De wereldbol zal ik zomaar krijgen van een onbekende. Ik vond hem via Brussel Verniet, een facebookpagina waar Brussellaars spullen weggeven. Waarom de wereldbol weg moet, weet ik niet.

Het is een zonnige ochtend. Ik geniet van de tramrit. Een bedelaar stapt op. Hij bedelt niet zomaar, hij biedt mensen een pakje papieren zakdoeken aan. De Marokkaanse vrouw schuin tegenover me koopt een pakje zakdoeken van hem, de andere mensen schudden het hoofd, ik ook. De man loopt niet door maar gaat tegenover me zitten.

Hij is nu geen bedelaar meer maar gewoon een medepassagier. Ik heb tijd om naar hem te kijken. Hij heeft een mooie bruine huid. Hij is niet onknap, maar wel getekend. Ik schat hem ergens in de dertig. Hij is vrij verzorgd gekleed en heeft een sportieve rugzak bij. Hij is uit zijn land gevlucht, denk ik. Hij heeft zijn fierheid bewaard. Hij wil niet zomaar geld vragen, maar de mensen iets in ruil geven. Iets wat ze nodig hebben, maar vaak vergeten. Zakdoekjes. Voor vuile monden, snotneuzen, tranen.

Hoeveel de zakdoekjes kosten? Wat ik wil, zegt hij. Ik heb nog maar één euro bij. Die geef ik hem. Hij overhandigt me het pakje zakdoekjes. Ik steek ze in mijn handtas. Uit welk land hij komt, vraag ik in het Frans. Hij verstaat me niet. Hij vraagt aan de Marokkaanse vrouw naast me of zij wil tolken. Eerst kijkt ze verbaasd. Met een bedelaar spreken? Maar dan vertaalt ze zijn vraag. ‘Uit Palestina,’ zegt de man. Hij vraagt vanwaar ik kom. ‘From Belgium,’ zeg ik, want hij vertelde net dat hij wel een beetje Engels begrijpt.

Dan raakt hij aan de praat met de Marokkaanse vrouw naast me. Ik versta hen niet. Maar de vrouw koopt nu ook een pakje zakdoekjes. Ik geniet ervan dat ik hen met elkaar in contact heb gebracht. Even later stapt de man af. De Marokkaanse vrouw zegt iets tegen haar overbuurvrouw, de eerste vrouw die een pakje zakdoeken kocht. Ze spreken Arabisch. Uit hun toon maak ik op dat ze met mededogen praten. Ze hebben ook gezien dat deze man te fier is om te bedelen.

Ik heb te weinig met hem kunnen spreken, denk ik. En ik heb hem te weinig gegeven. Niet eens genoeg om een nieuw pak papieren zakdoekjes te kopen.

DeschanellaanBij Wijnheuvelen stap ik uit. Ik wandel naar de Paul Deschanellaan. Dit is zo’n plek waar je je in Brussel in Parijs waant. Bij een van de prachtige statige huizen bel ik aan. Een jonge blonde vrouw doet de deur open, de wereldbol in de hand. ‘Het lichtje is wel stuk,’ zegt ze. Niet erg. Ik steek er wel een nieuw lampje in. We praten nog even, over hoe leuk het is om te krijgen én te geven. Dan vertrek ik weer.

Ik wandel de laan uit. Bij het café op de hoek bestel ik een cappuccino. Van op het terras zie ik de Brusiliatoren. Daar op de vijftiende verdieping woont een goede vriendin van me. Ik heb nu geen tijd om haar te zien. Maar we zouden naar elkaar kunnen wuiven.

Ik haal de wereldbol uit mijn tas. Ik draai hem rond tot ik bij het Midden-Oosten kom. Het land van de zakdoekman staat er niet op.

Pepertjes

Vandaag hebben we berichtjes gelezen in de klas.

Berichtjes die bij de ingang van de supermarkt hangen.

Mensen bieden iets aan, of ze zoeken iets.

Ze bieden iets aan dat ze goed kunnen. Ze kunnen goed klussen, babysitten of strijken.

Ze willen graag bij jou komen klussen, babysitten of strijken.

Als jij iemand zoekt die kan klussen, babysitten of strijken, mag je hen bellen.

