Quarantaine

KerremansparkDe oudste dochter die weer thuis woont
de jongste naar haar toe zien groeien
van dag tot dag
de man die ’s ochtends naar het werk vertrekt
en gewoon de trap opgaat
naar de slaapkamer
tot ik roep dat het tijd is om naar huis te komen
voor het avondmaal
op vrijdagavond karaoke
omdat The Voice Kids niet meer doorgaat
een duet met de man, die hit uit onze jonge jaren
het geduld bewaren wanneer het toilet bezet is, of het internet
sputtert, de soep die elke middag pruttelt, net als de zuurdesemstarter
de nieuwe huisgenoot, die Antoine heet, vaststellen dat
de helft van de wereld nu zuurdesembrood bakt
en zijn starter een naam geeft
origineel ben ik niet, maar ik moet iets met mijn handen doen
en met mijn voeten, wandelen, wandelen
in de natuur die ik nu pas echt ontdek, met vele anderen
het park, het bos, het natuurreservaat, het moeras
in mijn buurt, vlakbij, er al die jaren te weinig van genoten
hoe heten die paarse bloemen en die witte en die gele
en wie is dat piepkleine vogeltje met zijn rechtopstaande staart,
het winterkoninkje terwijl het zomeruur haast ongemerkt ingaat
regelmaat is nu belangrijk maar soms is het te veel
van hetzelfde en weet ik niet meer welke dag
het gisteren was, of morgen, niet denken aan de toekomst
geen waarzeggerij, vandaag ben ik blij
ja, het is best goed, behalve ’s nachts
dan zijn er wilde dieren, angst
om niet meer te kunnen ademen, mediteren helpt,
vaststellen dat ik tevreden ben met een eenvoudig leven
zoals mijn grootmoeder, werken met mijn handen
naaien, deeg kneden, zaaien
kon ik maar uitwaaien bij haar aan zee
haar niet mogen zien
al vijfentwintig jaar niet meer, het begint zwaar te wegen
’s nachts bezoek ik haar
overdag breng ik aardbeien naar een 92-jarige vriendin
in het rusthuis, elk einde is een nieuw begin, zegt zij
dat ik familie en vrienden nog niet zo erg mis
omdat ik hen steeds toevallig tegenkom
en ze in gedachten altijd bij mij zijn
dichter in mijn hoofd dan ze digitaal ooit kunnen komen
hoewel ik me digitaal verdiep als taalleraar
leer hoe je woorden kunt slepen naar hun juiste betekenis
aan mijn studenten die tegelijk verder weg en dichter bij zijn
ik zie hun kinderen, hun man of vrouw, hun tuin
hun uitzicht van op de veertiende verdieping
ik weet nu hoe hun deurbel klinkt
en soms waarom ze verdrietig zijn
ik maak kennis met hun huisdieren
de kat die Pepita heet
zoomt mee, zoomen in plaats van spinnen
zoomen in plaats van zoenen
niet zoals de bijen in mijn tuin, hun paradijs
het werkwoord van deze tijd
ik zoom, jij zoomt, hij zoomt,
wij zoomden tot de verbinding verbrak
zoomen voor de zeventigste verjaardag van mijn moeder
en met een collega die om de hoek woont
en een collega van om de andere hoek
met een collega van nog een andere hoek sprak ik
aan de telefoon, ik begin dit vreemde leven
zelfs gewoon te worden, ik ben niet alleen
denk ik ’s avonds wanneer ik sta te wachten in de rij
om groenten van lokale boeren op te halen
die alles beter verteerbaar maken
ik sta in een zonnige straat te wachten en denk
het gaat, en vind ineens de woorden
die me al weken in de steek hadden gelaten.

Wrakstukken

Met een bibliotheekkaart van één Brusselse bibliotheek, mag je in alle Brusselse bibliotheken materialen ontlenen. Al jaren maak ik daar dankbaar gebruik van. Geregeld kom ik in de bibliotheken van Jette, Koekelberg, Brussel Centrum, Molenbeek, Ganshoren, Neder-Over-Heembeek en Anderlecht. Elke bibliotheek legt zijn eigen klemtonen. De ene bibliotheek heeft een bijzonder cinefiele DVD-collectie, de andere is dan weer gespecialiseerd in kookboeken.

Toen de bibliotheek van Anderlecht een tijd geleden de deuren sloot voor renovatiewerken, mochten de leden onbeperkt materiaal voor onbepaalde duur ontlenen. Met mijn caddy ging ik een voorraad inslaan.

Momenteel heb ik 60 materialen van 4 verschillende Brusselse bibliotheken in huis. Kookboeken, handboeken Nederlands voor mijn lessen, zelfhulpboeken over zelfzorg en relaties, romans en kinderboeken. Je zou denken dat ik de quarantaine had zien aankomen, maar dat was niet zo. Ik laat me graag omringen door veel boeken, zonder ze (helemaal) te moeten lezen.  Soms doorblader ik ze gewoons eens, of lees de achterflap. Ik wil graag veel boeken om me heen om te kunnen kiezen – en soms is het lang zoeken wat het juiste boek voor me is.

Het duurde lang eer ik de geschikte lectuur voor deze periode vond. Doorgaans lees ik graag persoonlijke verhalen. Ik begon in ‘Herinneringen aan de toekomst’ van Siri Hustvedt. Maar iets in de toon stond me tegen. Reeds bij bladzijde 7, toen de schrijfster op een Corona-schrijfmachine begon te typen, legde ik het neer. Vervolgens begon ik in ‘Zeldzame aarden’ van Sandro Veronesi, een boek dat ik als Veronesi-fan van mijn man had gekregen, maar dat al lang ongelezen in mijn kast stond. Het was een spannend, meeslepend verhaal, ik zat al snel aan bladzijde 100. Tot het hoofdpersonage, een brave huisvader, zo diep in de problemen was geraakt dat ik de lectuur ervan niet meer zo ontspannend vond.

