Wij(n)

Ik ben van B. naar A. gereisd, om een geliefde schrijver te parafraseren.

In B. ben ik al jaren thuis, in A. kom ik thuis bij mijn ouders.

Iedere keer als ik in A. kom, zijn er weer dingen veranderd.

Plekken zijn verdwenen, andere zijn plots uit de grond gerezen.

Zo sta ik op mijn wandeling ineens voor een heerlijk herenhuis.

Ik heb er over gelezen. Ik wist niet dat het hier was. In Hopland.

Het toeval bracht me hier.

Een nieuwe boekenwinkel annex wijnbar.

Ik kijk even bij de boeken beneden, ga dan naar de eerste verdieping.

Daar zie ik de geliefde schrijfster. Ze drinkt rode wijn.

Zou ze me herkennen van die keer op de trein?

Ik bestel een glas witte, een van de weinige glazen van deze maand.

‘Everytime we say goodbye’ zorgt voor verstilling.

Ik neem een tijdschrift uit het rekje op de marmeren schouw. Ik lees een artikel over een schilder – de nachtburgemeester van Oostende.

Rechts van me praat een koppel fluisterend, een beetje verderop werkt een jongeman met hipsterbaard op zijn laptop.

Links van me is de schrijfster in de weer met haar smartphone. Af en toe kucht zij eens. Haar kuchjes inspireren me.

Intussen speelt Dexter Gordon ‘A nightingale sang in Berkely Square’.

De schrijfster staat recht en loopt naar de kassa. Flessen klingelen kwetsbaar in haar zwarte katoenen schoudertas. Te dun om zo zwaar te zijn. Haar bankkaart maakt biepjes in de betaalautomaat.

Afscheid

© Raad van de VGC | Sera De Vriendt, co-auteur van het Brussels lexicon.

Net voor het concert zou beginnen, schuifelden twee oude mensen arm in arm de zaal binnen. De altijd attente ticketverkoopster was van achter haar balie gekomen om hen te begeleiden en hen persoonlijk hun plaats op de eerste rij toe te wijzen. Ik herkende de man meteen: het was professor De Vriendt, van wie ik in de eerste kandidatuur Nederlandse taalkunde had gekregen. Een man die zijn naam mooi droeg, want er was nooit iets onvriendelijks aan hem. Zijn gezicht lachte altijd, zelfs wanneer hij neutraal keek, leek het alsof hij zijn lach inhield. Het lukte hem niet zijn mond strak te houden of zijn blauwe ogen wat minder te laten stralen. Zijn rimpels waren lachrimpels.

Vierentwintig jaar had ik hem niet meer gezien. Onlangs nog had ik het met mijn man, die ook les van hem kreeg, over hem gehad. Vermits professor De Vriendt al in de zestig was toen hij mij lesgaf, had ik me afgevraagd of hij nog leefde. De kans was klein. In mijn hoofd was hij iemand van wie ik lang geleden al afscheid had genomen, niet iemand die ik ooit nog zou tegenkomen.

Nu zat hij recht voor mij, met één rij tussen ons, naar Bach te luisteren. Het concert was prachtig. Nooit had ik een passie van Bach live horen uitvoeren, met twintig muzikanten en twintig zangers. De muziek vervulde me zozeer, dat ik mijn professor even vergat.

Na het overweldigende applaus zag ik hem en zijn vrouw rechtstaan en moeizaam de tribune verlaten. Ik wachtte hen op bij de rand van de tribune en reikte de vrouw de hand. Ik zei dat ik in het theater werkte en nog les had gekregen van haar man. Ze vroeg of ik dan ook van haar les had gekregen, dat was niet zo. Zij vonden het altijd fijn oud-studenten tegen te komen, zei ze. En ze hadden zo van de avond genoten. Gelukkig waren ze nog net op tijd geweest, ze hadden in de file bij het Zuidstation vastgezeten.

Veel herinnerde ik me niet van de lessen van de professor. Toch dacht ik nog vaak aan hem. Dat kwam doordat hij zijn hond, een blonde labrador, altijd meenam naar de universiteit. De hond bleef in zijn kantoor en was nooit bij hem in het leslokaal, maar soms kwam je hen samen tegen in de lift. Tijdens de middagpauze liet hij het dier uit op de campus.

“Het was elf uur dus tijd om de hond uit te laten.” Dat was eens een voorbeeldzin in de les geweest. Waarschijnlijk ging het hem om de rol van de woorden “het” of “dus”. Hij was geïntrigeerd door de kleine woordjes in onze taal, en vooral door het woordje ‘er’. Ik vond het mooi dat hij een uit zijn eigen leven gegrepen zin ter ontleding aanbood. Dat hij iets van de warmte van zijn thuis in zijn grammaticales had gesmokkeld.

