Na de regen

Het is avond.
Het heeft geregend.
Het heeft heel hard geregend na een warme dag.
Nu is het gestopt.
Ik ga naar buiten.
Naar het park.
Elke avond wandel ik in het Boudewijnpark.
In het park is er goede lucht.
Er is vandaag niemand in het park.
Ik ben alleen.
Ik herken het park niet.
Het is anders.
Zo heb ik het park nog nooit gezien.
Er hangt mist.
Maar het is geen mist.
Het zijn geen wolken die naar beneden zijn gekomen.
Het is de regen die als rook uit de warme grond komt.
Zo mooi.
Net een sprookje. Of een film.
Ik ben in een andere wereld. Of is dit de hemel?
Het ruikt heel lekker.
Naar gras en naar daslook.
Fris en pittig.

Een wandelaar komt voorbij.
‘Bonjour,’ zegt hij.
Hij zegt dag omdat er niemand anders is.
Ik loop verder.
Ik maak veel foto’s.
Ik hou veel van bomen.
Al van toen ik kind was.
Ik ben graag dicht bij bomen.
Nu zijn de bomen dicht bij mij.
Ze komen naar mij toe.
Alsof ze tegen mij spreken.
Mij troosten.
Mij alleen.
Waar zijn alle mensen?
Denken ze dat het nog regent?
Zitten ze binnen voor de tv?
Zo spijtig.Ik kom bij de vijver.
Nog nooit was het hier zo stil.
Ineens ben ik bang.
Ik zit in een griezelfilm.
Straks komt er een monster. Of een zombie.
Maar het is ook romantisch.

Ik wil hier niet weg.
Dit zou ik willen tonen.
Aan mijn vrienden, aan mijn familie.
Ik loop naar de overkant van het park.
Naar de andere vijver, bij de speeltuin.
Ik denk aan een schilderij.
Er zijn geen kinderen in de speeltuin.
Zo stil is het hier nog nooit geweest.

Advertenties

Snoeilingen

In de Vanderborghtstraat valt altijd iets te beleven. Misschien omdat het er zo rustig is. Bijna geen verkeer, weinig voetgangers. Of omdat ze zo lang is en zo breed. Of omdat ze door twee gemeenten loopt – Koekelberg en Ganshoren. In plaats van bus 13 of 14 te nemen, loop ik heel graag van Simonis tot aan mijn huis via de Vanderborghtstraat. Die wandeling duurt ongeveer een kwartier.

De ene keer vind ik er in een doos met afgedankte boeken de sprookjes van Godfried Bomans. De andere keer een ronde rode poef of een grote bruine fluwelen sofa. Of kamerplanten in kleurige cache-pots die worden uitgelaten op een vensterbank. In de zomer bloeien er de prachtigste clematissen en stokrozen. Eén keer vond ik er een mooi oud nachtkastje. Het staat nu, glanzend wit geschilderd, naast het bed van mijn dochter.

In de Vanderborghtstraat is het goed wonen. Ik ken een man en een vrouw die een huis wilden kopen en zeiden: ‘Het maakt niet uit wat voor huis het is, als het maar in de Vanderborghtstraat ligt.’ Dat vertelden ze me op de jaarlijkse rommelmarkt in september, waar de bewoners hun overbodige spullen voor de deur uitstallen. Het buurtcomité van de Vanderborghtstraat is erg actief. In de straat wonen ook twee gedreven politici. Burgemeester van Jette Hervé Doyen en Brussels parlementslid voor Groen Annemie Maes. Ongetwijfeld leveren ook zij een bijdrage aan het aangename karakter van deze straat.

Vanmiddag liep ik dus nog eens door de Vanderborghtstraat. Ik zag dat er hier en daar mozaïektegels zijn gelegd. Vast en zeker het werk van Jean-Christophe Duperron of zijn cursisten. Deze mozaïekmaker en -restaurateur heeft in de Vanderborghtstraat zijn eigen privé-school Art Mosaico, die zeer het bezoeken waard is.

Meer dan de mozaïektegels, wekte iets anders mijn aandacht. Het groenafval in de Vanderborghtstraat zou worden opgehaald. Snoeisel weet mij altijd te boeien – net als op straat achtergelaten schoeisel trouwens, dat ik steeds fotografeer. Ik kijk er graag naar, het tijdelijke, afgedankte groen op de grijze stoeptegels. De kronkelende samengebonden takken. Het groen is grillig en gaat nooit gewillig in de voorbestemde groene zakken. Het vergt enige creativiteit om het bijeen te houden. Er komt stapeltalent en vlechtwerk aan te pas, touw of wol of zelfs een paar versleten panties. Vol verbazing kan ik ernaar staren.