Er hangen in de supermarkt ook berichtjes van mensen die iets zoeken.

Ze zoeken iemand die bijles wil geven aan hun kind. Of iemand die hun tuin wil onderhouden. Sommige mensen zoeken een vriend of vriendin om Nederlands mee te praten.

In hun berichtje schrijven ze bijvoorbeeld:

‘Babysit gezocht voor mijn zoontje van twee jaar. Elke donderdagavond van 18-22 uur.’

Of: ‘Wil jij onze Belgische vriend(in) worden en met ons naar de markt gaan, koffie drinken, koken?’

In het handboek stonden veel verschillende berichtjes.

Mijn studenten zeiden dat ze die berichtjes nog nooit hadden gezien in de supermarkt.

‘Niet iedereen post een zoekertje op tweedehands.be,’ zei ik. Sommige mensen hebben geen internet. Zij schrijven nog een ouderwets briefje. Ze hangen het aan de muur in de supermarkt.

’s Avonds ging ik boodschappen doen in de Colruyt. Toen ik naar buiten ging, zag ik de berichtjes hangen. In Brussel zijn ze bijna allemaal in het Frans. Maar er was één berichtje in het Nederlands.

Dit was het:

Tomaten, pepertjes & paprika’s en andere planten

Ik heb een passie voor het kweken van groenten en andere plantjes in mijn moestuin in Brussel. Dit jaar heb ik een 40-tal variëteiten gezaaid, maar ik zal ze niet allemaal in mijn tuin kunnen planten. Ik bied jullie een zeer ruime keus aan planten van zeer speciale, kleurige en lekkere soorten tomaten en pepertjes. De planten stammen af van pure, niet genetisch gemanipuleerde zaadjes. Bovendien werden ze nooit chemisch behandeld!!!

De aanbieder had er de soorten groenten bijgeschreven: tomaten (geel-groen-rood-blauw), pepertjes, paprika’s, komkommers, erwtjes, aubergines, … en ook nog bloemen!

Ze had zelfs een tekening en foto’s van de groenten gemaakt.

Ik heb zin om deze mevrouw te bellen. Ik wil graag een paar plantjes gaan halen voor mijn tuin. Ik weet niet of ze gratis zijn. Misschien moet ik betalen. Dat staat er niet bij.

 

Bij Jettenaars thuis

Jettenaars kijken er elk jaar weer naar uit: het artiestenparcours in het laatste weekend van april.  Maar ook steeds meer mensen van buiten Jette ontdekken dit leuke evenement. Op publieke plekken maar ook bij Jettenaars thuis kan je gaan kijken naar het werk van plaatselijke (amateur)kunstenaars.

Ook de rode valies doet mee, met foto’s en teksten. Ik exposeer op 27 en 28/4 van 11-19 uur in het heerlijke huis van goede vrienden Pieter en Kristien, Baron de Laveleyestraat 23, vlakbij het rusthuis Magnolia. Je zal er mijn fotoreeks van het Boudewijnpark kunnen bekijken. Met een foto uit deze reeks was ik een van de winnaars van de wedstijd ‘Jette in beeld’, ze hangt nu in de voetgangerstunnel onder het station van Jette. Fotografe Paula Richard en illustratrice Nena Peeters – bekend van haar tekeningen op de perrons in Brussel Noord – stellen samen met mij tentoon.

Graag geef ik nog mijn tips voor een leuk parcours:

  • Bezoek het Magrittehuis in de Esseghemstraat 135, het gerestaureerde huis waar Magritte ooit woonde. Het is nu een prachtig museum, ingericht met de authentieke meubels van de bekende surrealist. Magrittes schilderijen hangen er niet, maar er zijn ontroerende kleinoden van de kunstenaar, zoals ansichtkaarten die hij schreef en een vloerkleed dat hij ontwierp en dat zijn vrouw knoopte.
  • Geniet van het werk van Clara Callewaert, de dochter van goede vrienden van me, die je hartelijk zullen ontvangen in hun gezellige en mooi verbouwde huis in de Jules Lahayestraat 174.
  • Ga eens langs bij Art Mosaico in de Vanderborghtstraat 136, een unieke privé-school voor mozaiekkunst. De leerlingen stellen er tentoon.
  • Ga eens kijken naar de foto’s van Raphaël Gorlé. Ze tonen plekken waar de natuur opnieuw zijn plaats verovert nadat ze door de mens werden verlaten (in het Centre culturel de Jette, Bld de Smet de Naeyer 145).

