Toeval

Waar word ik gelukkig van?

Ik word gelukkig van ’s ochtends vroeg in Brussel op stap zijn.

Ik douche, ontbijt en ga dan meteen naar buiten.

Vandaag moet ik naar de dokter.

Om tien over acht sta ik bij de tramhalte.

Ik neem tram 19 naar Stuyvenberg.

Ik ben 20 minuten te vroeg.

Het is heel koud. Ik hou van de kou als de zon schijnt.

Ik wandel langs de Houba de Strooperlaan.

Daar staan mooie huizen. En je kan het atomium zien aan het einde van de straat.

Ik zie drie doodkisten in een etalage.

Het zijn ecologische doodkisten.

Een kist van karton met bloemen erop.

Een blauwe kist van hout.

En een kist van riet. Hij lijkt op een picknickmand.

Ik ril. De kisten maken mij bang.

Het is tijd om naar de dokter te gaan.

Een uur later sta ik weer op straat.

Ik loop weer naar de tramhalte.

Tram 19 komt er net aan.

Ik spring op de tram.

Ik rijd graag met de tram door de stad.

De tram rijdt snel en je kan goed naar buiten kijken.

We komen voorbij het park en het kerkhof van Jette.

Ik moet bijna afstappen. Bij halte Astrid.

Bij de halte staat een grote man met een bruine jas en een rode muts.

Ik zou hem uit een miljoen mensen herkennen.

Het is mijn man.

De tram stopt. De deuren gaan open.

Mijn man stapt achteraan op de tram. Ik ga vooraan afstappen.

Maar ik stap niet af.

Ik loop door de tram naar mijn man.

Ik kijk naar hem. Hij ziet mij niet.

Hij biept met zijn MOBIB-pas.

Ik leg mijn hand op zijn arm.

Dan ziet hij mij.

We geven elkaar een kus.

Hij bloost.

Hij begrijpt het niet.

Ik leg het uit.

‘Ik ben naar huis gekomen met de tram. Jij gaat naar je werk met dezelfde tram.’

‘Waarom ben je niet afgestapt?’ vraagt hij.

‘Omdat ik jou zag,’ zeg ik. ‘Ik rijd nog één halte met je mee.’

Wat een toeval dat we dezelfde tram genomen hebben.

Het toeval kan heel mooi zijn.

Zeker als je verliefd bent.

Bloost mijn man daarom?

Bij halte Spiegel geven we elkaar nog een kus.

Ik stap af.

‘Tot vanavond!’ zegt mijn man.

‘Tot vanavond!’

Advertenties

Winterochtend

_DSC3937 (2).JPGEr is weinig wat mij zo gelukkig maakt als vroeg in deze stad op pad zijn. ’s Ochtends douchen, ontbijten en dan meteen naar buiten. Vanochtend heb ik een doktersafspraak. Om tien na acht sta ik bij de tramhalte. Ik neem tram 19 richting De Wand. Bij Stuyvenberg stap ik uit. Ik hou van de buurt rond Stuyvenberg, met de Eendjesvijver en de zijstraten van de Houba de Strooperlaan die uitkijken op het atomium. Er staan veel prachtige herenhuizen in deze buurt. Ik ben twintig minuten te vroeg. Ik wandel langs de mooie laan met geen ander doel dan wat tijd voorbij te laten gaan. Ik geniet van de kou. De koude doet enorm veel deugd.

Op de Houba de Strooperlaan zie ik een zaak met ecologische doodkisten. Er staan drie kisten in een verder lege etalage. De ene lijkt van wit karton, er zijn lelijke lelies op geschilderd. De andere is van hout, hij heeft de kleur van een stralend blauwe hemel. De middelste kist is van riet. Het lijkt een picknickmand, maar dan voor een lijk. Deze kisten staan hier zo troosteloos op een rij. Ze zijn lelijk en goedkoop. Ze passen totaal niet bij elkaar. En ze staan rechtop. Dat is raar. Een kist moet liggen. Een huivering gaat door me heen. Dan is het tijd voor de dokter.

Een uur later sta ik weer op straat. Zal ik nog even naar de nabije Albert Heijn gaan? Als halve Nederlandse heb ik soms heimwee naar eten uit mijn kindertijd, zoals krentenbollen en Calvé pindakaas.

Nee, ik ga naar huis. Ik stap naar de tramhalte bij de Eendjesvijver. Er stopt net een tram, ik ren om hem te halen. Ik spring op de tram. Mijn wangen voelen rood. Warm van het praten met de dokter, bevroren door de kou. De tram is het fijnste vervoermiddel. Niets heerlijkers dan door deze stad te zoeven en naar buiten te kijken. We passeren het Jeugdpark en vervolgens het kerkhof van Jette.