Mijn oog viel op een verhalenbundel van Tsjechov (1860-1904) die ik een tijdje geleden in de Oxfam-kringwinkel had gekocht. Tsjechov wordt vaak gezien als de grootmeester van het kortverhaal. Hij was een dokter, die een meesterlijk inzicht had in de menselijke psyche en in de wereld die hem omringde. In zijn verhalen zitten veel lagen, je kan eruit halen wat vandaag van toepassing is, je kan erin vinden wat jij nodig hebt. Tsjechov was zijn tijd vooruit. Zo klaagde hij in theaterteksten als ‘Oom Wanja’ en ‘De kersentuin’ al het menselijk gebrek aan respect voor de natuur aan.

Graag laat ik mijn lectuur door het toeval bepalen. Boeken komen naar mij toe. Was dat nu ook zo? Had Tsjechov me aangesproken? Wat had hij me te vertellen?

Het eerste verhaal, ‘De weddenschap’, ging over een jonge jurist die, tijdens een discussie over de doodstraf op een avondlijk feest, een geheel onzinnige weddenschap sluit met een bankier. Terwijl de bankier de doodstraf verkiest boven een levenslange gevangenisstraf, zegt de jurist dat ieder leven beter is dan geen leven. Om dit te bewijzen zal hij zich vijftien jaar laten opsluiten in het tuinhuis van de bankier. Als hij het volhoudt, zal de bankier hem twee miljoen roebel betalen.

‘Men kwam overeen dat hem gedurende vijftien jaar het recht ontzegd zou zijn de drempel van het huisje te overschrijden, levende mensen te zien, mensenstemmen te horen en brieven en kranten te ontvangen. Hij mocht een muziekinstrument hebben, boeken lezen, brieven schrijven, wijn drinken en roken. Tot de voorwaarden behoorde dat hij met de buitenwereld geen ander contact kon hebben dan zwijgend, door een speciaal daarvoor aangebracht raampje.’

Ik las het met enige verbazing. Een man die vrijwillig vijftien jaar in quarantaine gaat. Tsjechov heeft voor die lange tijd maar zeven bladzijden nodig.

‘Het eerste jaar van zijn opsluiting had de jurist het, voor zover men uit zijn korte briefjes kon opmaken, erg moeilijk met de eenzaamheid en de verveling. Uit zijn huisje klonk dag en nacht pianomuziek. Hij zag af van wijn en tabak. Wijn, zo schreef hij, wekt verlangens op, en verlangens zijn de ergste vijanden van een gevangene; bovendien is niets vervelender dan goede wijn drinken zonder iemand te zien. En tabak bedierf de lucht in zijn kamer.’

Vijf jaar later drinkt de gevangene wel wijn: ‘Diegenen die via het raampje toezicht op hem hielden, zeiden dat hij het hele jaar alleen maar at, dronk en op zijn bed lag, veel geeuwde en boos in zichzelf praatte. Boeken las hij niet. (…) Herhaaldelijk hoorden ze hem huilen.’

In de jaren die volgen maakt de gevangene uitgebreid gebruik van zijn recht om onbeperkt boeken te bestellen. Hij begint te studeren en leert zes talen.

‘Gedurende de laatste twee jaar van zijn opsluiting las de gevangene buitengewoon veel, zonder enig systeem. Nu eens boog hij zich over natuurwetenschappen, dan weer liet hij Byron of Shakespeare komen. Er kwamen briefjes van hem waarin hij tegelijk om scheikunde, een medisch leerboek, een roman en een of ander filosofisch traktaat vroeg. Met zijn lezen was het net alsof hij rondzwom in een zee te midden van de wrakstukken van een schip en, om zijn leven te redden, zich gretig nu eens aan het ene, dan weer aan het andere wrakstuk vastklampte!’

Het lezen zonder systeem was bijzonder herkenbaar voor mij. De zoektocht van het personage naar een manier om zijn opgesloten zijn draaglijk te maken, leek over vandaag te gaan.  Het boek had mij niet toevallig gekozen.

Hoe het afloopt met de gevangene en of hij de weddenschap wint, laat ik in het ongewisse. Je kan het lezen in deze mooie bundel. Een wrakstuk in een moeilijke tijd.

Tsjechov. Verzamelde werken 4. Uitgeverij Van Oorschot, 2008. Vertaling: T. Eekman, A. Prins, A. Stoffel.

Wij(n)

Ik ben van B. naar A. gereisd, om een geliefde schrijver te parafraseren.

In B. ben ik al jaren thuis, in A. kom ik thuis bij mijn ouders.

Iedere keer als ik in A. kom, zijn er weer dingen veranderd.

Plekken zijn verdwenen, andere zijn plots uit de grond gerezen.

Zo sta ik op mijn wandeling ineens voor een heerlijk herenhuis.

Ik heb er over gelezen. Ik wist niet dat het hier was. In Hopland.

Het toeval bracht me hier.

Een nieuwe boekenwinkel annex wijnbar.

Ik kijk even bij de boeken beneden, ga dan naar de eerste verdieping.

Daar zie ik de geliefde schrijfster. Ze drinkt rode wijn.

Zou ze me herkennen van die keer op de trein?