Een openluchttentoonstelling van sprietjes, blaadjes, struiken, takken, twijgen, stammen en stronken. Afgemaaid, afgeknipt, afgezaagd of omgehakt. Soms zou ik die snoeilingen willen meenemen en me er in mijn kleine stadstuin mee omringen.

Film

We gingen nog eens naar de film. Mijn man, mijn oudste dochter en ik. We hadden geluk: de film die we wilden zien, speelde in zeven zalen, waarvan twee in de bovenstad en drie in het centrum. In de Brouckère draaide de film om 17:40. Hij zou dan rond 19:30 gedaan zijn, een prima uur om nog rustig ergens te gaan eten.

Toen ik rond 17:25 bij de bioscoop aankwam, waren mijn man en dochter er al. Dat verheugde me. Na jaren ben ik erin geslaagd mijn huisgenoten duidelijk te maken dat op tijd komen belangrijk voor mij is. ‘Ik heb de tickets al,’ zei mijn man. ‘De film speelt in een zaaltje met maar 89 plaatsen. Het is ook écht geen film voor de Brouckère. Meer voor de Galeries.’ Ik hield mijn hart al vast, zag ons in gedachten veel te dicht bij het scherm zitten met ons hoofd in onze nek.

Gelukkig viel het reuze mee. Zaal 1 was een brede zaal, en er waren maar weinig plaatsen bezet. We gingen op de voorlaatste rij zitten en waren tevreden, tot mijn man zei dat hij het toch iets te dichtbij vond. We verhuisden naar de laatste rij, hoewel we reeds opgemerkt hadden dat daar een zwaarlijvige, licht marginale man met enig kabaal koekjes zat te eten.

Mijn man was zo attent het dichtst bij deze knabbelende creatuur te gaan zitten, met een drietal stoelen tussen hen in. Ik mocht in het midden, met mijn dochter rechts van mij. ‘Ik hoop dat zijn koekjes op zijn als de film begint,’ zei mijn man. En gelukkig, toen de reclame en de trailers voorbij waren, gooide de man de lawaaierige verpakking op de grond.

Hij leek zich wel verslikt te hebben in enkele koekkruimels, want hij ontwikkelde nu een onsmakelijk klinkende kuch. ‘Tja, zei ik, in de Galeries zou er ook zo iemand gezeten hebben. Wij kunnen gewoon nergens komen zonder dat er mensen ons storen.’ ‘Als het te erg wordt, kunnen we altijd nog naar 3003 sms’en. Dan komen ze hem uit de zaal verwijderen. Ze zullen wel met twee moeten zijn,’ grapte mijn man. We vroegen ons af waarom de man voor onze film gekozen had. Hij leek een beetje met zijn zetel vergroeid. ‘Waarschijnlijk komt hij hier naar alle films kijken,’ besloten we. Een vermoeden dat bevestigd werd toen we na afloop van de film zagen hoe close hij was met de toiletdame.

De film begon. De film was zo goed dat we het gekuch naast ons meteen vergaten. De film katapulteerde ons terug naar onze jeugd, de tienerkamer, onze eerste liefdes, de verveling op de schoolbanken, de jaren waarin alle mogelijkheden nog open lagen, zoals nu voor onze dochter. De film toonde ook een kwetsbare moeder, die goed probeert te doen, maar dat lukt niet altijd. Ze is te bezorgd en een beetje verbitterd geraakt. De soms complexe moeder-dochterrelatie werd mooi gevat. Tegen het eind van de film pakte mijn dochter me even vast, toen ze zag dat ik met de mouw van mijn wollen trui over mijn wangen veegde.

Na de film liepen we naar de Mirante, al jaren ons vaste pizza-adres. Hier ben ik al een dertigtal jaar klant, als kind kwam ik hier al met mijn ouders. De Mirante zat vol. Een wat norse nonna zei dat we over een kwartier mochten terugkomen. We gingen intussen iets drinken in de Plattesteen. Waar was de tijd dat we hier elke zaterdagnamiddag kwamen lezen en koffie drinken, vroegen mijn man en ik ons af. Nu waren we hier in geen eeuwigheid nog geweest. Het blijft toch een gezellig en authentiek café. We keerden terug naar de Mirante. De nonna wees onze tafel aan, helemaal achteraan, bij de toiletten. Het rook er wat naar de toiletten. Maar mijn man ruikt sinds een recente neusoperatie bijna niets meer.  Mijn man heeft een allergie voor de slechte stadslucht. Uitlaatgassen kunnen bij hem een hevige niesbui uitlokken. De operatie was nodig om weer beter te kunnen ademen.