Ik nader mijn afstaphalte, Astrid. Bij de halte zie ik een grote man met een beige jas en een bordeaux muts. Ik zou hem uit miljoenen meteen herkennen. Hij steekt er altijd een beetje bovenuit. Het is mijn man. Hij kijkt door zijn grootte dan weer altijd een beetje over me heen. Ik sta op het punt vooraan van de tram te stappen, hij staat klaar om achteraan op te stappen. Ik loop door de tram naar hem toe. Hij stapt op, haalt zijn metropasje boven, laat het biepen. Het is vreemd je geliefde te bespieden. Pas wanneer ik vlak naast hem sta en mijn hand op zijn arm leg, ziet hij mij. Intussen zijn de tramdeuren gesloten.

We kussen elkaar. Hij bloost. Eerst begrijpt hij het niet. Dat ik ben gekomen met de tram waarmee hij vertrekt. Ik moet het uitleggen. Waarom ik niet afstapte? ‘Omdat ik je zag. En jij achteraan opstapte. Ik rijd een halte met je mee,’ zeg ik. Het is laat. Het is kwart na tien. Meestal is hij nu al lang vertrokken. Er was veel toeval nodig om deze ontmoeting plaats te laten vinden. Alsof het zo moest zijn. Een toevallige ontmoeting is intens. Ook als je elke nacht samen slaapt. Bloost hij daarom?

Bij halte Spiegel kussen we elkaar nog eens. Ik stap ik af. ‘Tot vanavond!’

Maalbeek zeven maanden later

Vandaag moet ik naar metro Maalbeek. Het schiet als eerste door me heen bij het ontwaken. Het maakt me een beetje zenuwachtig. Sinds de aanslagen, nu zeven maanden geleden, ben ik er nog niet geweest. Ik heb niet veel te zoeken in de rijke Europese wijk. Maar vandaag moet ik naar een infosessie over de groepsverzekering. Een moeilijke materie. Praten met werknemers over hun overlijdensverzekering vind ik ook altijd moeilijk. Het is delicaat om hen te vragen wat ze na hun dood willen nalaten en aan wie. Ze denken niet graag aan doodgaan, laat staan aan hun nalatenschap. Zelf sta ik er elke dag bij stil. Dat het misschien vandaag gedaan kan zijn. Zoals die ochtend voor twintig mensen in metro Maalbeek om elf na negen. Ik ben blij dat het net iets later zal zijn wanneer ik daar aankom.

Bij de bushalte voor mijn huis stap ik op de dertien. Er is veel leven op de bus, een kleuterklas op uitstap. Ik zie een oude meneer achteraan gekke bekken trekken naar de kleuters. ‘Laat die meneer met rust!’ zegt de juf. Maar de meneer gebaart dat hij het niet erg vindt. Even later zit ik op de metro tegenover twee twintigers. ‘Zouden zij terroristen kunnen zijn?’ vraag ik me af. De volgende halte stapt een vriend van hen op. Ze beginnen met elkaar te vechten. Een beetje stompen en treiteren, ik kan altijd vol verbazing kijken naar deze vorm van vriendschap.

We stoppen in Beekkant, ik moet overstappen. Nu zit ik tegenover Paulus de Boskabouter: klein, dik, kalend en grijs. Stevige frak aan, een ribfluwelen broek. Hij leest in de Franstalige Test Aankoop een enquête over zaagmachines. Hij ziet er niet uit alsof hij er kwade bedoelingen mee heeft. Ik vermoed dat hij boswachter is. Naast hem aan de overkant zit een mooie slanke vrouw met dik zwart krullend haar en felrode lippenstift. Ze leest een boek waarvan de snede zwart is. Haar kledij is ook zwart. Met een balpen zo rood als haar lippen onderstreept ze zinnen. Ik verbaas me erover dat zij en de boskabouter tot dezelfde soort behoren.

We komen aan in Maalbeek. Er zit bijna niemand op het perron. Er stapt bijna niemand op. Zouden mensen dit station nog mijden? Je kan makkelijk uitwijken naar de nabije stations Kunst-Wet en Troon. Even heb ik dat ik ook overwogen. Maar dit was de meest nabije halte. Op het perron sta ik stil, kijk om me heen. Het is heel smal. Ik kan me de hel van 22 maart voorstellen. Maar er is geen spoor meer van te zien. Juist dat vind ik verontrustend: het is hier allemaal zo clean.