Ik bestel een glas witte, een van de weinige glazen van deze maand.

‘Everytime we say goodbye’ zorgt voor verstilling.

Ik neem een tijdschrift uit het rekje op de marmeren schouw. Ik lees een artikel over een schilder – de nachtburgemeester van Oostende.

Rechts van me praat een koppel fluisterend, een beetje verderop werkt een jongeman met hipsterbaard op zijn laptop.

Links van me is de schrijfster in de weer met haar smartphone. Af en toe kucht zij eens. Haar kuchjes inspireren me.

Intussen speelt Dexter Gordon ‘A nightingale sang in Berkely Square’.

De schrijfster staat recht en loopt naar de kassa. Flessen klingelen kwetsbaar in haar zwarte katoenen schoudertas. Te dun om zo zwaar te zijn. Haar bankkaart maakt biepjes in de betaalautomaat.

Afscheid

© Raad van de VGC | Sera De Vriendt, co-auteur van het Brussels lexicon.

Net voor het concert zou beginnen, schuifelden twee oude mensen arm in arm de zaal binnen. De altijd attente ticketverkoopster was van achter haar balie gekomen om hen te begeleiden en hen persoonlijk hun plaats op de eerste rij toe te wijzen. Ik herkende de man meteen: het was professor De Vriendt, van wie ik in de eerste kandidatuur Nederlandse taalkunde had gekregen. Een man die zijn naam mooi droeg, want er was nooit iets onvriendelijks aan hem. Zijn gezicht lachte altijd, zelfs wanneer hij neutraal keek, leek het alsof hij zijn lach inhield. Het lukte hem niet zijn mond strak te houden of zijn blauwe ogen wat minder te laten stralen. Zijn rimpels waren lachrimpels.

Vierentwintig jaar had ik hem niet meer gezien. Onlangs nog had ik het met mijn man, die ook les van hem kreeg, over hem gehad. Vermits professor De Vriendt al in de zestig was toen hij mij lesgaf, had ik me afgevraagd of hij nog leefde. De kans was klein. In mijn hoofd was hij iemand van wie ik lang geleden al afscheid had genomen, niet iemand die ik ooit nog zou tegenkomen.

Nu zat hij recht voor mij, met één rij tussen ons, naar Bach te luisteren. Het concert was prachtig. Nooit had ik een passie van Bach live horen uitvoeren, met twintig muzikanten en twintig zangers. De muziek vervulde me zozeer, dat ik mijn professor even vergat.

Na het overweldigende applaus zag ik hem en zijn vrouw rechtstaan en moeizaam de tribune verlaten. Ik wachtte hen op bij de rand van de tribune en reikte de vrouw de hand. Ik zei dat ik in het theater werkte en nog les had gekregen van haar man. Ze vroeg of ik dan ook van haar les had gekregen, dat was niet zo. Zij vonden het altijd fijn oud-studenten tegen te komen, zei ze. En ze hadden zo van de avond genoten. Gelukkig waren ze nog net op tijd geweest, ze hadden in de file bij het Zuidstation vastgezeten.

Veel herinnerde ik me niet van de lessen van de professor. Toch dacht ik nog vaak aan hem. Dat kwam doordat hij zijn hond, een blonde labrador, altijd meenam naar de universiteit. De hond bleef in zijn kantoor en was nooit bij hem in het leslokaal, maar soms kwam je hen samen tegen in de lift. Tijdens de middagpauze liet hij het dier uit op de campus.

“Het was elf uur dus tijd om de hond uit te laten.” Dat was eens een voorbeeldzin in de les geweest. Waarschijnlijk ging het hem om de rol van de woorden “het” of “dus”. Hij was geïntrigeerd door de kleine woordjes in onze taal, en vooral door het woordje ‘er’. Ik vond het mooi dat hij een uit zijn eigen leven gegrepen zin ter ontleding aanbood. Dat hij iets van de warmte van zijn thuis in zijn grammaticales had gesmokkeld.

Voorheen had ik er nooit bij stilgestaan, dat hondeneigenaars laat ’s avonds, wanneer anderen in pyjama voor de buis zitten of al gaan slapen zijn, nog even naar buiten moeten met de hond. Sinds die zin was het me beginnen op te vallen, wanneer ik ’s avonds terugkeerde van het theater, dat ik op straat vooral mensen met een hond kruiste. “Het was elf uur dus tijd om de hond uit te laten,” flitste dan door me heen. Oneindig veel keren had ik zo aan professor De Vriendt gedacht. Pas nu besefte ik, hoe vaak hij me ’s avonds in nagenoeg verlaten straten had vergezeld.

In de foyer vertelde zijn vrouw me trots over hun kleinkinderen en wat ze allemaal geworden waren. De jongste was achttien, de oudste drieëndertig. De professor vroeg hoe lang geleden het was dat ik in zijn klas zat. “Vierentwintig jaar.” “Ik ben drieëntwintig jaar geleden met pensioen gegaan.” Ik kon zijn gezegende leeftijd ongeveer uitrekenen. Ze vroegen wat ik deed en toen ik zei dat ik schreef, spoorden ze me aan om zeker voort te doen. Ze vroegen om hen op de hoogte te houden. “Wonen jullie in Brussel?” vroeg ik. “In Sint-Genesius-Rode”. Wat was zijn voornaam ook weer? Ik herinnerde me dat het een speciale naam was, maar kon er niet meer op komen. “Sera – Seraphin”. Hij was naar zijn grootvader vernoemd, zo ging dat in zijn tijd.