Voorheen had ik er nooit bij stilgestaan, dat hondeneigenaars laat ’s avonds, wanneer anderen in pyjama voor de buis zitten of al gaan slapen zijn, nog even naar buiten moeten met de hond. Sinds die zin was het me beginnen op te vallen, wanneer ik ’s avonds terugkeerde van het theater, dat ik op straat vooral mensen met een hond kruiste. “Het was elf uur dus tijd om de hond uit te laten,” flitste dan door me heen. Oneindig veel keren had ik zo aan professor De Vriendt gedacht. Pas nu besefte ik, hoe vaak hij me ’s avonds in nagenoeg verlaten straten had vergezeld.

In de foyer vertelde zijn vrouw me trots over hun kleinkinderen en wat ze allemaal geworden waren. De jongste was achttien, de oudste drieëndertig. De professor vroeg hoe lang geleden het was dat ik in zijn klas zat. “Vierentwintig jaar.” “Ik ben drieëntwintig jaar geleden met pensioen gegaan.” Ik kon zijn gezegende leeftijd ongeveer uitrekenen. Ze vroegen wat ik deed en toen ik zei dat ik schreef, spoorden ze me aan om zeker voort te doen. Ze vroegen om hen op de hoogte te houden. “Wonen jullie in Brussel?” vroeg ik. “In Sint-Genesius-Rode”. Wat was zijn voornaam ook weer? Ik herinnerde me dat het een speciale naam was, maar kon er niet meer op komen. “Sera – Seraphin”. Hij was naar zijn grootvader vernoemd, zo ging dat in zijn tijd.

Hij herinnerde mij zich niet en ook mijn man kon hij zich niet meer voor de geest halen. De meeste studenten van aan het eind van zijn carrière was hij vergeten. Ik vertelde dat ik nog geregeld aan hem en zijn hond dacht. “Welke was dat toen?” “Een blonde labrador”. “Dat is de laatste labrador die we gehad hebben. Die wegen dertig kilogram, ik kan ze niet meer tegenhouden, ik ben niet sterk genoeg meer. We hebben nu een ruwharige teckel. Ik moet nu naar huis om hem uit te gaan laten,” zei hij lachend. Het was kwart voor elf.

Ik begeleidde hen naar de uitgang, schudde mijn professor de hand, zijn vrouw omhelsde me en drukte vier kussen snel na elkaar op mijn rechterwang.

Thuis vertelde ik mijn man over de ontmoeting, hij deelde in mijn vreugde.

De volgende dag zocht ik de eigenaardige voornaam van mijn professor op in het woordenboek. “Naar het Oude Testament. Engel van de hoogste rang, die in de nabijheid van God lofliederen zingt”.

Gelukkig was hij de vorige avond gewoon een man op de eerste rij in het theater, vlak voor mij.

*

Deze tekst schreef ik vier jaar geleden. Gisteren vernam ik dat professor De Vriendt op 90-jarige leeftijd is overleden. Rust zacht, mooie man. Veel sterkte aan je lieve vrouw. Intussen werk ik niet meer in het theater. Ik geef nu Nederlands! (en ja, mijn cursisten vinden ‘er’ een moeilijk woordje)

Verzinsel

Het was stil op straat. Bleven de mensen preventief binnen voor de storm die morgen lelijk zou huishouden?

Ik ging nog snel even naar de bibliotheek. Lectuur inslaan voor de volgende dag. In mijn bibliotheek keek ik altijd bij de nieuwe boeken. Ze stonden uitgestald op wandplanken, meteen links als je binnenkwam. Enkele weken geleden had ik hier een mooi boek gevonden, ‘De vriend’ van Sigrid Nunez. Over een vrouw die de Deense dog van haar beste vriend adopteert nadat die uit het leven is gestapt. Het was het eerste boek dat ik in twintigtwintig heb gelezen. Het was moeilijk een tweede boek te vinden dat ik even graag zou lezen. Ik nam de nieuwe Juli Zeh mee.

Op de terugweg vroeg ik me af of ik nog groenten nodig had, en bij de biowinkel zou binnenspringen. Ik had niet echt iets nodig, ik had genoeg groenten thuis.

Zou ik nog een pompoen kopen voor soep? En een aubergine voor bij de Indiase rijstschotel van vanavond? Ik liep naar de biowinkel, wilde de deur openen, maar dat ging niet vlot. Binnen zat, op de deurmat, een enorme Deense dog.

‘Il s’est bien installé là,’ zei ik lachend tegen het baasje dat naast hem waakte, een jonge vrouw met een wollen muts.

‘Ik ben al blij dat ze stil zit,’ zei ze, ook in het Frans, maar voor het gemak schrijf ik dit even in het Nederlands. O, het was een vrouwtje. Ik liep naar de aubergines, die tegenover de hond stonden.

Wat een toeval. Ik moest het baasje aanspreken. Ze leek me vrolijk genoeg om dit niet vreemd te vinden.

‘Ik heb pas een boek gelezen waarin zo’n hond voorkomt,’ zei ik.

Ik vertelde haar over de roman. Dat het hoofdpersonage de hond geadopteerd had van haar overleden vriend. En dat ze in een appartement woonde dat te klein was voor de hond. De hond kon de badkamer alleen achterwaarts uit.

