Goedemorgen

Tegenover me zit een man op zijn smartphone, naast me zit een vrouw op haar smartphone, schuin tegenover me zit een vrouw met oortjes in, ik staar wat voor me uit, naar het felgroene brede lint dat de man om zijn hals heeft hangen, met een badge eraan, waarop zijn naam, Wim Martens, waarom heeft hij deze aangehouden, als een statussymbool, is hij een CEO, of juist niet, vreemd wanneer een toevallige medereiziger een identiteit krijgt, al is deze relatief, want ik vermoed dat er veel Wim Martensen in Vlaanderen zijn, hij draagt een bril en een hemd, wit met een fijn blauw streepje, daarover een antracietkleurig kostuum, zijn haar is grijzend, zijn schedel kalend, hij heeft een klein buikje, hoeveel mannen zouden beantwoorden aan deze persoonsbeschrijving, erg sympathiek lijkt hij niet, maar ik heb niet veel anders om naar te kijken, “dag Wim!” zeg ik in gedachten en het is alsof hij me hoort, hij kijkt op en werpt me een verwijtende blik toe, dan kijkt hij meteen weer naar zijn smartphone, vlak na de aanslagen ging het even beter, toen hadden we weer oog voor elkaar, maar intussen zijn ze al te lang geleden, nu haalt ook de dame met de oortjes haar smartphone boven, gelukkig ben ik ter bestemming, ik stap af, samen met een mama die met de ene hand haar kindje en met de andere een roze fietsje vast houdt, ze staan voor me op de roltrap, bovengronds fietst het kindje weg, de dag in, wat een geluk, ik wandel verder en denk aan Wim, “dag Wim!” zeg ik nog eens in gedachten en dan kruis ik iemand die dag zegt tegen mij, bijna had ik haar niet gezien, een vriendin.

Advertenties

De warmste dag

De laatste donderdag van augustus, het wordt de warmste dag van het jaar, maar dat is nu nog niet voelbaar, ik stap op de bus, mijn oog valt op een dame met een te diep decolleté, ze lijkt zich er niet van bewust, ze is achter in de veertig schat ik en draagt een kleurig kleed van Desigual dat bijna de helft van haar borsten toont, heel gewoon, voor het overige ziet ze er verzorgd maar niet sexy uit, met een strakke paardenstaart, ze is niet opgemaakt, naast haar staat een meisje van een jaar of vijftien, zij draagt een korte, wijde transparante kaki bloes waar haar beha en ranke lichaam doorschemeren, aan de overkant van het gangpad zit een mooie vrouw met donkere ogen, een zwarte krullenbos en een witte bloes, ze draagt een opvallend halssnoer van frisgroene stenen die mooi passen bij haar felle fushiaroze lippenstift, er zijn nog een paar andere dames in het wit, iedereen oogt nog fris, is luchtig gekleed, voorbereid op de hete dag, het zweet is voor straks, veel gelakte nagels zie ik, op vijfendertig mensen zijn er maar vijf mannen op de bus, het is vrouwendag, bij Simonis stappen de te diepe decolleté en de transparante bloes voor mij af, ik besef nu pas dat het moeder en dochter zijn, ze zoeken de weg, ik help hen, dan neem ik de roltrap naar beneden, voor me zie ik, vlak na elkaar, drie vrouwen met een gele lederen handtas die meer op een strandtas lijkt, zouden ze die voor deze zonnige dag uit hun kast hebben opgediept, mijn tas is zwart, ik moet me voor die paar hete dagen op het jaar ook eens een zonniger exemplaar aanschaffen, ik stap op de metro, ga zitten tegenover een oude vrouw die zit te lezen, er is elders nog veel plaats, maar ik wil weten wat ze leest, het is “Le malentendu”, het debuut van Irène Némirovsky die in 1942 in Auschwitz overleed, ze was drieëntwintig toen ze het schreef, op de cover een mooie zwart-wit foto van een knappe vrouw en man, in ruglig op een strand, zij in badpak, hij in bloot bovenlijf, in tegenovergestelde richting, hun ogen dicht, zijn hoofd rust op haar linkerschouder en haar hoofd op de zijne. Le Malentendu