Hij herinnerde mij zich niet en ook mijn man kon hij zich niet meer voor de geest halen. De meeste studenten van aan het eind van zijn carrière was hij vergeten. Ik vertelde dat ik nog geregeld aan hem en zijn hond dacht. “Welke was dat toen?” “Een blonde labrador”. “Dat is de laatste labrador die we gehad hebben. Die wegen dertig kilogram, ik kan ze niet meer tegenhouden, ik ben niet sterk genoeg meer. We hebben nu een ruwharige teckel. Ik moet nu naar huis om hem uit te gaan laten,” zei hij lachend. Het was kwart voor elf.

Ik begeleidde hen naar de uitgang, schudde mijn professor de hand, zijn vrouw omhelsde me en drukte vier kussen snel na elkaar op mijn rechterwang.

Thuis vertelde ik mijn man over de ontmoeting, hij deelde in mijn vreugde.

De volgende dag zocht ik de eigenaardige voornaam van mijn professor op in het woordenboek. “Naar het Oude Testament. Engel van de hoogste rang, die in de nabijheid van God lofliederen zingt”.

Gelukkig was hij de vorige avond gewoon een man op de eerste rij in het theater, vlak voor mij.

*

Deze tekst schreef ik vier jaar geleden. Gisteren vernam ik dat professor De Vriendt op 90-jarige leeftijd is overleden. Rust zacht, mooie man. Veel sterkte aan je lieve vrouw. Intussen werk ik niet meer in het theater. Ik geef nu Nederlands! (en ja, mijn cursisten vinden ‘er’ een moeilijk woordje)

Verzinsel

Het was stil op straat. Bleven de mensen preventief binnen voor de storm die morgen lelijk zou huishouden?

Ik ging nog snel even naar de bibliotheek. Lectuur inslaan voor de volgende dag. In mijn bibliotheek keek ik altijd bij de nieuwe boeken. Ze stonden uitgestald op wandplanken, meteen links als je binnenkwam. Enkele weken geleden had ik hier een mooi boek gevonden, ‘De vriend’ van Sigrid Nunez. Over een vrouw die de Deense dog van haar beste vriend adopteert nadat die uit het leven is gestapt. Het was het eerste boek dat ik in twintigtwintig heb gelezen. Het was moeilijk een tweede boek te vinden dat ik even graag zou lezen. Ik nam de nieuwe Juli Zeh mee.

Op de terugweg vroeg ik me af of ik nog groenten nodig had, en bij de biowinkel zou binnenspringen. Ik had niet echt iets nodig, ik had genoeg groenten thuis.

Zou ik nog een pompoen kopen voor soep? En een aubergine voor bij de Indiase rijstschotel van vanavond? Ik liep naar de biowinkel, wilde de deur openen, maar dat ging niet vlot. Binnen zat, op de deurmat, een enorme Deense dog.

‘Il s’est bien installé là,’ zei ik lachend tegen het baasje dat naast hem waakte, een jonge vrouw met een wollen muts.

‘Ik ben al blij dat ze stil zit,’ zei ze, ook in het Frans, maar voor het gemak schrijf ik dit even in het Nederlands. O, het was een vrouwtje. Ik liep naar de aubergines, die tegenover de hond stonden.

Wat een toeval. Ik moest het baasje aanspreken. Ze leek me vrolijk genoeg om dit niet vreemd te vinden.

‘Ik heb pas een boek gelezen waarin zo’n hond voorkomt,’ zei ik.

Ik vertelde haar over de roman. Dat het hoofdpersonage de hond geadopteerd had van haar overleden vriend. En dat ze in een appartement woonde dat te klein was voor de hond. De hond kon de badkamer alleen achterwaarts uit.

‘Net als bij mijn moeder,’ zei ze. ‘Het is haar hond. Mijn moeder is gek van Deense doggen. Maar ze woont ook klein.’ Haar moeder was in de verte groenten aan het kiezen.

‘Mag ik een foto nemen?’ vroeg ik. Dat mocht, maar de hond stond niet graag op foto’s. Ze was heel beweeglijk. ‘De hond in het boek heeft ook niet zo’n makkelijk karakter,’ zei ik. Ik vroeg hoe haar moeder aan de hond kwam. ‘Ze komt uit een asiel. Ze was achtergelaten.’ ‘De hond in het boek was ook achtergelaten door zijn eerste baasje. Ook daarom kan de vriendin het niet over haar hart krijgen om hem opnieuw naar een asiel te sturen. Maar ze heeft problemen met haar huisbaas, want ze mag geen hond houden.’

De hond kwam naar me toegelopen. Ze was inderdaad heel beweeglijk en stond op bijna elke foto wazig. ‘Hoe heet ze?’ ‘Athena’. ‘Dat is ook toevallig, de hond in het boek heet Apollo.”Son premier nom était Lorena. Mais je voudrais un nom plus costaud,’ zei ze. Ik citeer dit in het Frans, omdat ‘costaud’ een moeilijk te vertalen woord is dat zowel ‘krachtig’ als ‘uit de kluiten gewassen’ betekent. En omdat het mooi rijmt op ‘Apollo’.

‘In het boek kennen ze de eerste naam van de hond niet,’ zeg ik. ‘Dat is een van de problemen, misschien luistert hij daarom niet echt.’ De hond in de winkel was net als de hond in het boek vrij oud. Ze hadden hem zeven jaar – maar dit was zijn tweede leven.

‘Je ziet niet vaak zulke grote honden,’ zei ik nog. ‘Nee, zo zijn er maar drie hier in de buurt.’