‘Net als bij mijn moeder,’ zei ze. ‘Het is haar hond. Mijn moeder is gek van Deense doggen. Maar ze woont ook klein.’ Haar moeder was in de verte groenten aan het kiezen.

‘Mag ik een foto nemen?’ vroeg ik. Dat mocht, maar de hond stond niet graag op foto’s. Ze was heel beweeglijk. ‘De hond in het boek heeft ook niet zo’n makkelijk karakter,’ zei ik. Ik vroeg hoe haar moeder aan de hond kwam. ‘Ze komt uit een asiel. Ze was achtergelaten.’ ‘De hond in het boek was ook achtergelaten door zijn eerste baasje. Ook daarom kan de vriendin het niet over haar hart krijgen om hem opnieuw naar een asiel te sturen. Maar ze heeft problemen met haar huisbaas, want ze mag geen hond houden.’

De hond kwam naar me toegelopen. Ze was inderdaad heel beweeglijk en stond op bijna elke foto wazig. ‘Hoe heet ze?’ ‘Athena’. ‘Dat is ook toevallig, de hond in het boek heet Apollo.”Son premier nom était Lorena. Mais je voudrais un nom plus costaud,’ zei ze. Ik citeer dit in het Frans, omdat ‘costaud’ een moeilijk te vertalen woord is dat zowel ‘krachtig’ als ‘uit de kluiten gewassen’ betekent. En omdat het mooi rijmt op ‘Apollo’.

‘In het boek kennen ze de eerste naam van de hond niet,’ zeg ik. ‘Dat is een van de problemen, misschien luistert hij daarom niet echt.’ De hond in de winkel was net als de hond in het boek vrij oud. Ze hadden hem zeven jaar – maar dit was zijn tweede leven.

‘Je ziet niet vaak zulke grote honden,’ zei ik nog. ‘Nee, zo zijn er maar drie hier in de buurt.’

We namen afscheid. ‘Tot ziens!’ Ze woonden vlakbij mij.

In  ‘De vriend’ zit een erg geslaagd vervreemdingseffect. Een scène die je als lezer een beetje van je stuk brengt. Omdat je begint te twijfelen aan het voorgaande. Heeft de schrijfster je beetgenomen? Wat is fictie? Wat is echt? Een zinloze vraag omdat alles in dit verhaal een verzinsel is. Of toch niet?

Wanneer ik met mijn pompoen en aubergine naar huis wandel en ook met nog wat boerenkool, komt de ontmoeting met de Deense dog me zo onwerkelijk voor. Alsof een hersenspinsel me had opgewacht.

Weerzien

Enkele dagen geleden nog heb ik aan haar gedacht. Na al die jaren mis ik haar nog steeds heel erg, bij vlagen. Ons afscheid was heel plots geweest. Onze band heel innig. Mijn intiemste zielenroerselen had ik haar toevertrouwd. Tot zij moest vertrekken.

Nu staat ze hier na vijfendertig jaar opnieuw voor mijn neus. De tijd heeft ook haar niet helemaal gespaard. Maar ze straalt nog net als toen. Ik raak haar aan, ze voelt nog zo vertrouwd. Ik weet nog precies hoe zij beweegt, hoe ze klinkt. Ik heb haar in mijn vingers.

Ik zou kunnen verdergaan waar ik was gebleven. Met het spelen van de partituur van mijn leven. Zonder enige aarzeling breng ik haar slede in beweging, druk ik lukraak een toets in.

Waarom moest ze vertrekken?  Haar tijd was voorbij, ze moest plaatsmaken voor een nieuw elektrisch exemplaar. We kregen korting op de aankoop van een nieuwe als we onze oude inleverden. Zij was zoveel meer waard dan wat we voor haar kregen. Dus was ze weerloos. Ik heb nog geprotesteerd, maar ik begreep het ook. Ik begreep zó veel.

Op de nieuwe elektrische machine typte mijn vader de eindverhandeling van mijn moeder. Na jaren huisvrouw te zijn geweest, was zij aan de universiteit gaan studeren. Niet veel later behaalde ze haar diploma. Ik was trots op haar.

De elektrische typemachine ging niet lang mee. Al snel kwamen computer en printer in de plaats. Ik kon niet ontkennen dat ze handig waren. Maar nog geregeld voelde ik verdriet om de verloren rode Olivetti Valentine waarop ik vele brieven had geschreven.

Nu staat ze hier ineens voor me, op het Vossenplein. De kans is klein dat het écht mijn typemachine is. Maar dat maakt weinig verschil. Ik probeer me te herinneren waarom ze enkele dagen geleden nog door me heen is gegaan. Ik weet het niet meer.

Remco Campert schreef ook op een Valentine, misschien nog steeds. In een krant van 2006 had ik hem achter zijn rode machine gezien. Er bestaat een zwart-witfoto van rond 1970, waarop de schrijver bij een voetgangerslicht wacht, met zijn typemachine in het bijbehorende koffertje. ‘My funny Valentine’ – Remco Campert was niet zomaar een grote fan van Chet Baker.