Mijn man nam dus liefdevol het dichtst bij de toiletten plaats, mijn dochter en ik gingen aan de andere kant van de tafel zitten. Even later smulden we van onze heerlijke pizza’s, terwijl onze dochter herinneringen aan haar middelbare schooltijd ophaalde.

Lang geleden dat we nog zo’n mooie avond hadden.

Verdwenen

Misschien omdat er geen deur was. Je er zo kon binnenstappen. Misschien omdat hij in mijn hoofd geen naam had. Of omdat je je bezoeken nooit bewust plande. Je er gewoon heen ging  als je in de buurt was. Omdat het handig was. En snel. Misschien omdat het hier zo goed draaide. Het altijd druk was. En niet echt mooi. Of omdat hij te midden van een ongezellige plek lag. Misschien omdat ik er nooit bekenden tegenkwam. Misschien omdat het leek of er zo dertien in een dozijn waren. Misschien omdat ik er nooit langer dan nodig bleef. Of omdat er geen wc was. Misschien omdat ik me een beetje schaamde om hier te komen. Het een gemakkelijkheidsoplossing was. Misschien omdat ik hier al mijn hele Brusselse leven kwam.

Nooit ben ik bang geweest dat deze plek er op een dag niet meer zou zijn. Nooit is het bij me opgekomen dat ik verdriet zou hebben bij zijn verdwijnen.

‘Bunny Snack déménage’. Geschokt lees ik het briefje. Talloze broodjes at ik hier. Maar ik wist niet dat hij Bunny Snack heette. Naar Bugs Bunny. Er overvalt me een instant gemis. Van de rode formica tafeltjes. Van de Italiaanse specialiteiten in het interieur van een Amerikaanse diner. Van de samen lunchende collega’s met hun stropdassen en de shoppende vriendinnen die even bekomen met hun boodschappentassen. Van de kleine toog waarachter een ongelooflijke bedrijvigheid heerste. Van de lange file die wachtte op een broodje om mee te nemen. Tot ver in de City 2 stonden de klanten.

Toen Le Suisse overstapte op afbakstokbrood, bood het lekker knapperige stokbrood van de Bunny Snack me troost.

Mijn dochter en ik staan verweesd te kijken. We herinneren ons nog goed de laatste keer dat we hier waren. Niet zo lang geleden. Mijn dochter at een overheerlijke panini met gegrilde groenten en mozzarella. We wisten niet dat het onze laatste keer was. Graag had ik toen bewuster afscheid genomen. Met een dessert of zo, of een glaasje cava. En nog wat foto’s gemaakt.

Ik herinner me nog dat ik hier vaak een broodje kwam halen, ten tijde van mijn eerste job. Ik werkte toen op de personeelsdienst van H&M. Zij hadden hun kantoren in de Nieuwstraat. Twintig jaar geleden. Een broodje tonijn, zalm met cressonette, pain de veau, omelet, tomaat-mozzarella of gegrilde groenten met ricotta. Vaak at ik het wandelend op. Altijd hopend dat ik geen bekenden zou tegenkomen. Want met iemand moeten spreken terwijl je net lekker wandelend een broodje aan het eten bent, is vervelend.

Op het briefje staat dat de Bunny Snack naar de kelderverdieping van de City 2 verhuisd is. Aan de uitgang van de metro. Ik vind het een magere troost. Ik heb geen enkele hoop. Maar ook niet meteen een alternatief. Mijn dochter en ik nemen de roltrap naar beneden. We zien hem meteen. De snack heeft de plaats van de Mothercare ingenomen, een winkel van babyspullen. Maar de geborgenheid is weg. Van het interieur word ik niet warm. De snackbar is vier keer groter dan vroeger. Er loopt vier keer zoveel personeel rond. Aan Bugs Bunny-tempo. Ook de mensen die de metro in- en uitstromen, komen als opgejaagde konijnen voorbij. De rust is ver te zoeken. De stilte ook. In de vorige zaak zat je een beetje uit de drukte van het shopping center. Er meer middenin dan hier kun je niet zitten.