Een betere wereld

Een vrijdagochtend in juli, de rustigste periode van het jaar, bijna iedereen is nu met vakantie, we stappen op bus dertien, het is er lawaaierig, een peuter jengelt en een man kijkt zonder oortjes naar een gewelddadig filmpje op zijn smartphone, een grijzende man in wit t-shirt en zwarte kostuumbroek, met blinkend zwarte puntschoenen staat onverstoord te lezen, ik zou graag weten wat hij leest, zegt mijn lief, ik denk dat er een wapen op de kaft staat, de woorden “Petit manuel” kunnen we lezen, misschien is het een handleiding wapens maken en moeten we nu de politie bellen, maar we staan te ver van hem af en de kaft is niet goed zichtbaar, in Simonis stappen we over, de man ook, we zouden hem kunnen schaduwen zeg ik, maar het is niet nodig, we stappen vooraan op de metro en hebben geluk, de man zit daar verder te lezen, we gaan aan de andere kant van het gangpad zitten, nog steeds kunnen we de titel niet zien, tegenover hem komt nu een jonge vrouw zitten met haar zoontje van vijf en haar dochtertje van drie, die gaat naast de man zitten en buigt zich meteen voorover om te zien welk boek  hij leest, het moet amusant zijn want hij glimlacht licht, ineens lezen we “Petit manuel de la transition”, mijn lief zoekt het op op zijn smartphone, het omslagontwerp is erg mooi en laat me denken aan de Marabout Flash-boekjes uit de jaren ’60 die ik verzamel, “L’Encyclopédie de la vie quotidienne”, ook het boek van de man heeft een ondertitel: “Pour tout celles et ceux qui aimeraient mais doutent qu’un autre monde soit possible”, nu zou ik hem moeten aanspreken, vragen of hij gelooft in een betere wereld en hoe hij deze zou willen realiseren, maar ik durf niet, een zwaar bewapende militair stapt op en komt pal voor me staan, ik schrik, het went niet, wie zegt dat hij mij beschermt en me straks niet neerknalt?

Krappe schoenen

Blue Monday, zogezegd de meest deprimerende dag van het jaar, ik zit op de metro met lichte hoofdpijn, verder gaat het wel, tegenover me zit een vrouw van in de dertig te telefoneren, met haar moeder, zo begrijp ik, naast haar zit een vrouw met oortjes in, zij hoeft niet mee te luisteren, het gesprek gaat over te kleine schoenen, die de moeder van de vrouw voor de kleindochter heeft gekocht, ze passen net, maar ik twijfel of ze ze op school wel zelf toe zal krijgen, zo krap zijn ze, zegt ze, en kijkt gepijnigd, als knelden haar eigen schoenen, ik begrijp haar, herken het, te klein gekochte schoenen en gekrompen nieuwe kleren vind ik ook vaak moeilijk te relativeren, haar aanblik is confronterend, ook omdat haar gezicht een heel andere taal spreekt dan haar stem, dit gaat over meer dan alleen maar schoenen, maar over de relatie met haar moeder, ik zie hoe moeilijk het is dit gesprek te voeren, hoe zij haar moed heeft verzameld, hoe wat ze zegt aan de andere kant echt niet aankomt,  het is niet de eerste keer dat ze in deze situatie is, misschien kan ik er nog krantenpapier insteken en ze zo wat oprekken, zegt ze, ik weet niet of je het ticket nog hebt en of ze nog kunnen geruild worden, “elles sont jolies, mais trop justes” besluit ze en beëindigt het gesprek zonder afscheidsgroet, dan pas ziet ze schuin tegenover haar, aan de andere kant van het gangpad een bekende, een blonde vrouw van rond de vijftig, ook zij heeft het hele gesprek ongetwijfeld gevolgd, “Ca va?” vraagt ze, de jonge vrouw antwoordt: “Ca va.”

Okselwarmte

Vrijdagochtend, ik sla de deur achter me dicht, zie dat er net een bus 14 komt aangereden, ik ren naar de halte aan de overkant, haal hem net, ik denk aan de vriend die ik soms op deze bus zie wanneer hij terugkeert van het UZ, het is een tijd geleden, ik moet hem schrijven om te vragen of alles goed met hem is, wat kan ik hem vertellen, wat is er gebeurd sinds ik hem het laatst zag, voor ik weet zijn we in Simonis, bij het afstappen staat een oude dame in de deuropening van de bus, ze vraagt of iemand haar kan helpen, ik ondersteun haar, ze heeft een gewatteerde jas aan, mijn hand onder haar arm voelt warm, ze heeft veel moeite met afstappen, ze moet echt hard op me steunen, ze draagt twee lege boodschappentassen, straks zal ze met gevulde tassen terugkeren, we zijn afgestapt, ze bedankt me, ik zou met haar mee de stad willen ingaan, samen boodschappen doen, ze dragen, haar naar huis begeleiden, zodat ze vandaag geen vreemden meer om hulp hoeft te vragen, ik zou mijn gevoel willen kunnen volgen, maar zet mijn tocht verder naar het werk, neem de metro, wanneer ik in IJzer bovengronds kom, denk ik even dat het miezert, ik steek mijn hand uit, hij blijft droog, het is de lucht die ik zie trillen.