Ik vraag de verkoper wat de machine kost. Ze is betaalbaar maar ook niet goedkoop. Ik wandel weg en denk na. Ik zal de machine niet of nauwelijks gebruiken. Ik zou ze moeten kunnen uitstallen op mijn bureau en dagelijks bewonderen, maar waar ga ik mijn laptop dan laten? Ik ga haar toch niet kopen om op zolder te zetten? Zou ik er nog op kunnen typen? De linten zijn nog verkrijgbaar, zie ik op mijn telefoon. Ze zijn tweekleurig, vroeger typte ik er zwarte en rode letters mee. De linten zijn zo duur als een inktpatroon voor een printer.

Het doet er allemaal niet toe. Ik heb de kans om een oude pijn te verzachten. Wil ik dat? Leed hoeft niet altijd bestreden te worden, het hoort bij het leven. Maar als ik vandaag de machine niet koop, voeg ik misschien een extra portie pijn toe. Spijt om de gemiste kans. Kan dat er nog bij? De gedachten tollen door mijn hoofd. Ik moet ze opschrijven. Misschien kan ik de machine dan hier laten.

Bijna struikel ik over twee andere typemachines: een zwarte en een lichtblauwe. Zo gaat het altijd op het Vossenplein: als je iets ziet, dan is het ineens overal. Vergieten, paraplu’s,  elektrospellen, kerststallen, wereldbollen: eerst zie je er één, en vervolgens lijkt het hele plein er vol van. Deze twee machines zijn ook mooi. Onze printers belanden na gebruik bij het schroot en niet tussen de antiquiteiten. Waarom moet alles toch efficiënter, lelijker en minder duurzaam worden?

Ik sta terug voor de Valentine. Ze is er nog. De verkoper zegt dat de prijs niet te hoog is. De kans dat ik kan afdingen is klein, en dan nog zal ze duur zijn. Ik kijk in de koffer van de typemachine. Ik diep er een klein langwerpig boekje uit op. De verkoper neemt het me meteen uit handen. Het is fragiel, voorzichtigheid is geboden. Hij zegt dat hij lang geleden veel Valentines heeft verkocht. Maar nooit zat de gebruiksaanwijzing erbij. Hij toont me het boekje. ‘C’est très rare, une machine Valentine avec le mode d’emploi’. Une machine Valentine, dat rijmt mooi in het Frans. Behoedzaam steekt hij de gebruiksaanwijzing weer weg.

Dan pas zie ik het. Ik heb er niet aan gedacht toen ik enkele jaren geleden een naam zocht voor mijn blog. En ook nadien heb ik het nooit beseft. De Valentine zit in een rode valies.

De foto van Remco Campert met de Valentine vind je op pagina 2 van  het prachtige krantje dat antiquariaat Demian over Campert uitbracht.

In dit artikel van NRC zie je de schrijver achter zijn machine zitten in 2006.

Het einde van de zomer

Zondag eindigde de zomer in Brussel. Met zijn begin.

Het Plazeyfestival in het Elisabethpark van Koekelberg, dat al zo lang ik me kan herinneren de zomervakantie inluidt, werd dit jaar naar laatste weekend van de vakantie te verplaatst, naar 1 september nog wel.

Het voelde raar. Ook omdat het de laatste zomer van Bar Eliza was geweest. De voorbije zomer had ik nog vaak voor het laatst genoten van het heerlijke door buurtbewoners uitgebate parkcafé.

Na de fantastische optredens van Beraadgeslagen op vrijdag, en Bert en de Bomma’s op zondagmiddag, mochten Amadou en Mariam zondagavond het mooie weer maken. Dit Malinese echtpaar maakt al even lang muziek als ik op deze wereld sta – bijna een halve eeuw.

Mensen waren talrijk komen opdagen. Iedereen had zijn vakantie achter de rug, iedereen was terug.

De rij voor drankbonnetjes was immens en gaandeweg de avond werden steeds meer dranken van de kaart geschrapt, wegens niet meer voorradig.

Papegaey
vlierbloesemsap
witte wijn

De twee mannen die falafel bakten, deden gouden zaken. Er stond een megafile aan hun kraam. Toch bleven ze met dezelfde toewijding sla, saus en roze opgelegde raapjes samen met de falafelballetjes op het platbrood strooien, dat ze vervolgens zorgvuldig oprolden. Wie er één kon bemachtigen, was gelukkig. Wie vrienden vooraan in de wachtrij aantrof, met hen een praatje sloeg en zo kon ‘voorkruipen’, was nog gelukkiger. Dit was ook een gangbare praktijk in de rij van de drankbonnetjes. Niemand die er wat van zei, iedereen wachtte babbelend zijn beurt af.

Op weg naar de tafel van goede vrienden, raakte ik aan de praat met zoveel andere bekenden, dat ik pas ter bestemming kwam toen de goede vrienden al naar huis vertrokken waren.

Amadou en Mariam zetten het park op stelten. Met hun afro-blues vertolkten ze precies het juiste gevoel van weemoedige, feestelijke uitbundigheid dat over deze dag hing. Konden we dit maar vasthouden.