We namen afscheid. ‘Tot ziens!’ Ze woonden vlakbij mij.

In  ‘De vriend’ zit een erg geslaagd vervreemdingseffect. Een scène die je als lezer een beetje van je stuk brengt. Omdat je begint te twijfelen aan het voorgaande. Heeft de schrijfster je beetgenomen? Wat is fictie? Wat is echt? Een zinloze vraag omdat alles in dit verhaal een verzinsel is. Of toch niet?

Wanneer ik met mijn pompoen en aubergine naar huis wandel en ook met nog wat boerenkool, komt de ontmoeting met de Deense dog me zo onwerkelijk voor. Alsof een hersenspinsel me had opgewacht.

Weerzien

Enkele dagen geleden nog heb ik aan haar gedacht. Na al die jaren mis ik haar nog steeds heel erg, bij vlagen. Ons afscheid was heel plots geweest. Onze band heel innig. Mijn intiemste zielenroerselen had ik haar toevertrouwd. Tot zij moest vertrekken.

Nu staat ze hier na vijfendertig jaar opnieuw voor mijn neus. De tijd heeft ook haar niet helemaal gespaard. Maar ze straalt nog net als toen. Ik raak haar aan, ze voelt nog zo vertrouwd. Ik weet nog precies hoe zij beweegt, hoe ze klinkt. Ik heb haar in mijn vingers.

Ik zou kunnen verdergaan waar ik was gebleven. Met het spelen van de partituur van mijn leven. Zonder enige aarzeling breng ik haar slede in beweging, druk ik lukraak een toets in.

Waarom moest ze vertrekken?  Haar tijd was voorbij, ze moest plaatsmaken voor een nieuw elektrisch exemplaar. We kregen korting op de aankoop van een nieuwe als we onze oude inleverden. Zij was zoveel meer waard dan wat we voor haar kregen. Dus was ze weerloos. Ik heb nog geprotesteerd, maar ik begreep het ook. Ik begreep zó veel.

Op de nieuwe elektrische machine typte mijn vader de eindverhandeling van mijn moeder. Na jaren huisvrouw te zijn geweest, was zij aan de universiteit gaan studeren. Niet veel later behaalde ze haar diploma. Ik was trots op haar.

De elektrische typemachine ging niet lang mee. Al snel kwamen computer en printer in de plaats. Ik kon niet ontkennen dat ze handig waren. Maar nog geregeld voelde ik verdriet om de verloren rode Olivetti Valentine waarop ik vele brieven had geschreven.

Nu staat ze hier ineens voor me, op het Vossenplein. De kans is klein dat het écht mijn typemachine is. Maar dat maakt weinig verschil. Ik probeer me te herinneren waarom ze enkele dagen geleden nog door me heen is gegaan. Ik weet het niet meer.

Remco Campert schreef ook op een Valentine, misschien nog steeds. In een krant van 2006 had ik hem achter zijn rode machine gezien. Er bestaat een zwart-witfoto van rond 1970, waarop de schrijver bij een voetgangerslicht wacht, met zijn typemachine in het bijbehorende koffertje. ‘My funny Valentine’ – Remco Campert was niet zomaar een grote fan van Chet Baker.

Ik vraag de verkoper wat de machine kost. Ze is betaalbaar maar ook niet goedkoop. Ik wandel weg en denk na. Ik zal de machine niet of nauwelijks gebruiken. Ik zou ze moeten kunnen uitstallen op mijn bureau en dagelijks bewonderen, maar waar ga ik mijn laptop dan laten? Ik ga haar toch niet kopen om op zolder te zetten? Zou ik er nog op kunnen typen? De linten zijn nog verkrijgbaar, zie ik op mijn telefoon. Ze zijn tweekleurig, vroeger typte ik er zwarte en rode letters mee. De linten zijn zo duur als een inktpatroon voor een printer.

Het doet er allemaal niet toe. Ik heb de kans om een oude pijn te verzachten. Wil ik dat? Leed hoeft niet altijd bestreden te worden, het hoort bij het leven. Maar als ik vandaag de machine niet koop, voeg ik misschien een extra portie pijn toe. Spijt om de gemiste kans. Kan dat er nog bij? De gedachten tollen door mijn hoofd. Ik moet ze opschrijven. Misschien kan ik de machine dan hier laten.

Bijna struikel ik over twee andere typemachines: een zwarte en een lichtblauwe. Zo gaat het altijd op het Vossenplein: als je iets ziet, dan is het ineens overal. Vergieten, paraplu’s,  elektrospellen, kerststallen, wereldbollen: eerst zie je er één, en vervolgens lijkt het hele plein er vol van. Deze twee machines zijn ook mooi. Onze printers belanden na gebruik bij het schroot en niet tussen de antiquiteiten. Waarom moet alles toch efficiënter, lelijker en minder duurzaam worden?

Ik sta terug voor de Valentine. Ze is er nog. De verkoper zegt dat de prijs niet te hoog is. De kans dat ik kan afdingen is klein, en dan nog zal ze duur zijn. Ik kijk in de koffer van de typemachine. Ik diep er een klein langwerpig boekje uit op. De verkoper neemt het me meteen uit handen. Het is fragiel, voorzichtigheid is geboden. Hij zegt dat hij lang geleden veel Valentines heeft verkocht. Maar nooit zat de gebruiksaanwijzing erbij. Hij toont me het boekje. ‘C’est très rare, une machine Valentine avec le mode d’emploi’. Une machine Valentine, dat rijmt mooi in het Frans. Behoedzaam steekt hij de gebruiksaanwijzing weer weg.