Mijn dochter bestelt dezelfde panini als vorige keer. Hij is niet zo lekker. Veel te erg gepeperd. Ze haalt de boosdoener, de aubergine, er tussenuit. Ik neem een hap van mijn platgedrukte stokbrood. Het smaakt naar nooit meer.

Wie was Bugs Bunny weer, vraag ik me even later thuis af. Ik zoek het op. Tot mijn verbazing lees ik dat Bob Givens, de geestelijke vader van Bugs Bunny, overleed op 14 december 2017. Een maand geleden. Hij was 99 jaar. De Brusselse Bunny Snack ging hem achterna.

Bus 84

Rechts en links draag ik boodschappentassen die ongeveer even zwaar zijn. Je moet het gewicht goed gelijk verdelen aan beide zijden, heeft de kinesiste me ’s ochtends gezegd. Een autoloos bestaan is met rugklachten niet altijd even makkelijk. Ik loop naar de bushalte. Ik heb geen goede dag vandaag. Zo snel mogelijk wil ik nu thuis zijn. Ik stap stevig door naar de bushalte. Ik voel twee tranen over mijn wangen lopen. Hun gewicht is ook goed verdeeld. Ik denk aan het eten in mijn tassen. De soep, het broodbeleg. Die zijn voor straks, als ik thuis ben.

Bijna ben ik bij de bushalte. Ik zie een 84 naderen. Wat een geluk. Ik hoef niet te wachten. Achter het stuur van de bus zit een vrouw. Een oudere vrouw, tegen de zestig schat ik. Ze heeft een bruine huid en grijs haar, losjes in een knot. Ze draagt geen MIVB-hemd, maar een zachtrood fleece jasje. Ze heeft bolle blozende wangen en hoge jukbeenderen. Een oma, met een lief hartvormig gezicht. Haar bus is volledig leeg. Het lijkt alsof ze hem heeft gekaapt om mij te komen oppikken. Ik zeg ‘bonjour’ zonder haar aan te kijken bij het opstappen, bang dat ze mijn tranen zal zien.

Ik ga schuin achter haar zitten, zodat ik haar nog in profiel kan bekijken. Ik geniet van haar rustige, zelfzekere rijstijl. Zou zij vroeger met een schoolbus hebben gereden? Dat zou goed bij haar passen. Ik ben benieuwd naar haar verhaal, zou graag een foto van haar nemen. Wat is ze mooi. Wat doet ze haar job goed. Ik moet nog wat verlegenheid overwinnen om de verhalen te kunnen schrijven die ik echt wil schrijven. Ik wil haar niet storen in haar rust, dat mag ook niet volgens de voorschriften. Maar ik hoop nu al dat ik binnenkort nog eens op haar bus zit.

Intussen zijn er nog een paar andere mensen opgestapt. Kennelijk ben ik niet de enige die deze bus kan zien. Zij is er voor iedereen. Ik ben aangekomen bij mijn halte, de Eeuwfeestsquare. Ik stap af, steek voor de bus het zebrapad over. Nog even kijk ik haar in de ogen en zij mij. In gedachten bedank ik haar.

Wasserette

De afwasmachine en de wasmachine zijn stuk. Twee dagen voor Kerstmis hebben beide toestellen het gelijktijdig begeven. Wel toeval, twee toestellen die stuk gaan op dezelfde dag. Ze zijn van hetzelfde merk. Zouden ze, zoals sommige printers, in de fabriek geprogrammeerd zijn om op deze dag de geest te geven? Of zou het ergens anders aan liggen? Misschien is er weer een overdruk geweest door de werken voor onze deur. Eerder ging ook onze waterdrukregelaar kapot. Je moet wat over hebben voor een nieuwe tram. Ik stuur een mailtje naar de ombudsman, met de vraag of er aan het water gewerkt werd en of het defect aan de machines hier een gevolg van kan zijn.

In afwachting van zijn antwoord wassen we weer met de hand af. Dat vind ik niet zo erg. Er moeten altijd kleine dingen misgaan opdat we zouden beseffen hoe goed we het doorgaans hebben. Heel mijn jeugd heb ik met de hand afgewassen en afgedroogd, samen met mijn broer. Mijn broer zette dan goede muziek op, we lachten en praatten. In het algemeen bewaar ik daar vrij aangename herinneringen aan. Het warme water aan mijn handen vind ik ook rustgevend.