  • Drink iets in de unieke en heel kindvriendelijke tuin van Atelier34zero Muzeum. Bezoek er de expo van Camiel Van Breedam, een gerenommeerde Antwerpse kunstenaar die prachtig werk maakt met eenvoudige houten latjes.
  • Bezoek Hemel 75, een plek die zijn naam niet gestolen heeft. Het huis van Luc Van Cauter is tevens een antiekzaak. Bijna zijn hele interieur -van woonkamer tot zolder- is te koop! Je kan er ook de bijzondere juwelen van Hade Quaghebeur bewonderen.
  • Ga zeker ook iets drinken in de Excelsior, het tofste café van Jette op het mooie Mercierplein. Onderwijl kan je de 3D-werken van Lieve Bracke ervaren.
  • Neem op dit plein ook eens een kijkje in de Sint-Pieterskerk, bekend van zijn jaarlijkse mis in het Brussels. Deze immens populaire kerk gaat met zijn tijd mee, je ziet er verschillende kunstenaars aan het werk.
  • Laat je oren strelen door de toffe jazzplaatjes van Arnie goes DJ in de Bonaventurestraat 37, op 27/4 van 18-19u. Fotograaf Arnaud Ghys staat bij de Jettenaren bekend om zijn fantastische vinylplaten-collectie.

Het volledige programma: APA Jette 2019.

 

Vroege lente

‘Kijk goed als we afstappen, deze tramhalte lijkt op jouw sjaal.’ Een roodharig meisje van een jaar of tien zegt het tegen haar kleine zus. De kleine zus staat met de rug naar me toe, de sjaal kan ik niet zien. Ik ben benieuwd. Op de muren van halte Lemonnier staan grote handen getekend in fijne blauwe lijnen. Op de handen zijn sierlijke patronen aangebracht, zoals de fijne hennatekeningen die Marokkaanse vrouwen op hun handen maken. Maar dan in Delfts blauw. ‘Les mains de l’Esploir’ heet dit werk van de Algerijnse kunstenaar Hamsi Boubeker – de handen van de hoop. Bij het afstappen zie ik de sjaal van het kleine meisje. Hij is wit, met hetzelfde blauwe lijnenpatroon als de muurtekening. Een klein wonder, zo scherp opgemerkt door de zus.

Ik kom boven in het felle licht van de te vroege eerste lentezon. Ook ik neem vandaag alles verhevigd waar: een man die rechtstaand tegen een gevel staat te slapen, planten op een vensterbank, zonlicht op kinderkopjes, twee kleurige handdoeken over een balkonrand. Ik ben blij vroeg op pad te zijn gegaan.

Ik heb zin in koffie. Ik herinner me dat ik een tijd geleden vroeg naar een fijn adres om koffie te drinken bij het Vossenplein, in de facebookgroep ‘Durf te vragen in Brussel’. Iemand tipte me een café dat ik niet kende. Wandelend langs de Zuidlaan zoek ik het op op mijn telefoon. Ik vind het snel, hoewel mijn vraag van een half jaar geleden dateert. ‘Wij zijn vaste klant van ‘Le Père Tranquille’ in de Vossenstraat,’ schreef iemand. Dan zie ik wie me het café aanraadde. Een rilling gaat door me heen. Omdat ik weet dat ze intussen is overleden. Ze was iets jonger dan ik. Ik kende haar alleen uit de digitale wereld, we hadden veel gemeenschappelijke vrienden.

Alles in haar ene zin raakt me plots diep. De tegenwoordige tijd. Dat zij, vanuit haar eeuwige rust, ‘Le Père Tranquille’ aanraadt. De ‘wij’ in haar zin. Wie en waar zijn zij nog zonder haar? ‘De Vossenstraat’ – ik hou van de vossen, die ’s nachts door de straten van Brussel wandelen en het bos naar de stad brengen. En de uitdrukking ‘vaste klant’. Niets  in dit leven is vast, denk ik.