Met de trap ga ik naar boven. Daar liggen bloemen, bij een gedenkmuur met handgeschreven namen en boodschappen. Ook hier is het rustig, niemand te zien. Alleen een werkman brengt met zijn fluogeel pak wat leven tussen de zwijgende witte tegels. Even staakt hij zijn bezigheden om stil te staan bij de doden, te lezen wat voor hen op de muur geschreven staat. Ik neem de trap naar boven. Op straat komt een grote blonde dame gehaast voorbij. Ik bevind me nog in de stilte van deze beladen plek, langs haar raast het verkeer door de Wetstraat. Even, in haar haast, werpt zij een blik naar binnen. Ik zie: zij denkt hetzelfde als ik.

_dsc0917

Honderd jaar Herfst

schubert‘Er ligt een boek voor me klaar, “Schuberts Winterreise” van Ian Bostridge. Ik heb gisteren gebeld.’ Ludovic van Passa Porta overhandigt me het boek. Het staat niet op het rek met gereserveerde boeken achter hem, maar ligt vlak naast hem, hij hoeft zijn arm maar even te strekken om het te pakken. ‘Het ziet er heel mooi uit, een perfect verjaardagscadeau.’ ‘Het is overal lovend gerecenseerd,’ zegt hij. In zilverglanzend papier pakt hij het boek voor me in. Het cadeaupapier is hier altijd zo mooi dat ik ooit eens vroeg wie hun cadeaupapierleverancier was, maar ik ben het vergeten.

Blij loop ik de zonnige stad in, het boek onder de arm. Het is nog lang geen winter, we zijn nog maar net aan onze herfstreis begonnen. Bij de Anspachlaan spreekt een bedelaar me aan, ik haal een muntstuk uit mijn portefeuille en geef het hem. Ik kan niet verdragen dat anderen het moeilijk hebben wanneer het leven mij toelacht. Ik wandel naar de bushalte bij het Centraal Station. Een jongeman spreekt me aan, hij vraagt in het Frans of hij een kort telefoontje mag plegen met mijn gsm. De persoon zal hem daarna terugbellen op mijn gsm. Zelf heeft hij geen belkrediet meer of zijn batterij is leeg, ik heb het niet goed begrepen. Onderzoekend bekijk ik hem. Kan ik hem vertrouwen?

Ik zeg dat mijn bus over vijf minuten komt. Hij antwoordt dat het nog zal lukken. Ik kan nu niet meer terug. Mijn gsm is voorhistorisch, die zal hij niet stelen. Voor de zekerheid blijf ik toch dicht bij hem staan terwijl hij kort telefoneert en even later wordt opgebeld. Dan valt mijn oog op enkele tassen die eenzaam bij de ingang van het Centraal Station staan. Daar zie ik Nel, de geliefde van schilder Rik Wouters. Gedrukt op een plastic zak. Ik ken die zak, want ik heb er zelf ook zo één thuis. En ernaast staat een zak waarop een blauwe rivier is afgebeeld.

_dsc0909Wie heeft deze zakken daar neergezet? Een clochard? Ik haal mijn fototoestel uit mijn tas, neem twee foto’s. Ik moet snel zijn denk ik, zo meteen worden ze opgepikt. Intussen hou ik de jongeman met mijn gsm in de gaten, hij mag zijn gesprek nu wel afronden, vind ik. ‘Waarom neem je foto’s van mijn zakken?’ vraagt hij. ‘O, zijn het jouw zakken?’ Ik vertel dat ik hou van het schilderij dat erop staat. Dat het van Rik Wouters is, een schilder die omstreeks 1900 leefde en veel te jong aan een hersentumor overleed. Dat de vrouw op het schilderij zijn echtgenote en muze Nel is. Dat hij haar de hele tijd schilderde bij haar dagelijkse bezigheden. Ik vertel dat dit schilderij “Herfst” heet en honderd jaar geleden werd geschilderd.

Hij kijkt me verbaasd aan. Het moet bevreemdend zijn om mijn argwaan te zien omslaan in enthousiasme voor zijn tas. Ineens ben ik niet meer iemand die hem met tegenzin haar telefoon heeft geleend, maar iemand die graag iets met hem wil delen. Hij luistert geïnteresseerd. ‘Het is nochtans een gewone zak van de supermarkt,’ merkt hij geamuseerd op. ‘In het Modemuseum in Antwerpen loopt momenteel een tentoonstelling over Rik Wouters, een aanrader’ ga ik verder. Daar is bus 66. We nemen afscheid, hij vraagt of hij mijn foto’s ergens kan zien. Ik geef hem nog snel de naam van mijn blog. Hij kent geen Nederlands, maar hij is het aan het leren, zegt hij.  Dan geeft hij me mijn gsm terug. Bijna was ik hem vergeten.