De was is een ander verhaal. Op de tweede dag van het nieuwe jaar begeef ik me met twee waszakken naar de wasserette. Gelukkig is er een in onze straat. Het is er rustig. Ik tref er de vrouw van de kruidenier die jarenlang in onze straat was gevestigd. Het was een prachtig winkeltje, een hoekpand met een jaren ’50-’60-interieur. In de retro-rekken in leuke kleurtjes lagen alle appels altijd netjes op een rij, de gele, de groene en de rode, met de steeltjes in dezelfde richting. ‘Niet aankomen!’ stond er dreigend bij. De eigenaar was een licht neurotische perfectionist, zijn winkel moest er altijd picobello uitzien. Hij verkocht een mooie selectie van lekkere wijnen en charcuterie, artisanale confituur en speculaas en verse eieren, die in een grote rieten mand lagen. Ik kwam er altijd graag, hoewel de kruidenier en zijn vrouw niet meteen joie de vivre uitstraalden. Maar ze werkten hard en met veel toewijding in hun zaak.

Hoewel zij zelf erg stug waren, luchtten de buurtbewoners graag hun hart bij hen. Luisteren konden ze goed. Vaak stond je er wat lang te wachten omdat de klant voor je ‘zijn parler’ moest doen. Oude mensen wier enige ‘sortie’ de dagelijkse boodschappen bij de kruidenier om de hoek waren. De kruidenier en zijn vrouw waren van alles op de hoogte. Van de vakanties, de inbraken, de branden, de ziektes, de geboortes en de sterfgevallen.

Op een dag zag ik dat het pand te koop stond. Ik vroeg of ze ermee zouden stoppen. ‘Nee hoor, het is de woning hierboven die te koop staat,’ zeiden ze. Pas later begreep ik dat ze geen afscheid hadden willen nemen. Toen ik de nieuwe eigenaars stukken van het vernielde retro-interieur naar buiten zag dragen.

De vrouw van de kruidenier heeft haar wasmachine al gelanceerd. Ik zie haar kleren met veel schuim draaien achter het ronde raampje. ‘Is uw wasmachine ook stuk?’ vraag ik. Haar wasmachine is stuk gegaan op dezelfde dag als de onze. Wat een toeval. Ik besluit dat ik verder buurtonderzoek moet doen.

‘Hoe gaat het? Kunt u het wennen, het pensioen?’ vraag ik. Ze ziet er meer ontspannen uit dan vroeger. In het begin is het wel moeilijk geweest, zegt ze. Maar nu geniet ze er wel van. ‘Ik vind het zo erg dat jullie winkeltje er niet meer is. Zo spijtig van het mooie interieur,’ zeg ik. ‘Hoe gaat het met uw dochters? Hoe oud zijn ze nu?’ vraagt ze. Ik heb een lastig onderwerp aangesneden. Als vroeger een appel met de steel in de verkeerde richting onverdraaglijk was, hoe pijnlijk moet het dan zijn om je hele winkelinterieur vernield te zien worden?

‘Ze zijn nu elf en zestien,’ zeg ik en vertel een beetje over hen. ‘Jullie hebben een mooi huis,’ zegt ze. Ze verbaast zich erover dat we er al elf jaar wonen. ‘Zo lang al? Ik heb die mevrouw nog gekend die er voordien woonde. Dat was zo’n lieve mevrouw. Erg oud al.’ Dat heeft ze me al eens eerder verteld.  Ik vind het mooi. Ik geloof dat iets van de vorige bewoner in een huis blijft hangen. ‘Ik had haar graag gekend,’ zeg ik. ‘Of eens een foto van haar gezien.’

Ik lanceer mijn was. De vrouw van de kruidenier helpt mij, want de instructies zijn niet erg duidelijk. ‘Iemand heeft het mij ook moeten uitleggen,’ zegt zij.

Wanneer ook mijn kleren achter de patrijspoort draaien, vertrek ik voor even naar huis. Ik neem afscheid van de vrouw van de kruidenier. ‘Het is wel prettig, een kapotte wasmachine. Zo praat je nog eens met je buren.’ We lachen. ‘Tot ziens.’

De volgende dag zegt mijn man: ‘Ik heb met de wasmachinefirma gebeld. Er moeten twee reparateurs komen: één voor de afwasmachine, één voor de wasmachine. Elk zijn specialisatie. Ze komen op dezelfde middag. Niet met dezelfde wagen. Maar we moeten toch maar één keer verplaatsingskosten betalen. Het duurt wel nog lang: ze kunnen pas over acht dagen komen.’

‘Zo snel al?’ zeg ik.