Ontbijttijd

Ik ben vroeg vandaag, het is nog maar kwart voor acht, ik wacht op tram 19 bij halte Spiegel, naast me staat een treurig kijkende mooie blonde dame een pakje ontbijtkoekjes te eten, het soort dat men ons verkoopt als voedzamer en gezonder dan vieruurkoekjes, maar in werkelijkheid even vettig en gesuikerd is, de tram komt eraan, ik stap op, zij blijft staan, op de tram naast me eet een jong meisje een beetje troosteloos droge cornflakes uit een klein zakje terwijl ze een muziekje op haar mp3-speler kiest, het is ontbijttijd, op een later uur zie ik minder etende mensen, ik denk aan mijn overgrootvader zaliger die ik nooit gekend heb, toen hij eind jaren zestig een zakje chips etend de Villalaan waar hij woonde opwandelde, sprak de hele buurt er schande van, het verhaal haalde zelfs de overlevering, mijn oma vertelde het me vele jaren later, nu verbazen we ons niet meer over etende mensen op straat en vooral ook in stations, soms vind ik etend wandelen ook aangenaam, frieten, ijsjes en gepofte kastanjes vragen erom, maar het is toch erg dat vele mensen de woonst ’s ochtends met lege maag verlaten, de tijd niet nemen om gezond te ontbijten, er zijn op dit uur veel jonge mensen, schoolgaande jeugd en haast allemaal hebben ze draadjes die bungelen aan hun lichaam en verbonden zijn met oortjes in hun oren, waarom die behoefte om het leven steeds van een andere soundtrack te voorzien, ik beeld me in dat we in de toekomst ook oogjes in onze ogen zullen kunnen steken, die maken dat we de beelden bij onze tramrit zullen kunnen kiezen, dan zou ik met mijn oogjes allemaal mensen zonder oortjes kunnen zien, blije mensen die elkaar aankijken en met elkaar praten, of met zichtbare binnenpret voor zich uit staren, ook een verdrietig iemand en de passagier naast hem die spontaan zijn arm om hem heen slaat, ik zou in de tijd kunnen reizen en op elke dag in een ander decennium de tram nemen, ik zou eens helemaal alleen op de tram kunnen zitten en de volgende dag met mijn hele vriendenkring, de mogelijkheden zouden eindeloos zijn, de dagelijkse rit zou in de toekomst veel boeiender kunnen worden, maar dat zal ik allicht niet meer meemaken, dus moet ik deze mensen hier en nu voor lief leren nemen.

Verdwaald

Zaterdagochtend, ik zit op tram 81, stap uit bij de bareel van Sint-Gillis, hier ga ik vandaag naar een brocanteverkoop, ergens in een herenhuis, ik ben te gehaast vertrokken en mijn bril vergeten, ik loop door de straten van Sint-Gillis, het ochtendlijke zonlicht schijnt op de bleke gevels, het is vooral het licht dat ik waarneem, zonder bril zie ik de wereld door een filter, dat me tegelijk beschermt voor te veel indrukken maar ook kwetsbaar maakt, omdat ik de mensen om me heen pas echt zie als ze vlakbij zijn en omdat ik hondendrollen of kotsplassen pas op het laatste moment opmerk, ik heb geen plan meegenomen, ik word niet graag voor een toerist aangezien in eigen stad, ik denk dat ik het adres op basis van vage instructies wel zal vinden, vind het ook niet erg wat te verdwalen, maar de straatnaambordjes zijn moeilijk leesbaar zonder bril, ik moet er vlak onder gaan staan, dat bemoeilijkt de zoektocht, ik kom een gezellig koffiehuis tegen, bestel er een cappuccino, vraag de weg maar de eigenares heeft nog nooit van het adres gehoord, wanneer ik even later weer buiten sta spreek ik een echtpaar aan, zij zeggen dat ik terug naar beneden moet en dan de derde naar links, onderweg kruis ik een hond die sprekend op Bobbie van Kuifje lijkt, ik kom weer beneden bij het plein, daar staat een stadsgids met een groepje mensen, zij vertelt over het beeld van de waterdraagster, ik onderbreek haar en vraag de weg, ook zij heeft nog nooit gehoord van de straat waar ik moet zijn, intussen ben ik zelf al twee keer aangesproken door mensen die mij de weg vragen naar een adres dat ik niet ken, ik moet er nu zelf mensen uitpikken zoals ik er vaak uitgepikt word, en begrijp welke afwegingen men daarbij maakt, achtereenvolgens probeer ik tevergeefs een jonge vrouw met een caddy, een clochard, een knappe Marokkaan en een oude autochtoon, iemand van wie ik denk dat hij al lang in deze buurt woont, hij zegt dat hij het niet weet, een jonge Afrikaanse vrouw die mijn vraag gehoord heeft draait zich om en zegt dat ik weer naar boven moet en de eerste straat rechts, ik volg haar, ze wijst me waar ik in moet slaan, even later kom ik bij de Jean Robiestraat aan.