Kinderen zaten op de schouders van hun vader. Zo heb ik ook een van mijn eerste concerten gezien, van Joe Jackson, op Mallemunt. Daar denk ik nog altijd aan wanneer Joe Jackson op de radio voorbij komt. Zouden deze kinderen, wanneer ze in de veertig zijn, bij het horen van Amadou en Mariam opnieuw op de schouders van hun vader zitten?

Hier werden herinneringen gezaaid.

Een grote zus droeg haar broer op de rug. Een vrouw legde haar arm om haar man heen, samen wiegden ze mee met de muziek. Vrienden stonden zij aan zij te praten, het was moeilijk kiezen: bijpraten of luisteren naar de muziek.

Ineens zag ik alleen nog ruggen. Ruggen voor wie het nog even vakantie mocht zijn. Ruggen die ‘terug naar school’ of naar het werk vergeten waren. Ruggen die er nog niet aan dachten, dat we morgen weer vertrokken zouden zijn – niet op vakantie.

Zondag begon de zomer in Brussel. Met zijn einde.

 

 

 

Pluisje

Het is vakantie. Het is heel warm.

De jongste dochter verhuist binnenkort naar de kamer van de oudste dochter.

Ze wil graag wat nieuwe spullen kopen voor haar nieuwe kamer.

Een rekje, een wandplank, een prikbord en lampjes.

We gaan naar het woonwarenhuis.

We nemen de tram.

Ik ga links bij het raam zitten, mijn dochter rechts.

Met het gangpad tussen ons in.

Ik kijk naar mijn dochter.

Ze is mooi. Haar nieuwe gele jumpsuit met zonnebloemen staat haar goed.

Mijn dochter plukt iets van het t-shirt van de man die voor haar zit.

Ze gooit het omhoog.

Het is een pluisje. Van een paardenbloem, denk ik.

Het pluisje dwarrelt naar beneden, mijn dochter vangt het op en gooit het weer omhoog.

Dat doet ze telkens opnieuw.

‘Ik had nooit gedacht dat ik me zo kon amuseren met een pluisje,’ zegt ze.

Maar dan is ze het pluisje kwijt. Ze doet alsof ze verdrietig is.

Ineens komt het pluisje weer aangevlogen.

Mijn dochter gaat verder met haar spelletje.

Dan krijg ik een berichtje van mijn moeder.

Ik heb haar net ge-sms’t dat we op weg zijn naar het woonwarenhuis.

Ze antwoordt: ‘Wil je voor mij pluizenrollers kopen? (om de pluisjes van mijn breiwerk weg te rollen).’

Mijn mama breit graag. Ze kan heel goed breien. Maar nadien hangt ze altijd vol pluisjes.

Mijn mama kan niet weten dat haar kleinkind juist nu met een pluisje aan het spelen is.

Wat een toeval.

We stappen over op de metro. Het pluisje blijft achter op de tram.

In het woonwarenhuis is het rustig en fris.

We gaan zitten in de zetels. We testen een grijze driezit. Wat zit hij lekker.

In het restaurant van de winkel eten we gehaktballetjes met saus en frietjes, en een ijsje.

We kopen nieuwe glazen, want we moeten veel water drinken met het warme weer.

We vinden alles wat we nodig hebben voor de nieuwe kamer van mijn dochter.

Dan wandelen we naar de pluizenrollers.

We kopen er acht voor mijn mama en vier voor onszelf.

Pluizenrollers komen altijd van pas.

Vlakbij de pluizenrollers staat een mand met grote strooien hoeden.

Een moeder past zo’n hoed, samen met haar zoontje en haar dochtertje.

Ze zijn heel mooi, alledrie met hun strooien hoed. Ze hebben plezier.

Alsof ze op het strand zijn.

Ik zou een foto van hen willen nemen, maar dat durf ik niet te vragen.

‘Echt vakantie,’ zeg ik. ‘En het is hier nog koel en rustig ook.’

‘Meer hoeft dat niet te zijn,’ lacht de moeder.

Paden

Negenentwintig mei. Het gaat even niet zo goed met mij. Ik neem de trein naar Oostende. De voorbije twee jaar heeft de zee altijd rust en raad gebracht. ‘Oostende trekt mensen aan die willen veranderen,’ schrijft Koen Peeters in zijn ode aan de kuststad. Ben ik hier daarom zo vaak naartoe gekomen?

Van het station wandel ik meteen via de dijk naar de bibliotheek. Het is een zonnige dag. Op het terras van het café van de bibliotheek  zal ik mijn meter ontmoeten. Zij is pas met pensioen, na jaren pendelen tussen Oostende en Brussel.

De uitbater van het café van de bibliotheek is een voormalige collega. Hij werkte lang geleden als barman in het café van het Brusselse theater waar ik vijftien jaar de personeelsadministratie verzorgd heb. Hij bleef er niet lang.

Op een dag ging hij met zijn vriendin een dagje naar zee. Toen ze ’s avonds naar Brussel terugkeerden, hadden ze een huis gekocht, heel impulsief. Hij woont nu al vele jaren in Oostende, kreeg er twee kinderen.