 

 

José

‘Dit is José, ze hoopt vurig op een nieuwe eigenaar die leuke plannen voor haar heeft, anders moet José naar het containerpark. Dit valiesje is nog in goede staat, vermoedelijk gemaakt uit similileer. Zoekt jouw toneelgroep nog een valies met karakter of kan ze dienen als pronkstuk in je fotoshoots? Geef mij dan een seintje! José meet 41x65cm en is 17cm diep, met deze afmetingen en bij gebrek aan wieltjes is ze waarschijnlijk niet meer geschikt voor de catwalk. José is oud maar nog jong van geest! Ophalen vlakbij Zwarte Vijvers na de kantooruren.’

José wordt weggegeven op Brussel Verniet. Op die facebookpagina krijgen dingen een nieuw leven: meubelen en kleren uiteraard, maar ook passe-vites, fietstassen, woordenboeken, wandhorloges, trampolines, typmachines, inktpatronen, dieetboeken, lichaamsolie enzovoort. Eén keer ook een kakkedoor.
Een collega heeft me getagd in het bericht. ’Dit is echt een exemplaar voor jou!’ Mijn oudste dochter schrijft: ‘Ik wou haar ook taggen! Doen, mama!’ Ik maak mijn interesse kenbaar, maar ben te laat. José is al vergeven.

José is een rode valies. Uiteraard wil ik haar. Maar ik geloof graag dat de dingen lopen zoals ze moeten lopen in het leven. In het mijne, maar ook in dat van José. Ze zal ergens naartoe gaan. Dat is goed.

Ik geloof ook graag dat wat of wie je loslaat, vanzelf weer naar je toekomt als het zo moet zijn. José is al uit mijn gedachten als ik een berichtje krijg. Met de vraag of ik nog interesse heb. José is niet opgehaald. Ik mag haar gaan ophalen in de Verhuizersstraat.

Of ze me iets meer kan vertellen over José, vraag ik de schenker. José is van haar oma geweest en stond al een tijd bij haar ouders. Zij zijn hun huis aan het opruimen en wilden José weggooien. De dochter vond haar nog veel te goed en wou er iemand blij mee maken. Maar eerst is ze zelf nog één keer met José naar zee geweest.

Vreemd dat mensen vroeger koffers zonder wieltjes hadden. Die zie je nu nooit meer. Het moet veel mooier geweest zijn om te zien, al die mensen met een valiesje in de stations. Die valiesjes hadden meer karakter, verschilden ook meer van elkaar. Waarom hadden ze toen nog geen wieltjes? Het wiel is toch in de nieuwe steentijd uitgevonden? Zouden mensen toen lichter gereisd hebben? Of waren ze toen sterker? Niet verwonderlijk dat er toen nog geen fitnesscentra nodig waren.

Mijn milde schenker denkt dat haar oma José afdankte toen ze vliegvakanties begon te maken. Daarvoor was José niet geschikt. Te kwetsbaar voor een tijdperk waarin alles snel moet gaan. Hoe komt de koffer aan haar naam? ‘Heette je oma ook José?’ vraag ik. Nee, haar oma heette Marie-Ange. Ze vond de naam José gewoon mooi bij de valies passen.

Met blijdschap neem ik José mee. Ik wandel met haar naar huis. Ik voel me een beetje opvallen in het straatbeeld met mijn grote rode valies. Een vrouw spreekt me aan. Ze vraagt me de weg naar metrostation Belgica. Ik verbaas me erover dat ik er nog steeds uitzie als iemand van hier, ook met de valies. Dicht bij mijn huis bots ik tegen een vriendin. Ze komt buiten bij de Kringwinkel. Ik toon haar José. Ik vertel over mijn blog ‘De rode valies’. Ze wist nog niet dat ik schreef. ‘Ik heb over mijn vorige toevallige ontmoeting met jou ook geschreven,’ zeg ik. Die herinnert ze zich nog goed.

Zij vertelt dat ze net terug is van een reis naar Parijs. Op straat toont ze me de foto’s. Ik stel voor iets te gaan drinken in café de Sportvriend op de hoek. Daar praat het iets rustiger dan op straat. Ze vindt het goed, ze heeft wel wat tijd. José mag al meteen mee op café.

Enkele dagen geleden werd het woord ‘koesterkoffer’ verkozen tot woord van het jaar. Onnodig te zeggen dat ik het een heel mooi woord vind. Een koesterkoffer is een koffer met tastbare herinneringen om een jong gezin te ondersteunen na het verlies van een kind. Gelukkig heb ik geen kind verloren. Maar een koesterkoffer heb ik al lang: een oude valies met foto’s van overleden dierbaren, rouwkaartjes, brieven en een klein geel handbeschreven treinkaartje van een geliefde waarmee hij op mijn zestiende verjaardag naar mij toe is gereisd.