 

Flaporen

We stapten bij Simonis samen van bus dertien, zij en ik, en wat het me eerste trof, waren haar flaporen, geen grote, maar kleine ronde welgevormde oren die ver van haar hoofd stonden, toch zeker drie centimeter was er tussen haar oorschelp en haar schedel, pas daarna zag ik haar overweldigend rode jas, ik vond het vreemd dat die mijn aandacht niet eerst had getrokken, je ziet niet meer vaak flaporen, dacht ik, en zeker niet bij mooie jonge vrouwen, ze worden haast altijd in de kinderjaren geopereerd, het is geen plastische chirurgie maar een vanzelfsprekende operatie, ik volgde de mooie oren de roltrap af, kon hun achterkant nu goed zien, even later stonden we samen op het metroperron en observeerde ik haar nader, ze droeg bruine laarsjes en een jeans, daarover de halflange, felrode, in de taille gecentreerde jas, daarop een dikke wollen sjaal in zacht oranje, haar haar had precies dezelfde kleur, zacht oranje, het was opgestoken, zodat alle aandacht naar haar oren kon gaan, hoewel ze zich daar helemaal niet bewust van leek, ze droeg een fototoestel in een tasje op de heup, wat haar extra sympathiek maakte, even later haalde ze ook nog een boek boven, ik kon niet zien welk, maar toen was ik helemaal verloren, ze had iets guitigs maar het kwam toch vooral door de oren, waarom menen wij steeds te moeten ingrijpen in de natuur, ze had een reiskoffer bij, op wieltjes, wellicht is ze niet van hier, dacht ik, maar van ergens ver, ja ik was er zeker van dat ze geboren was in een land waar flaporen nog heel gewoon zijn.

Dubbelganger

Vanochtend stapte ik op tram negentien, ging zitten en schrok, de man tegenover me leek sprekend op Bart De Wever, de zwaarlijvige versie evenwel, iets ouder ook, hij had vooral sprekend dezelfde ogen, dezelfde cynische blik en die diepe dubbele groef tussen zijn wenkbrauwen als was dat zijn dagdagelijkse gelaatsuitdrukking, de gelijkenis trof mij zo, dat ik moeite had om niet naar hem te kijken, maar telkens ik keek, wierp hij me zo’n kwade blik toe dat ik meteen de mijne afwendde, maar ook dan nog voelde ik aldoor zijn boze ogen in mij priemen, het moet vervelend zijn om als het evenbeeld van Bart De Wever door het leven te gaan, dacht ik, misschien had de man aan mij gezien dat ik hem herkend had, ik bedoel, dat ik zijn gelijkenis met de politicus had opgemerkt.

Berglucht in Beekkant

Vanochtend stapte ik in Beekkant op de metro en snoof een kruidige houtgeur op die me meteen naar Oostenrijk voerde, naar het gezin waar ik als achttienjarige in de zomervakantie Duits zou leren, maar dat viel tegen want ze zeiden “Muuch” in plaats van “Milch”, ik verstond hen nauwelijks, ze woonden in een zelfgebouwd houten huis boven op een berg, aten vegetarisch en waren naturist, ik was er eerder een toerist, speelde met de vijf jonge kinderen, die heel creatief waren en ’s nachts buiten op het balkon sliepen, werkte in de bovenmaatse moestuin, plukte “Schachtelheim” in het woud waarmee ik een onkruidbestrijdend product brouwde, zeker een uur moest ik er in roeren met een houten stok, in wijzerzin en wanneer een draaikolk ontstond in tegenwijzerzin en dan weer in wijzerzin, zo eindeloos door, tot het brouwsel het toppunt van zijn middelpuntvliedende én onkruidbestrijdende kracht had bereikt en we er de tuin mee konden besprenkelen, ik werd er bedwelmd door klankschalen, we aten er “Hirseauflauf” en “Ribiselkuchen”, ik viel er in de kleine benauwde keuken flauw bij het schillen van op het houtfornuis gekookte aardappelen voor zeven personen, hielp met het schuren van balken in het tweede, grotere houten huis dat ze wat hoger op de berg aan het bouwen waren, schreef er vele brieven aan mijn lief en aan mijn ouders en ondernam dagelijks een queeste naar onze brievenbus beneden in het dal – in de hoop dat er nog een bericht was uit de bewoonde wereld.