Ik bestel een cappuccino. ‘We hebben er toch nog eens goed van genoten,’ zeg ik, ‘een laatste keer in Océade zwemmen.’ ‘Ja,’ zegt hij. De vorige keer dat we elkaar zagen was aan het einde van vorige zomer. Een toevallige ontmoeting in een draaikolk van het Brusselse zwemparadijs, kort voor het moest sluiten. Hij kwam er afscheid nemen met zijn zoontje, ik met mijn jongste dochter en haar vriendin. ‘Zo erg dat ze het afgebroken hebben,’ zeg ik, ‘er is daar veel te weinig tegen geprotesteerd.’

Ik vertel mijn oud-collega dat ook ik eindelijk de moed heb gehad om weg te gaan bij het theater dat me nauw aan het hart lag. En dat ik nu Nederlandse les geef aan anderstaligen. Hij vertelt dat zijn beste vriend in Brussel dezelfde job doet, met hart en ziel. Binnenkort gaat hij naar het trouwfeest van de vriend, in Afrika. Intussen maakt hij mijn cappuccino. Nog even praten we over de toekomst van het Oostendse zwembad, dat ook ten dode is opgeschreven. ‘Van mij mogen ze het afbreken, en niets nieuws in de plaats zetten. Dan kan ik van hieruit de zee zien. Ik zou er graag een groot plein van maken, van de bibliotheek tot aan de zee.’

Ik installeer me op het terras. Op mijn telefoon zie ik een berichtje verschijnen. ‘Hoe gaat het met je? En je werk? Als je nog vragen hebt, laat het mij gerust weten.’ Het is een half jaar geleden dat ik haar hoorde, en langer dan een jaar geleden dat ik haar zag. Net nu  informeert ze naar me. Soms lijk ik telepathisch verbonden met mensen die om me geven.

Het was de voorbije maanden niet nodig dat ik haar bezocht. Ik antwoord haar niet meteen. Dat verwacht ze niet. Nu moet ik me vooral ontspannen, zou ze zeggen, zeelucht inademen. Pas twee weken later schrijf ik haar. Ik zeg dat ik nog eens wil afspreken. Om samen over mijn voorbije jaar te reflecteren.

Vierentwintig juni. Wij zullen elkaar treffen in haar kantoor in de Scepterstraat in Elsene. De Scepterstraat is een straat met een actief wijkcomité, dat zich inzet voor meer groen. Geïnteresseerd kijk ik naar de klimplanten, de stokrozen en de veldbloemen die her en der gezaaid zijn, de bloembakken die bewoners voor hun huizen geplaatst hebben. Op een kaartje bij een roze hortensia lees ik: ‘Les voisins fleurissent la rue et voient la vie en rose.’ Ik zie een toekomst voor mijn treurige kaalgeslagen plein.

Ik heb haar veel te vertellen. Zij luistert. Pas na een tijd spreekt zij. Zij vult me met adviezen, ideeën, zin. Dan vallen we even stil. ‘Waar zou je het nog graag over hebben?’ zegt ze. ‘Hebben we nog tijd?’ Nog vijf minuten, zie ik. We zijn te vroeg klaar. Dat gebeurde nooit eerder. Het is omdat het goed gaat. Ik heb deze gesprekken niet meer zo nodig als ooit.

Wanneer ik wegga, zegt ze dat ze me graag wat vaker zou horen. ‘Jij bent diegene die al het langst bij me komt. Ik wil graag weten hoe het met je gaat.’ ‘Ik moet wel betalen om met je te praten,’ lach ik. ‘Een berichtje is ook goed,’ zegt ze.

Bij het afscheid wijst ze me een weg: ‘Als je hier naar links en dan naar rechts gaat, kom je bij de nieuwe promenade over de spoorweg.’ Ik volg haar raad. Ze heeft talent om iemand de juiste richting uit te sturen.

Ik heb nog veel werk maar gun me de omweg naar huis. Het pad is prachtig. Er ligt een verborgen parkje achter, het Viaductpark. Daar liggen mensen uit te blazen op deze hete dag. Beneden  me kruisen twee treinen elkaar. Zij proberen op tijd te zijn.

Via de promenade kom ik in het Leopoldpark, een verrassend groot park met veel hoogteverschillen. Hoe goed verborgen ligt dit groen achter de lelijke paleizen van de Europese wijk. De prachtige Wiertz- en Vautierstraat geven nog een idee van hoe het hier vroeger was. Ik heb deze buurt nog gekend ten tijde van de onteigeningen, mijn Franstalige pennenvriendin woonde hier. Binnenkort, als het vakantie is, kom ik eens terug om het Wiertzmuseum te bezoeken.

Wanneer ik weer bij de metro kom, weet ik niet wat het meest deugd deed: het gesprek of de wandeling.

Zakdoekjes

Ik ben op weg naar Wijnheuvelen voor een wereldbol. Waarom de halte zo heet, weet ik niet. Misschien waren er lang geleden wijngaarden in de Wijnheuvelenstraat. Waarom het geen Wijnheuvels zijn, weet ik ook niet. Wellicht werd het meervoud nog anders gebouwd toen hier wijn verbouwd werd.