Terwijl de bus door de Middaglijnstraat schuifelt, denk ik: ‘Nel moest het eens weten. Dat zij, in haar dagelijkse bezigheden, honderd jaar later het straatbeeld nog siert, onwetende mensen vergezelt in hún dagelijkse bezigheden.’ Een half uur later schenk ik mijn jarige vriendin haar ‘Winterreise’. Zij woont hoog in de Brusiliatoren. Vanuit haar appartement hebben we een prachtig zicht op de geel en rood kleurende boomkruinen van het Josephatpark. Wat is Brussel toch mooi in de herfst.

_dsc0915

Zon in de metro

Zondagavond, het regent, het is kil, de herfst is eindelijk daar. Ik ga naar een concert. Als ik mijn kaartje niet maanden geleden al gekocht had, zou ik niet meer buitengaan. Het was niet nodig het kaartje zo lang op voorhand te kopen. De zangeres die optreedt is nog onbekend. Dat ik vanavond op weg ben naar dit concert, dank ik aan het toeval. Ergens in de maand april hoorde ik de zangeres in een nieuwe koffiebar, waar ik op weg naar het Vossenplein toevallig voorbijkwam. Haar stem raakte me. De vriendelijke baristo liet me de mooie LP-hoes zien waar de zangeres in profiel, gekleed in een geel truitje tegen een gele achtergrond poseert. Ik was meteen verkocht.

laura_gibson_empire_builder_digital_album_cover

Album cover Empire Builder Laura Gibson

Als ik die zonnige zaterdagochtend in de lente niet langs die koffiebar was gepasseerd, zou ik op deze regenachtige zondagavond in de herfst gewoon thuisblijven, denk ik op de metro. Mocht ik ooit een roman schrijven, dan zal hij gaan over iemand die zijn leven door het toeval laat bepalen. Ze gaat in een café naar het toilet, ziet een telefoonnummer op de muur, belt ernaar, ontmoet iemand, ze ziet een bus voorbijrijden waarop een vacature staat, ze solliciteert voor die job, vindt nieuw werk waar ook weer van alles gebeurt, op een ochtend staat een camionette van een aannemer voor haar deur en ze besluit die aannemer te vragen haar huis te verbouwen, enzovoort, voortdurend neemt ze besluiten op basis van het toeval, ze heeft er een grenzeloos vertrouwen in maar is heel onbesuisd, zo gaat haar leven alle richtingen uit.

Het is niet zo makkelijk zo’n gegeven goed uit te werken, denk ik en dan merk ik dat mijn gedachtenstroom een soundtrack heeft gekregen. Ik hoor een melancholisch gezang en een getrommel dat vanuit een zonniger wereld onder de evenaar lijkt te komen, het komt van de man aan de overkant van het gangpad. Hij zingt zachtjes voor zich uit en drumt op zijn dijen. Ik kijk weer luisterend voor me, het is aangrijpend, dan kijk ik weer naar de man. “C’est beau,” zeg ik. “Vous chantez dans une groupe?” Maar de metro maakt zoveel lawaai dat ik hem niet kan verstaan, ik sta recht en ga dichterbij staan, ik moet er toch bijna af. “Vous êtes musicienne?” vraagt hij. “Non, je suis écrivain.” En omdat dat me te zwaarwichtig klinkt, zeg ik: “J’écris des petites histoires sur des rencontres dans le métro”. “Dans quelle langue?” vraagt hij. “Néerlandais”. Hij zegt dat hij ook schrijft en muziek maakt, ik vraag of hij een site heeft. “Il est en construction,” antwoordt hij. Hij vraagt waar ik woon, in Jette, zeg ik. Hij kijkt me lief aan met zijn kleine, donkere, ronde ogen. Hij vraagt waar ik moet afstappen. “Botanique,” zeg ik. “Je vais à un concert.” “De qui?” “Laura Gibson, une chanteuse Américaine peu connnue, » zeg ik en ben verbaasd over mijn openheid. We zijn bijna bij Botanique. “Comment peut-on ce revoir ?” vraagt hij. “Quoi ?” zeg ik. “Comment peut-on se revoir?” vraagt hij opnieuw. Ik haal mijn schouders op. Mocht ik het al willen, er is geen tijd meer om nog een telefoonnummer op een briefje te krabbelen. “Peut-être on se voit encore, par hasard”. Daar heeft hij vrede mee. We zijn in Botanique, de metrodeuren gaan open, “au revoir” zeg ik en stap af. Op het perron hoor ik hem nog roepen: “Tot ziens!” – in het Nederlands.