Ook José koester ik. Weldra mag ze nog eens mee naar zee.

 

Bezoek

Ik klop. Er komt geen antwoord. Zacht open ik de deur. Ik zie haar voeten en kuiten, gehuld in bruine panty’s, liggend op het knalrode, harige sprei. De rest van haar lichaam zie ik niet vanuit de deuropening. Ze doet haar middagdutje. Ik wil weer weggaan. Dan slaat een andere deur op de gang hard dicht. Ze schrikt wakker. ‘Kom binnen,’ zegt ze. ‘Ha, jij bent het. Ze staat recht. Ze is weer een beetje gekrompen, ze loopt wat meer voorovergebogen. Ze heeft ook nog wat meer rimpeltjes gekregen. Het is te lang geleden dat ik haar zag. Zij is mijn oudste vriendin. ‘Ik ga je geen kus geven, want ik ben verkouden,’ zegt ze.

‘Ik heb een thermos met thee mee,’ zeg ik, ‘en kaastaart.’ Ze dekt het kleine vierkante tafeltje. Ze vertelt dat er op de binnenkoer twee zwerfkatten zitten en dat ze hen te eten geeft. Zelf heeft ze vanmiddag stoofvlees gegeten, maar het was waterig. Ze mist haar groenten. Ze at zo graag verse groenten van de biomarkt. Hier zijn het vaak aardappelen, daar houdt ze niet van.

Haar zoon is vanochtend langs geweest. Ze heeft hem zijn nieuwe trui meegegeven. Ik heb spijt dat ik hem niet gezien heb. Ik hou van haar breiwerken. Breien kan ze nog als de beste. ‘Het is een zomerpull, in dunne wol, grijs met beige. Ik heb er lang over gedaan. Mijn zoon zei dat hij niet tot de zomer zou kunnen wachten om hem aan te doen. Hij heeft verstand van mode. Het is een plezier om voor hem te breien.’

Ze vertelt over haar 89e verjaardag, drie maanden geleden. Haar familie was onverwacht op bezoek gekomen. Ineens zaten ze daar, beneden in de eetzaal. Ze was zo verbouwereerd dat ze met haar rollator rechtsomkeert had gemaakt. Bij de deur hadden ze haar tegengehouden. Ze schiet er opnieuw mee in de lach. Ach, ze krijgt zo weinig bezoek, ze is dat niet meer gewoon, zoveel volk. Ze toont me een foto van die dag. Zij zit in het midden, met een zachtroze bloes aan. Stijlvol gekleed als altijd. Ze vertelt me wie de dierbaren om haar heen op de foto zijn. Oma Brussel noemen ze haar.

Ze neemt nog deel aan de activiteiten. De gymnastiek, het bloemschikken, de filmnamiddagen. Met het koor is ze opgehouden, ze was nog de enige en solo zingen zag ze niet zitten. Meestal zit ze op haar kamer te lezen, te breien of tv te kijken. Ja, ze heeft ook naar ‘Thomas speelt het hard’ gekeken. Zo mooi. Maar waarom hebben ze dat concert niet live op tv uitgezonden? Ze kijkt ook naar het programma over kinderen van collaborateurs. Soms kan ze er niet naar blijven kijken. Er komen beelden van lang geleden naar boven. Van meisjes die verliefd waren geworden op een Duitse jongen en die in een stal voor het hele dorp ten schande werden gezet. Kaalgeschoren, met een hakenkruis op hun hoofd. Voor één meisje was het de foute tijd van de maand geweest, zij had naakt, met haar rug naar de mensen, op een emmer gezeten. Dat was zo vernederend geweest. Ze kan niet tegen onrecht.

Ze maakt zich ook zorgen over de wereld nu. Ze volgt het nieuws nog. ‘Noord-Korea, ik ben er niet gerust in. En dan Strumpf. Ah nee, dat zijn Duitse kousen, ik zeg altijd Strumpf. Misschien is het gewoon spierballerij. Maar ik maak me toch zorgen. Niet meer voor mij, ik zal het niet meer meemaken. Enfin, we mogen er niet van wakker liggen. We kunnen niet weten wat de toekomst brengt.’