Droefenis overvalt me en tegelijk geniet ik nog intenser van deze mooie dag. Het eerste wat ik zie op het Vossenplein, is een kraam met Nederlandstalige boeken. Ze liggen door elkaar in dozen. Veel politieke boeken, maar ook romans en essays. Het is duidelijk de collectie van één persoon, die grotendeels in de jaren 1980 werd opgebouwd. Het boek ‘Kernenergie? Nee bedankt, ja graag’ ligt er naast ‘Geen winnaars in de Wetstraat’. ‘De digitale toekomst’ vergezelt ‘The end of time’. De digitale toekomst is intussen allang aangebroken en het einde der tijden lijkt steeds dichterbij. En toch is er niet echt iets nieuws onder de zon, denk ik. Even overweeg ik het boekje ‘Oude mensen’ van Simon Carmiggelt te kopen, maar leg het toch terug.

‘A un certain age, on marche en arrière,’ hoor ik een man tegen een marktkramer zeggen waarna hij lachend verder wandelt. Voorwaarts, uiteraard. Ik geniet van de zinnen die ik hier opvang. ‘Dat zijn allemaal zo van die verloren cadeaus,’ zegt een vrouw tegen haar man, een blik werpend op de rommel die hier kriskras door elkaar in dozen te koop wordt aangeboden.

Toch vind ik tussen de verloren cadeaus een nog bijna intacte terrinevorm van Le Creuset, voor twee euro. Mooie Tupperwarepotjes voor een prikje. Een kitscherig blik met dahlia’s erop – de lievelingsbloemen van mijn moeder. En een prachtige glazen tafellamp met een vorm die zo sensueel is dat je hem zou willen strelen.

Het Vossenplein is een openluchtmuseum van afgedankte alledaagse voorwerpen. Soms ook van uitzonderlijke dingen en uitvindingen, die geen lang leven beschoren waren. Zoals de ‘Swing-o-graaf’. Wie weet nog wat dat is, vraag ik me af. ‘Draws pictures of breath-taking beauty with fantastic ease,’ lees ik. Het blijkt een soort tekentoestel waarbij een pen aan een draad slingert, die aan een zware metalen constructie hangt.


Ik geniet van de vormgeving van een oud hamertje tik-spel. Gezelschapsspelletjes waren vroeger veel mooier. Alleen voor de doos zou ik het willen kopen.

Zoals steeds grijpen de postkaarten en de foto’s me het meest aan. Groeten van vervlogen vakanties, huwelijksfoto’s waarop stralende koppels hun inmiddels verleden toekomst hoopvol tegemoet zien. Hun liefde en ook hun latere ruzies, die er ongetwijfeld waren, zijn inmiddels lang begraven. Dan moet ik altijd even slikken. Net als bij het afgeleefde hobbelpaard dat hoopt op een nieuwe eigenaar.

Ik wandel naar de Vossenstraat. ‘Le Père Tranquille’ ligt aan de rechterkant, dicht tegen het plein. Het interieur is sympathiek, een beetje gezellig rommelig. Het is er rustig. Vier vrienden zitten met hun rommelmarktbuit voor zich uitgestald te eten en te drinken. Ik bestel een cappuccino bij de hartelijke bazin. Ik heb zicht op de keuken. Daar staan drie pain de veaus in de oven, voor bij de stoemp. Dit is een plek waar je je meteen op je gemak voelt, vriendelijk, eenvoudig en warm, zonder chichi.

In gedachten dank ik de lieve vrouw die hier vaste klant was voor haar fijne tip. ‘Le Père Tranquille’ is een Franse film van René Clément uit 1946. Hij vertelt het verhaal van een 50-jarige man die een rustig leventje leidt maar in feite een verzetsstrijder is. Ook zij die me dit café tipte, zette zich in voor een betere wereld. Ze hielp kinderen met verdriet.

Dan wandel ik naar de hoogstad. Op de Gulden Vlieslaan sla ik links in naar de Grote Hertstraat. Nog zo’n straatnaam. Ik hou van de grote herten die ’s nachts door de straten van Brussel lopen. Lang geleden woonde mijn meter hier. Vanuit haar appartement keek je uit op het Egmontparkje, dat toen nog een geheime plek was. In de Grote Hertstraat is er een poort naar dat park. Mijn geheime plek van vroeger met het mooie beeldje van Peter Pan is intussen niet meer de oase van rust in de stad.  Veel mensen genieten er van de eerste lentezon.