Dan pas zie ik het. Ik heb er niet aan gedacht toen ik enkele jaren geleden een naam zocht voor mijn blog. En ook nadien heb ik het nooit beseft. De Valentine zit in een rode valies.

De foto van Remco Campert met de Valentine vind je op pagina 2 van  het prachtige krantje dat antiquariaat Demian over Campert uitbracht.

In dit artikel van NRC zie je de schrijver achter zijn machine zitten in 2006.

Het einde van de zomer

Zondag eindigde de zomer in Brussel. Met zijn begin.

Het Plazeyfestival in het Elisabethpark van Koekelberg, dat al zo lang ik me kan herinneren de zomervakantie inluidt, werd dit jaar naar laatste weekend van de vakantie te verplaatst, naar 1 september nog wel.

Het voelde raar. Ook omdat het de laatste zomer van Bar Eliza was geweest. De voorbije zomer had ik nog vaak voor het laatst genoten van het heerlijke door buurtbewoners uitgebate parkcafé.

Na de fantastische optredens van Beraadgeslagen op vrijdag, en Bert en de Bomma’s op zondagmiddag, mochten Amadou en Mariam zondagavond het mooie weer maken. Dit Malinese echtpaar maakt al even lang muziek als ik op deze wereld sta – bijna een halve eeuw.

Mensen waren talrijk komen opdagen. Iedereen had zijn vakantie achter de rug, iedereen was terug.

De rij voor drankbonnetjes was immens en gaandeweg de avond werden steeds meer dranken van de kaart geschrapt, wegens niet meer voorradig.

Papegaey
vlierbloesemsap
witte wijn

De twee mannen die falafel bakten, deden gouden zaken. Er stond een megafile aan hun kraam. Toch bleven ze met dezelfde toewijding sla, saus en roze opgelegde raapjes samen met de falafelballetjes op het platbrood strooien, dat ze vervolgens zorgvuldig oprolden. Wie er één kon bemachtigen, was gelukkig. Wie vrienden vooraan in de wachtrij aantrof, met hen een praatje sloeg en zo kon ‘voorkruipen’, was nog gelukkiger. Dit was ook een gangbare praktijk in de rij van de drankbonnetjes. Niemand die er wat van zei, iedereen wachtte babbelend zijn beurt af.

Op weg naar de tafel van goede vrienden, raakte ik aan de praat met zoveel andere bekenden, dat ik pas ter bestemming kwam toen de goede vrienden al naar huis vertrokken waren.

Amadou en Mariam zetten het park op stelten. Met hun afro-blues vertolkten ze precies het juiste gevoel van weemoedige, feestelijke uitbundigheid dat over deze dag hing. Konden we dit maar vasthouden.

Kinderen zaten op de schouders van hun vader. Zo heb ik ook een van mijn eerste concerten gezien, van Joe Jackson, op Mallemunt. Daar denk ik nog altijd aan wanneer Joe Jackson op de radio voorbij komt. Zouden deze kinderen, wanneer ze in de veertig zijn, bij het horen van Amadou en Mariam opnieuw op de schouders van hun vader zitten?

Hier werden herinneringen gezaaid.

Een grote zus droeg haar broer op de rug. Een vrouw legde haar arm om haar man heen, samen wiegden ze mee met de muziek. Vrienden stonden zij aan zij te praten, het was moeilijk kiezen: bijpraten of luisteren naar de muziek.

Ineens zag ik alleen nog ruggen. Ruggen voor wie het nog even vakantie mocht zijn. Ruggen die ‘terug naar school’ of naar het werk vergeten waren. Ruggen die er nog niet aan dachten, dat we morgen weer vertrokken zouden zijn – niet op vakantie.

Zondag begon de zomer in Brussel. Met zijn einde.

 

 

 

Pluisje

Het is vakantie. Het is heel warm.

De jongste dochter verhuist binnenkort naar de kamer van de oudste dochter.

Ze wil graag wat nieuwe spullen kopen voor haar nieuwe kamer.

Een rekje, een wandplank, een prikbord en lampjes.

We gaan naar het woonwarenhuis.

We nemen de tram.

Ik ga links bij het raam zitten, mijn dochter rechts.

Met het gangpad tussen ons in.

Ik kijk naar mijn dochter.

Ze is mooi. Haar nieuwe gele jumpsuit met zonnebloemen staat haar goed.

Mijn dochter plukt iets van het t-shirt van de man die voor haar zit.

Ze gooit het omhoog.

Het is een pluisje. Van een paardenbloem, denk ik.

Het pluisje dwarrelt naar beneden, mijn dochter vangt het op en gooit het weer omhoog.

Dat doet ze telkens opnieuw.

‘Ik had nooit gedacht dat ik me zo kon amuseren met een pluisje,’ zegt ze.

Maar dan is ze het pluisje kwijt. Ze doet alsof ze verdrietig is.

Ineens komt het pluisje weer aangevlogen.

Mijn dochter gaat verder met haar spelletje.

Dan krijg ik een berichtje van mijn moeder.

Ik heb haar net ge-sms’t dat we op weg zijn naar het woonwarenhuis.

Ze antwoordt: ‘Wil je voor mij pluizenrollers kopen? (om de pluisjes van mijn breiwerk weg te rollen).’

Mijn mama breit graag. Ze kan heel goed breien. Maar nadien hangt ze altijd vol pluisjes.

Mijn mama kan niet weten dat haar kleinkind juist nu met een pluisje aan het spelen is.

Wat een toeval.

We stappen over op de metro. Het pluisje blijft achter op de tram.