Bovengronds voel ik hoe warm mijn hart is. Ik had het gesprek best nog even willen verderzetten. Het was gemoedelijk, alsof we elkaar al lang kenden. Was ik een personage in de roman die ik allicht nooit zal schrijven, dan was ik op de metro blijven zitten. Wie weet waar die koffie in de Marollen dan toe geleid had. Gelukkig ben ik verstandig. Het is wel altijd mogelijk dat ik hem nog eens tegenkom. Ik betwijfel of ik hem zal herkennen, ik denk van niet. Alleen als hij weer zingt.

Goedemorgen

Tegenover me zit een man op zijn smartphone, naast me zit een vrouw op haar smartphone, schuin tegenover me zit een vrouw met oortjes in, ik staar wat voor me uit, naar het felgroene brede lint dat de man om zijn hals heeft hangen, met een badge eraan, waarop zijn naam, Wim Martens, waarom heeft hij deze aangehouden, als een statussymbool, is hij een CEO, of juist niet, vreemd wanneer een toevallige medereiziger een identiteit krijgt, al is deze relatief, want ik vermoed dat er veel Wim Martensen in Vlaanderen zijn, hij draagt een bril en een hemd, wit met een fijn blauw streepje, daarover een antracietkleurig kostuum, zijn haar is grijzend, zijn schedel kalend, hij heeft een klein buikje, hoeveel mannen zouden beantwoorden aan deze persoonsbeschrijving, erg sympathiek lijkt hij niet, maar ik heb niet veel anders om naar te kijken, “dag Wim!” zeg ik in gedachten en het is alsof hij me hoort, hij kijkt op en werpt me een verwijtende blik toe, dan kijkt hij meteen weer naar zijn smartphone, vlak na de aanslagen ging het even beter, toen hadden we weer oog voor elkaar, maar intussen zijn ze al te lang geleden, nu haalt ook de dame met de oortjes haar smartphone boven, gelukkig ben ik ter bestemming, ik stap af, samen met een mama die met de ene hand haar kindje en met de andere een roze fietsje vast houdt, ze staan voor me op de roltrap, bovengronds fietst het kindje weg, de dag in, wat een geluk, ik wandel verder en denk aan Wim, “dag Wim!” zeg ik nog eens in gedachten en dan kruis ik iemand die dag zegt tegen mij, bijna had ik haar niet gezien, een vriendin.

De warmste dag

De laatste donderdag van augustus, het wordt de warmste dag van het jaar, maar dat is nu nog niet voelbaar, ik stap op de bus, mijn oog valt op een dame met een te diep decolleté, ze lijkt zich er niet van bewust, ze is achter in de veertig schat ik en draagt een kleurig kleed van Desigual dat bijna de helft van haar borsten toont, heel gewoon, voor het overige ziet ze er verzorgd maar niet sexy uit, met een strakke paardenstaart, ze is niet opgemaakt, naast haar staat een meisje van een jaar of vijftien, zij draagt een korte, wijde transparante kaki bloes waar haar beha en ranke lichaam doorschemeren, aan de overkant van het gangpad zit een mooie vrouw met donkere ogen, een zwarte krullenbos en een witte bloes, ze draagt een opvallend halssnoer van frisgroene stenen die mooi passen bij haar felle fushiaroze lippenstift, er zijn nog een paar andere dames in het wit, iedereen oogt nog fris, is luchtig gekleed, voorbereid op de hete dag, het zweet is voor straks, veel gelakte nagels zie ik, op vijfendertig mensen zijn er maar vijf mannen op de bus, het is vrouwendag, bij Simonis stappen de te diepe decolleté en de transparante bloes voor mij af, ik besef nu pas dat het moeder en dochter zijn, ze zoeken de weg, ik help hen, dan neem ik de roltrap naar beneden, voor me zie ik, vlak na elkaar, drie vrouwen met een gele lederen handtas die meer op een strandtas lijkt, zouden ze die voor deze zonnige dag uit hun kast hebben opgediept, mijn tas is zwart, ik moet me voor die paar hete dagen op het jaar ook eens een zonniger exemplaar aanschaffen, ik stap op de metro, ga zitten tegenover een oude vrouw die zit te lezen, er is elders nog veel plaats, maar ik wil weten wat ze leest, het is “Le malentendu”, het debuut van Irène Némirovsky die in 1942 in Auschwitz overleed, ze was drieëntwintig toen ze het schreef, op de cover een mooie zwart-wit foto van een knappe vrouw en man, in ruglig op een strand, zij in badpak, hij in bloot bovenlijf, in tegenovergestelde richting, hun ogen dicht, zijn hoofd rust op haar linkerschouder en haar hoofd op de zijne. Le Malentendu