Via de Wolstraat en de Zavel daal ik af. Ik ben in Parijs. Even ga ik binnen bij Wittamer om pateekes te eten met mijn ogen. Snel loop ik voorbij Manneken Pis en de talloze toeristen. Bij de Brouckère neem ik de ondergrondse. Ik verheug me erop om mijn Vossenpleinvondsten een plekje te geven in ons kleine huis.

Werkloos

Ik moest me gaan inschrijven bij de werkloosheid. Dat was vijftien jaar geleden. De nacht voordien sliep ik slecht. Ik bewaarde nare herinneringen aan de tijd waarin ik interimjobs deed en me heel geregeld opnieuw moest gaan inschrijven bij de Brusselse Hulpkas voor Werkloosheid, beter bekend als de CAPAC. Hoewel ‘werklozen’ tegenwoordig met het meer positieve ‘werkzoekenden’ worden omschreven en de BGDA (de Brusselse VDAB) intussen de dynamische naam Actiris heeft gekregen, heeft de Brusselse uitbetalingsinstelling van de RVA in al die jaren geen naamsverandering ondergaan. Het blijft een hulpkas voor werklozen – een naam die je instant een gevoel van hulpeloosheid en hopeloosheid bezorgt.

Dit gevoel wordt versterkt door de buurt waar de HVW zich bevindt. In de Plantenstraat, waar alles grijs en niets groen is. Achter de Aarschotstraat, waar vrouwen hun lichaam moeten verkopen om aan de kost te komen. In de groezelige Noordwijk, waar vuile, verkommerde straten sterk contrasteren met steriele, anonieme, hypermoderne buildings. Wat zal het worden? De grens tussen een job als topmanager en een leven in de goot is hier bijzonder klein.

Vijftien jaar geleden kwam je  de CAPAC binnen en moest je met trappen naar boven. In de trappenhal had iemand een graffiti op een deur gespoten: ‘FUCK CAPAC’. Hij was er al jaren, niemand leek er aanstoot aan te nemen. Dan kwam je in een kleine ruimte met een zestal loketten. Je moest een nummertje trekken. Soms had je 96 terwijl ze nog maar aan 9 waren. Het wachten op de harde banken kon beginnen. Er stonden harde banken die voor een park bestemd waren, banken met een gietijzeren onderstel en een zitting van houten latjes die een sierlijke achterwaartse boog maakten zo net onder je schouderbladen. Je rug hield het er hooguit een half uurtje op uit.

Het wachten duurde makkelijk twee tot drie uur. Soms had je pech, en werd je niet meer voor de middagpauze behandeld. Die middagpauze duurde een uur of twee. Er zat niets op dan even de stad in te gaan en in de namiddag terug te keren. Of de volgende ochtend, want de HVW was op sommige dagen niet in de namiddag open – dat is nog steeds zo.

Als het dan eindelijk jouw beurt was, kon het zijn dat je weer pech had en een Nederlands onkundige bediende voor je kreeg. Dan kon je wachten tot er iemand vrij was die Nederlands sprak, of je beste Frans bovenhalen. Het was koud bij de CAPAC en het tochtte er erg. De bedienden zaten achter een glasplaat waar gaatjes in zaten om het geluid door te laten. Ze plaatsen voor deze gaatjes echter een stuk bruin karton omdat er anders te veel tocht door kwam. Daardoor moest je altijd roepen aan het loket, anders verstonden ze je niet. Zo kreeg je tijdens het wachten altijd delicate verhalen over ontslagen en moeilijke privé-situaties te horen. Privacy bestond er niet.

Deze herinneringen zorgden ervoor dat ik er niet echt naar uitkeek om me nog eens te gaan inschrijven bij de HVW. De reviews op het internet – want niet alleen restaurants en reisbestemmingen worden daar tegenwoordig gerecenseerd – beloofden alvast niet veel goeds. Incompetent, lange wachttijden, telefonisch onbereikbaar,… Ik zag dat je tegenwoordig online een afspraak kon maken, dit leek me een goede service. Maar toen ik het probeerde, bleek de eerste vrije plaats pas over drie weken te zijn.