De wereldbol zal ik zomaar krijgen van een onbekende. Ik vond hem via Brussel Verniet, een facebookpagina waar Brussellaars spullen weggeven. Waarom de wereldbol weg moet, weet ik niet.

Het is een zonnige ochtend. Ik geniet van de tramrit. Een bedelaar stapt op. Hij bedelt niet zomaar, hij biedt mensen een pakje papieren zakdoeken aan. De Marokkaanse vrouw schuin tegenover me koopt een pakje zakdoeken van hem, de andere mensen schudden het hoofd, ik ook. De man loopt niet door maar gaat tegenover me zitten.

Hij is nu geen bedelaar meer maar gewoon een medepassagier. Ik heb tijd om naar hem te kijken. Hij heeft een mooie bruine huid. Hij is niet onknap, maar wel getekend. Ik schat hem ergens in de dertig. Hij is vrij verzorgd gekleed en heeft een sportieve rugzak bij. Hij is uit zijn land gevlucht, denk ik. Hij heeft zijn fierheid bewaard. Hij wil niet zomaar geld vragen, maar de mensen iets in ruil geven. Iets wat ze nodig hebben, maar vaak vergeten. Zakdoekjes. Voor vuile monden, snotneuzen, tranen.

Hoeveel de zakdoekjes kosten? Wat ik wil, zegt hij. Ik heb nog maar één euro bij. Die geef ik hem. Hij overhandigt me het pakje zakdoekjes. Ik steek ze in mijn handtas. Uit welk land hij komt, vraag ik in het Frans. Hij verstaat me niet. Hij vraagt aan de Marokkaanse vrouw naast me of zij wil tolken. Eerst kijkt ze verbaasd. Met een bedelaar spreken? Maar dan vertaalt ze zijn vraag. ‘Uit Palestina,’ zegt de man. Hij vraagt vanwaar ik kom. ‘From Belgium,’ zeg ik, want hij vertelde net dat hij wel een beetje Engels begrijpt.

Dan raakt hij aan de praat met de Marokkaanse vrouw naast me. Ik versta hen niet. Maar de vrouw koopt nu ook een pakje zakdoekjes. Ik geniet ervan dat ik hen met elkaar in contact heb gebracht. Even later stapt de man af. De Marokkaanse vrouw zegt iets tegen haar overbuurvrouw, de eerste vrouw die een pakje zakdoeken kocht. Ze spreken Arabisch. Uit hun toon maak ik op dat ze met mededogen praten. Ze hebben ook gezien dat deze man te fier is om te bedelen.

Ik heb te weinig met hem kunnen spreken, denk ik. En ik heb hem te weinig gegeven. Niet eens genoeg om een nieuw pak papieren zakdoekjes te kopen.

DeschanellaanBij Wijnheuvelen stap ik uit. Ik wandel naar de Paul Deschanellaan. Dit is zo’n plek waar je je in Brussel in Parijs waant. Bij een van de prachtige statige huizen bel ik aan. Een jonge blonde vrouw doet de deur open, de wereldbol in de hand. ‘Het lichtje is wel stuk,’ zegt ze. Niet erg. Ik steek er wel een nieuw lampje in. We praten nog even, over hoe leuk het is om te krijgen én te geven. Dan vertrek ik weer.

Ik wandel de laan uit. Bij het café op de hoek bestel ik een cappuccino. Van op het terras zie ik de Brusiliatoren. Daar op de vijftiende verdieping woont een goede vriendin van me. Ik heb nu geen tijd om haar te zien. Maar we zouden naar elkaar kunnen wuiven.

Ik haal de wereldbol uit mijn tas. Ik draai hem rond tot ik bij het Midden-Oosten kom. Het land van de zakdoekman staat er niet op.

Pepertjes

Vandaag hebben we berichtjes gelezen in de klas.

Berichtjes die bij de ingang van de supermarkt hangen.

Mensen bieden iets aan, of ze zoeken iets.

Ze bieden iets aan dat ze goed kunnen. Ze kunnen goed klussen, babysitten of strijken.

Ze willen graag bij jou komen klussen, babysitten of strijken.

Als jij iemand zoekt die kan klussen, babysitten of strijken, mag je hen bellen.

Er hangen in de supermarkt ook berichtjes van mensen die iets zoeken.

Ze zoeken iemand die bijles wil geven aan hun kind. Of iemand die hun tuin wil onderhouden. Sommige mensen zoeken een vriend of vriendin om Nederlands mee te praten.

In hun berichtje schrijven ze bijvoorbeeld:

‘Babysit gezocht voor mijn zoontje van twee jaar. Elke donderdagavond van 18-22 uur.’

Of: ‘Wil jij onze Belgische vriend(in) worden en met ons naar de markt gaan, koffie drinken, koken?’

In het handboek stonden veel verschillende berichtjes.

Mijn studenten zeiden dat ze die berichtjes nog nooit hadden gezien in de supermarkt.