In het woonwarenhuis is het rustig en fris.

We gaan zitten in de zetels. We testen een grijze driezit. Wat zit hij lekker.

In het restaurant van de winkel eten we gehaktballetjes met saus en frietjes, en een ijsje.

We kopen nieuwe glazen, want we moeten veel water drinken met het warme weer.

We vinden alles wat we nodig hebben voor de nieuwe kamer van mijn dochter.

Dan wandelen we naar de pluizenrollers.

We kopen er acht voor mijn mama en vier voor onszelf.

Pluizenrollers komen altijd van pas.

Vlakbij de pluizenrollers staat een mand met grote strooien hoeden.

Een moeder past zo’n hoed, samen met haar zoontje en haar dochtertje.

Ze zijn heel mooi, alledrie met hun strooien hoed. Ze hebben plezier.

Alsof ze op het strand zijn.

Ik zou een foto van hen willen nemen, maar dat durf ik niet te vragen.

‘Echt vakantie,’ zeg ik. ‘En het is hier nog koel en rustig ook.’

‘Meer hoeft dat niet te zijn,’ lacht de moeder.

Paden

Negenentwintig mei. Het gaat even niet zo goed met mij. Ik neem de trein naar Oostende. De voorbije twee jaar heeft de zee altijd rust en raad gebracht. ‘Oostende trekt mensen aan die willen veranderen,’ schrijft Koen Peeters in zijn ode aan de kuststad. Ben ik hier daarom zo vaak naartoe gekomen?

Van het station wandel ik meteen via de dijk naar de bibliotheek. Het is een zonnige dag. Op het terras van het café van de bibliotheek  zal ik mijn meter ontmoeten. Zij is pas met pensioen, na jaren pendelen tussen Oostende en Brussel.

De uitbater van het café van de bibliotheek is een voormalige collega. Hij werkte lang geleden als barman in het café van het Brusselse theater waar ik vijftien jaar de personeelsadministratie verzorgd heb. Hij bleef er niet lang.

Op een dag ging hij met zijn vriendin een dagje naar zee. Toen ze ’s avonds naar Brussel terugkeerden, hadden ze een huis gekocht, heel impulsief. Hij woont nu al vele jaren in Oostende, kreeg er twee kinderen.

Ik bestel een cappuccino. ‘We hebben er toch nog eens goed van genoten,’ zeg ik, ‘een laatste keer in Océade zwemmen.’ ‘Ja,’ zegt hij. De vorige keer dat we elkaar zagen was aan het einde van vorige zomer. Een toevallige ontmoeting in een draaikolk van het Brusselse zwemparadijs, kort voor het moest sluiten. Hij kwam er afscheid nemen met zijn zoontje, ik met mijn jongste dochter en haar vriendin. ‘Zo erg dat ze het afgebroken hebben,’ zeg ik, ‘er is daar veel te weinig tegen geprotesteerd.’

Ik vertel mijn oud-collega dat ook ik eindelijk de moed heb gehad om weg te gaan bij het theater dat me nauw aan het hart lag. En dat ik nu Nederlandse les geef aan anderstaligen. Hij vertelt dat zijn beste vriend in Brussel dezelfde job doet, met hart en ziel. Binnenkort gaat hij naar het trouwfeest van de vriend, in Afrika. Intussen maakt hij mijn cappuccino. Nog even praten we over de toekomst van het Oostendse zwembad, dat ook ten dode is opgeschreven. ‘Van mij mogen ze het afbreken, en niets nieuws in de plaats zetten. Dan kan ik van hieruit de zee zien. Ik zou er graag een groot plein van maken, van de bibliotheek tot aan de zee.’

Ik installeer me op het terras. Op mijn telefoon zie ik een berichtje verschijnen. ‘Hoe gaat het met je? En je werk? Als je nog vragen hebt, laat het mij gerust weten.’ Het is een half jaar geleden dat ik haar hoorde, en langer dan een jaar geleden dat ik haar zag. Net nu  informeert ze naar me. Soms lijk ik telepathisch verbonden met mensen die om me geven.

Het was de voorbije maanden niet nodig dat ik haar bezocht. Ik antwoord haar niet meteen. Dat verwacht ze niet. Nu moet ik me vooral ontspannen, zou ze zeggen, zeelucht inademen. Pas twee weken later schrijf ik haar. Ik zeg dat ik nog eens wil afspreken. Om samen over mijn voorbije jaar te reflecteren.

Vierentwintig juni. Wij zullen elkaar treffen in haar kantoor in de Scepterstraat in Elsene. De Scepterstraat is een straat met een actief wijkcomité, dat zich inzet voor meer groen. Geïnteresseerd kijk ik naar de klimplanten, de stokrozen en de veldbloemen die her en der gezaaid zijn, de bloembakken die bewoners voor hun huizen geplaatst hebben. Op een kaartje bij een roze hortensia lees ik: ‘Les voisins fleurissent la rue et voient la vie en rose.’ Ik zie een toekomst voor mijn treurige kaalgeslagen plein.

Ik heb haar veel te vertellen. Zij luistert. Pas na een tijd spreekt zij. Zij vult me met adviezen, ideeën, zin. Dan vallen we even stil. ‘Waar zou je het nog graag over hebben?’ zegt ze. ‘Hebben we nog tijd?’ Nog vijf minuten, zie ik. We zijn te vroeg klaar. Dat gebeurde nooit eerder. Het is omdat het goed gaat. Ik heb deze gesprekken niet meer zo nodig als ooit.