Mijn bezoek aan de werkloosheid zou misschien een stukje opleveren, troostte ik me. Vol goede moed vertrok ik maandagochtend. Ik stapte uit bij Rogier. De deprimerende tunnel van  hetRogierplein naar de Plantenstraat was intussen een beetje gerenoveerd zonder echt een vrolijker aanblik te bieden. Een kleine Brico rechts en enkele troosteloze winkels links zorgden er voor wat licht.

Aan het eind van de tunnel zag ik een sluikstort en daarachter een rij wachtenden die tot bij de hoek van de Plantenstraat kwam. Het was kwart na acht. Om half negen zou de dienst openen. De wachtrij viel nog mee, een tiental meter lang was hij. Voor me in de rij wachtte ook een werkloos droogrek op zijn beurt.

Ik was nog net op tijd, want na mij werd de rij al snel langer en langer. De eerste mensen werden binnengelaten. Het ging traag, ik wist niet hoe dit kwam. Pas toen ik zelf naar binnen mocht, begreep ik het: meteen bij het binnenkomen gebeurde een triage. Er vormden zich twee rijen voor twee loketten. Ze vroegen waarvoor je kwam. Dan kreeg een nummertje.

Er hing een hippe neonlamp met HVW-CAPAC in gele en groene letters. Je moest geen trappen meer op. ‘FUCK CAPAC’ was na vijftien jaar verdwenen, al had het me niet verbaasd als het er nog steeds gestaan had. De sloophamer had het weggehaald. Er was op het gelijkvloers een grote hal met daarin een soort voetbaltribune van waaruit je zicht had op de tafeltjes beneden. Daar werden de werklozen geholpen.

Ik had nummer N005 en hoopte vurig dat de N voor Nederlands stond. Hoewel: waar stonden A, B, C en D dan voor? Het was best mogelijk dat ik de vijfde Nederlandstalige vandaag was. Ik nam plaats op de betonnen tribune. Witte en groene plastic stoelen wisselden elkaar af. Ergonomisch leken ze niet, maar toch beter dan de banken van vroeger. Ik ging op een groene zitten.

De meeste mensen zaten op hun smartphone te staren en keken niet naar de match die de werklozen beneden aan de tafels met hun dossierbeheerders speelden. Twee mensen waren aan het lezen. Eén man las een boek van Michel Tournier over Robinson Crusoé. Nummer N002 werd behandeld, ik dacht dat het wel snel aan mij zou zijn. Maar het vorderde traag, het duurde bijna een half uur eer het volgende nummer aan de beurt was.

Intussen kreeg ik per mail een jobaanbod. Dat beurde me op. Hopeloos was mijn situatie niet. Meteen nadat ik me had ingeschreven  kon ik gaan solliciteren. De tribune was intussen goed volgelopen. Er zaten meer dan honderd mensen, mannen waren duidelijk in de meerderheid. Er was weinig contact tussen de mensen. Dit was een omgeving vol rijen met geduldig wachtende ruggen.

Ik zag N005 op het scherm verschijnen, daalde de tribune af en nam plaats aan de juiste tafel. Een vriendelijke jonge vrouw hielp me in het Nederlands. Ze nam haar tijd om me alles goed uit te leggen en gaf me nuttig advies. Ze zei dat ik me bij Actiris moest inschrijven binnen de acht dagen, en raadde me aan dat online te doen. Ik vroeg haar hoeveel tijd je had om je in te schrijven bij de HVW. ‘Twee maanden,’ zei ze tot mijn verbazing. Ik antwoordde dat op hun site stond dat je je onmiddellijk moest inschrijven. ‘Ja, ik weet het,’ zei ze. ‘Die info is niet juist. Je had gerust die afspraak over drie weken kunnen nemen.’ Mijn werkloosheidsvergoeding zou dan wel wat langer op zich laten wachten hebben. Maar toch goed om te weten.

Bij het verlaten van het gebouw stonden er lange rijen. Vroeg komen is de boodschap. Ik voelde dat mijn bezoek aan de CAPAC de pijnlijke herinneringen van vroeger een beetje verzachtte. Ik verliet het kantoor en vertrok naar mijn sollicitatiegesprek.