‘Niet iedereen post een zoekertje op tweedehands.be,’ zei ik. Sommige mensen hebben geen internet. Zij schrijven nog een ouderwets briefje. Ze hangen het aan de muur in de supermarkt.

’s Avonds ging ik boodschappen doen in de Colruyt. Toen ik naar buiten ging, zag ik de berichtjes hangen. In Brussel zijn ze bijna allemaal in het Frans. Maar er was één berichtje in het Nederlands.

Dit was het:

Tomaten, pepertjes & paprika’s en andere planten

Ik heb een passie voor het kweken van groenten en andere plantjes in mijn moestuin in Brussel. Dit jaar heb ik een 40-tal variëteiten gezaaid, maar ik zal ze niet allemaal in mijn tuin kunnen planten. Ik bied jullie een zeer ruime keus aan planten van zeer speciale, kleurige en lekkere soorten tomaten en pepertjes. De planten stammen af van pure, niet genetisch gemanipuleerde zaadjes. Bovendien werden ze nooit chemisch behandeld!!!

De aanbieder had er de soorten groenten bijgeschreven: tomaten (geel-groen-rood-blauw), pepertjes, paprika’s, komkommers, erwtjes, aubergines, … en ook nog bloemen!

Ze had zelfs een tekening en foto’s van de groenten gemaakt.

Ik heb zin om deze mevrouw te bellen. Ik wil graag een paar plantjes gaan halen voor mijn tuin. Ik weet niet of ze gratis zijn. Misschien moet ik betalen. Dat staat er niet bij.

 

Bij Jettenaars thuis

Jettenaars kijken er elk jaar weer naar uit: het artiestenparcours in het laatste weekend van april.  Maar ook steeds meer mensen van buiten Jette ontdekken dit leuke evenement. Op publieke plekken maar ook bij Jettenaars thuis kan je gaan kijken naar het werk van plaatselijke (amateur)kunstenaars.

Ook de rode valies doet mee, met foto’s en teksten. Ik exposeer op 27 en 28/4 van 11-19 uur in het heerlijke huis van goede vrienden Pieter en Kristien, Baron de Laveleyestraat 23, vlakbij het rusthuis Magnolia. Je zal er mijn fotoreeks van het Boudewijnpark kunnen bekijken. Met een foto uit deze reeks was ik een van de winnaars van de wedstijd ‘Jette in beeld’, ze hangt nu in de voetgangerstunnel onder het station van Jette. Fotografe Paula Richard en illustratrice Nena Peeters – bekend van haar tekeningen op de perrons in Brussel Noord – stellen samen met mij tentoon.

Graag geef ik nog mijn tips voor een leuk parcours:

  • Bezoek het Magrittehuis in de Esseghemstraat 135, het gerestaureerde huis waar Magritte ooit woonde. Het is nu een prachtig museum, ingericht met de authentieke meubels van de bekende surrealist. Magrittes schilderijen hangen er niet, maar er zijn ontroerende kleinoden van de kunstenaar, zoals ansichtkaarten die hij schreef en een vloerkleed dat hij ontwierp en dat zijn vrouw knoopte.
  • Geniet van het werk van Clara Callewaert, de dochter van goede vrienden van me, die je hartelijk zullen ontvangen in hun gezellige en mooi verbouwde huis in de Jules Lahayestraat 174.
  • Ga eens langs bij Art Mosaico in de Vanderborghtstraat 136, een unieke privé-school voor mozaiekkunst. De leerlingen stellen er tentoon.
  • Ga eens kijken naar de foto’s van Raphaël Gorlé. Ze tonen plekken waar de natuur opnieuw zijn plaats verovert nadat ze door de mens werden verlaten (in het Centre culturel de Jette, Bld de Smet de Naeyer 145).

  • Drink iets in de unieke en heel kindvriendelijke tuin van Atelier34zero Muzeum. Bezoek er de expo van Camiel Van Breedam, een gerenommeerde Antwerpse kunstenaar die prachtig werk maakt met eenvoudige houten latjes.
  • Bezoek Hemel 75, een plek die zijn naam niet gestolen heeft. Het huis van Luc Van Cauter is tevens een antiekzaak. Bijna zijn hele interieur -van woonkamer tot zolder- is te koop! Je kan er ook de bijzondere juwelen van Hade Quaghebeur bewonderen.
  • Ga zeker ook iets drinken in de Excelsior, het tofste café van Jette op het mooie Mercierplein. Onderwijl kan je de 3D-werken van Lieve Bracke ervaren.
  • Neem op dit plein ook eens een kijkje in de Sint-Pieterskerk, bekend van zijn jaarlijkse mis in het Brussels. Deze immens populaire kerk gaat met zijn tijd mee, je ziet er verschillende kunstenaars aan het werk.
  • Laat je oren strelen door de toffe jazzplaatjes van Arnie goes DJ in de Bonaventurestraat 37, op 27/4 van 18-19u. Fotograaf Arnaud Ghys staat bij de Jettenaren bekend om zijn fantastische vinylplaten-collectie.

Het volledige programma: APA Jette 2019.