Een betere wereld

Een vrijdagochtend in juli, de rustigste periode van het jaar, bijna iedereen is nu met vakantie, we stappen op bus dertien, het is er lawaaierig, een peuter jengelt en een man kijkt zonder oortjes naar een gewelddadig filmpje op zijn smartphone, een grijzende man in wit t-shirt en zwarte kostuumbroek, met blinkend zwarte puntschoenen staat onverstoord te lezen, ik zou graag weten wat hij leest, zegt mijn lief, ik denk dat er een wapen op de kaft staat, de woorden “Petit manuel” kunnen we lezen, misschien is het een handleiding wapens maken en moeten we nu de politie bellen, maar we staan te ver van hem af en de kaft is niet goed zichtbaar, in Simonis stappen we over, de man ook, we zouden hem kunnen schaduwen zeg ik, maar het is niet nodig, we stappen vooraan op de metro en hebben geluk, de man zit daar verder te lezen, we gaan aan de andere kant van het gangpad zitten, nog steeds kunnen we de titel niet zien, tegenover hem komt nu een jonge vrouw zitten met haar zoontje van vijf en haar dochtertje van drie, die gaat naast de man zitten en buigt zich meteen voorover om te zien welk boek  hij leest, het moet amusant zijn want hij glimlacht licht, ineens lezen we “Petit manuel de la transition”, mijn lief zoekt het op op zijn smartphone, het omslagontwerp is erg mooi en laat me denken aan de Marabout Flash-boekjes uit de jaren ’60 die ik verzamel, “L’Encyclopédie de la vie quotidienne”, ook het boek van de man heeft een ondertitel: “Pour tout celles et ceux qui aimeraient mais doutent qu’un autre monde soit possible”, nu zou ik hem moeten aanspreken, vragen of hij gelooft in een betere wereld en hoe hij deze zou willen realiseren, maar ik durf niet, een zwaar bewapende militair stapt op en komt pal voor me staan, ik schrik, het went niet, wie zegt dat hij mij beschermt en me straks niet neerknalt?

Krappe schoenen

Blue Monday, zogezegd de meest deprimerende dag van het jaar, ik zit op de metro met lichte hoofdpijn, verder gaat het wel, tegenover me zit een vrouw van in de dertig te telefoneren, met haar moeder, zo begrijp ik, naast haar zit een vrouw met oortjes in, zij hoeft niet mee te luisteren, het gesprek gaat over te kleine schoenen, die de moeder van de vrouw voor de kleindochter heeft gekocht, ze passen net, maar ik twijfel of ze ze op school wel zelf toe zal krijgen, zo krap zijn ze, zegt ze, en kijkt gepijnigd, als knelden haar eigen schoenen, ik begrijp haar, herken het, te klein gekochte schoenen en gekrompen nieuwe kleren vind ik ook vaak moeilijk te relativeren, haar aanblik is confronterend, ook omdat haar gezicht een heel andere taal spreekt dan haar stem, dit gaat over meer dan alleen maar schoenen, maar over de relatie met haar moeder, ik zie hoe moeilijk het is dit gesprek te voeren, hoe zij haar moed heeft verzameld, hoe wat ze zegt aan de andere kant echt niet aankomt,  het is niet de eerste keer dat ze in deze situatie is, misschien kan ik er nog krantenpapier insteken en ze zo wat oprekken, zegt ze, ik weet niet of je het ticket nog hebt en of ze nog kunnen geruild worden, “elles sont jolies, mais trop justes” besluit ze en beëindigt het gesprek zonder afscheidsgroet, dan pas ziet ze schuin tegenover haar, aan de andere kant van het gangpad een bekende, een blonde vrouw van rond de vijftig, ook zij heeft het hele gesprek ongetwijfeld gevolgd, “Ca va?” vraagt ze, de jonge vrouw antwoordt: “Ca va.”