Wanneer ik wegga, zegt ze dat ze me graag wat vaker zou horen. ‘Jij bent diegene die al het langst bij me komt. Ik wil graag weten hoe het met je gaat.’ ‘Ik moet wel betalen om met je te praten,’ lach ik. ‘Een berichtje is ook goed,’ zegt ze.

Bij het afscheid wijst ze me een weg: ‘Als je hier naar links en dan naar rechts gaat, kom je bij de nieuwe promenade over de spoorweg.’ Ik volg haar raad. Ze heeft talent om iemand de juiste richting uit te sturen.

Ik heb nog veel werk maar gun me de omweg naar huis. Het pad is prachtig. Er ligt een verborgen parkje achter, het Viaductpark. Daar liggen mensen uit te blazen op deze hete dag. Beneden  me kruisen twee treinen elkaar. Zij proberen op tijd te zijn.

Via de promenade kom ik in het Leopoldpark, een verrassend groot park met veel hoogteverschillen. Hoe goed verborgen ligt dit groen achter de lelijke paleizen van de Europese wijk. De prachtige Wiertz- en Vautierstraat geven nog een idee van hoe het hier vroeger was. Ik heb deze buurt nog gekend ten tijde van de onteigeningen, mijn Franstalige pennenvriendin woonde hier. Binnenkort, als het vakantie is, kom ik eens terug om het Wiertzmuseum te bezoeken.

Wanneer ik weer bij de metro kom, weet ik niet wat het meest deugd deed: het gesprek of de wandeling.

Zakdoekjes

Ik ben op weg naar Wijnheuvelen voor een wereldbol. Waarom de halte zo heet, weet ik niet. Misschien waren er lang geleden wijngaarden in de Wijnheuvelenstraat. Waarom het geen Wijnheuvels zijn, weet ik ook niet. Wellicht werd het meervoud nog anders gebouwd toen hier wijn verbouwd werd.

De wereldbol zal ik zomaar krijgen van een onbekende. Ik vond hem via Brussel Verniet, een facebookpagina waar Brussellaars spullen weggeven. Waarom de wereldbol weg moet, weet ik niet.

Het is een zonnige ochtend. Ik geniet van de tramrit. Een bedelaar stapt op. Hij bedelt niet zomaar, hij biedt mensen een pakje papieren zakdoeken aan. De Marokkaanse vrouw schuin tegenover me koopt een pakje zakdoeken van hem, de andere mensen schudden het hoofd, ik ook. De man loopt niet door maar gaat tegenover me zitten.

Hij is nu geen bedelaar meer maar gewoon een medepassagier. Ik heb tijd om naar hem te kijken. Hij heeft een mooie bruine huid. Hij is niet onknap, maar wel getekend. Ik schat hem ergens in de dertig. Hij is vrij verzorgd gekleed en heeft een sportieve rugzak bij. Hij is uit zijn land gevlucht, denk ik. Hij heeft zijn fierheid bewaard. Hij wil niet zomaar geld vragen, maar de mensen iets in ruil geven. Iets wat ze nodig hebben, maar vaak vergeten. Zakdoekjes. Voor vuile monden, snotneuzen, tranen.

Hoeveel de zakdoekjes kosten? Wat ik wil, zegt hij. Ik heb nog maar één euro bij. Die geef ik hem. Hij overhandigt me het pakje zakdoekjes. Ik steek ze in mijn handtas. Uit welk land hij komt, vraag ik in het Frans. Hij verstaat me niet. Hij vraagt aan de Marokkaanse vrouw naast me of zij wil tolken. Eerst kijkt ze verbaasd. Met een bedelaar spreken? Maar dan vertaalt ze zijn vraag. ‘Uit Palestina,’ zegt de man. Hij vraagt vanwaar ik kom. ‘From Belgium,’ zeg ik, want hij vertelde net dat hij wel een beetje Engels begrijpt.

Dan raakt hij aan de praat met de Marokkaanse vrouw naast me. Ik versta hen niet. Maar de vrouw koopt nu ook een pakje zakdoekjes. Ik geniet ervan dat ik hen met elkaar in contact heb gebracht. Even later stapt de man af. De Marokkaanse vrouw zegt iets tegen haar overbuurvrouw, de eerste vrouw die een pakje zakdoeken kocht. Ze spreken Arabisch. Uit hun toon maak ik op dat ze met mededogen praten. Ze hebben ook gezien dat deze man te fier is om te bedelen.

Ik heb te weinig met hem kunnen spreken, denk ik. En ik heb hem te weinig gegeven. Niet eens genoeg om een nieuw pak papieren zakdoekjes te kopen.

DeschanellaanBij Wijnheuvelen stap ik uit. Ik wandel naar de Paul Deschanellaan. Dit is zo’n plek waar je je in Brussel in Parijs waant. Bij een van de prachtige statige huizen bel ik aan. Een jonge blonde vrouw doet de deur open, de wereldbol in de hand. ‘Het lichtje is wel stuk,’ zegt ze. Niet erg. Ik steek er wel een nieuw lampje in. We praten nog even, over hoe leuk het is om te krijgen én te geven. Dan vertrek ik weer.

Ik wandel de laan uit. Bij het café op de hoek bestel ik een cappuccino. Van op het terras zie ik de Brusiliatoren. Daar op de vijftiende verdieping woont een goede vriendin van me. Ik heb nu geen tijd om haar te zien. Maar we zouden naar elkaar kunnen wuiven.

Ik haal de wereldbol uit mijn tas. Ik draai hem rond tot ik bij het Midden-Oosten kom. Het land van de zakdoekman staat er niet op.