Ze vraagt hoe het met mij gaat. Ik vertel het haar. Ik toon haar foto’s van mijn dochters en van mijn man. Ze kent hem ergens van. ‘Heeft hij niet aan de Slimste Mens meegedaan?’ Nee, dat niet, maar misschien heeft ze hem weleens voorbij haar raam zien wandelen toen ze nog in haar service flat woonde? Dat zou kunnen.

Ik vraag of ze nog geschreven heeft. Nee, het is lang geleden. Een brief aan haar moeder toen ze zich een tijd geleden niet goed voelde. Soms is ze wel eenzaam. Ik zeg dat ze me altijd mag bellen. Dat doet ze nooit. Ze is altijd blij als ik er ben, maar verwacht niets van mij.

We ruimen de tafel af. Ik zeg dat het fijn was haar terug te zien. Ik wil haar een kus geven. ‘Zou je dat wel doen?’ ‘Ik ben al verkouden geweest deze winter, ik kan er wel tegen,’ zeg ik en geef haar een dikke kus. ‘Tot volgend jaar!’

Ik loop haar kamer uit. Ze komt me achterna met haar wandelstok. ‘Ik begeleid je tot aan de lift.’ Ik vertraag mijn pas, samen lopen we verder. Ik roep de lift, hij komt snel, ik stap in. ‘Daag!’ zegt ze nog terwijl de liftdeuren toegaan.

Beneden in de inkomhal kijk ik op het activiteitenbord. Volgende week is het kerstfeest met Marijn Devalck.

Sneeuw

Vanochtend ging ik naar mijn osteopaat. Mijn nek zat al tien dagen geblokkeerd. Ik begaf me door de sneeuw naar de halte van bus 49. Die kwam er snel aan. Ik hoefde niet lang in de kou te wachten. Ik hoefde ook niet lang op de bus te zitten. Na tien minuten kwam ik aan bij de mooie cité van Diongre in Molenbeek. Ik was twintig minuten te vroeg, maar dat deerde me niet. Ik las een boek in de knusse roze barokke fauteuil in de warme wachtzaal van mijn osteopaat. Daarna kreeg ik een heerlijke, diepe, soms een beetje pijnlijke massage. Ik hoorde dat de osteopaat, een zachte gespierde kerel, er buiten adem van was. Hij legde een warmtekussen op mijn rug en liet me even rusten. Na tien minuten kwam hij me kraken. Ik kon nu weer goed bewegen. Ik kon er weer voor drie maand tegen.

Nog snel deed ik wat boodschappen bij de Carrefour om de hoek. Zo hoefde ik vandaag niet meer buiten te komen. Er was tien centimeter sneeuw voorspeld. Met mijn zware boodschappentas schuifelde ik de straat over naar de bushalte. Daar stond een bus 49 klaar. Ik stapte op. Het duurde heel lang eer de 49 vertrok. Hij reed twee haltes verder. De chauffeur zei: ‘Verder geraak ik niet. Jullie moeten hier afstappen.’

Ik stapte af, liep met mijn zware tas richting Basiliek. Mijn handen bevroren, ik was mijn handschoenen vergeten. Ik stak één hand in mijn jaszak, met de andere hand moest ik mijn paraplu vasthouden. Wanneer de hand te koud werd, wisselde ik de paraplu van hand en verwarmde de koude hand in de jaszak. Mijn schoenen waren ook niet waterdicht genoeg voor de dikke laag sneeuw. Mijn voeten werden nat. Ik begaf me naar de halte van de 19, wachtte daar tien minuten. Ook de tram kwam niet. Een oude dame zei dat ze te voet zou verder gaan. ‘Wees voorzichtig,’ maande ik haar aan. ‘Hoe is het toch mogelijk, ik heb een vriendin in Rusland, daar is het soms -50°C. En hier, van zodra het een beetje vriest, ligt het hele leven plat.’ Ze vertrok. Ik besloot ook te voet te gaan.

Mijn tas woog erg zwaar. Langzaam voelde ik de weldaad van de osteopaat wegebben. Toen zag ik iets liggen op straat. Bovenop een vuilniszak. Een kerstboom van donker hout, een soort letterbak. Hij was oud en duidelijk zelfgemaakt. Er lag een beetje sneeuw in, maar hij was in goede staat. Wat een mooi ding. Ik zou er zeker een nieuwe bestemming voor vinden.

Dit was de beloning voor de vermoeiende voettocht. Ik was nu nog zwaarder geladen en kon mijn handen ook niet meer in mijn jaszakken verwarmen. Dat deerde me niet. Langzaam wandelde ik verder naar huis.