Okselwarmte

Vrijdagochtend, ik sla de deur achter me dicht, zie dat er net een bus 14 komt aangereden, ik ren naar de halte aan de overkant, haal hem net, ik denk aan de vriend die ik soms op deze bus zie wanneer hij terugkeert van het UZ, het is een tijd geleden, ik moet hem schrijven om te vragen of alles goed met hem is, wat kan ik hem vertellen, wat is er gebeurd sinds ik hem het laatst zag, voor ik weet zijn we in Simonis, bij het afstappen staat een oude dame in de deuropening van de bus, ze vraagt of iemand haar kan helpen, ik ondersteun haar, ze heeft een gewatteerde jas aan, mijn hand onder haar arm voelt warm, ze heeft veel moeite met afstappen, ze moet echt hard op me steunen, ze draagt twee lege boodschappentassen, straks zal ze met gevulde tassen terugkeren, we zijn afgestapt, ze bedankt me, ik zou met haar mee de stad willen ingaan, samen boodschappen doen, ze dragen, haar naar huis begeleiden, zodat ze vandaag geen vreemden meer om hulp hoeft te vragen, ik zou mijn gevoel willen kunnen volgen, maar zet mijn tocht verder naar het werk, neem de metro, wanneer ik in IJzer bovengronds kom, denk ik even dat het miezert, ik steek mijn hand uit, hij blijft droog, het is de lucht die ik zie trillen.

Advertenties

Ontbijttijd

Ik ben vroeg vandaag, het is nog maar kwart voor acht, ik wacht op tram 19 bij halte Spiegel, naast me staat een treurig kijkende mooie blonde dame een pakje ontbijtkoekjes te eten, het soort dat men ons verkoopt als voedzamer en gezonder dan vieruurkoekjes, maar in werkelijkheid even vettig en gesuikerd is, de tram komt eraan, ik stap op, zij blijft staan, op de tram naast me eet een jong meisje een beetje troosteloos droge cornflakes uit een klein zakje terwijl ze een muziekje op haar mp3-speler kiest, het is ontbijttijd, op een later uur zie ik minder etende mensen, ik denk aan mijn overgrootvader zaliger die ik nooit gekend heb, toen hij eind jaren zestig een zakje chips etend de Villalaan waar hij woonde opwandelde, sprak de hele buurt er schande van, het verhaal haalde zelfs de overlevering, mijn oma vertelde het me vele jaren later, nu verbazen we ons niet meer over etende mensen op straat en vooral ook in stations, soms vind ik etend wandelen ook aangenaam, frieten, ijsjes en gepofte kastanjes vragen erom, maar het is toch erg dat vele mensen de woonst ’s ochtends met lege maag verlaten, de tijd niet nemen om gezond te ontbijten, er zijn op dit uur veel jonge mensen, schoolgaande jeugd en haast allemaal hebben ze draadjes die bungelen aan hun lichaam en verbonden zijn met oortjes in hun oren, waarom die behoefte om het leven steeds van een andere soundtrack te voorzien, ik beeld me in dat we in de toekomst ook oogjes in onze ogen zullen kunnen steken, die maken dat we de beelden bij onze tramrit zullen kunnen kiezen, dan zou ik met mijn oogjes allemaal mensen zonder oortjes kunnen zien, blije mensen die elkaar aankijken en met elkaar praten, of met zichtbare binnenpret voor zich uit staren, ook een verdrietig iemand en de passagier naast hem die spontaan zijn arm om hem heen slaat, ik zou in de tijd kunnen reizen en op elke dag in een ander decennium de tram nemen, ik zou eens helemaal alleen op de tram kunnen zitten en de volgende dag met mijn hele vriendenkring, de mogelijkheden zouden eindeloos zijn, de dagelijkse rit zou in de toekomst veel boeiender kunnen worden, maar dat zal ik allicht niet meer meemaken, dus moet ik deze mensen hier en nu voor lief leren nemen.

Flaporen

We stapten bij Simonis samen van bus dertien, zij en ik, en wat het me eerste trof, waren haar flaporen, geen grote, maar kleine ronde welgevormde oren die ver van haar hoofd stonden, toch zeker drie centimeter was er tussen haar oorschelp en haar schedel, pas daarna zag ik haar overweldigend rode jas, ik vond het vreemd dat die mijn aandacht niet eerst had getrokken, je ziet niet meer vaak flaporen, dacht ik, en zeker niet bij mooie jonge vrouwen, ze worden haast altijd in de kinderjaren geopereerd, het is geen plastische chirurgie maar een vanzelfsprekende operatie, ik volgde de mooie oren de roltrap af, kon hun achterkant nu goed zien, even later stonden we samen op het metroperron en observeerde ik haar nader, ze droeg bruine laarsjes en een jeans, daarover de halflange, felrode, in de taille gecentreerde jas, daarop een dikke wollen sjaal in zacht oranje, haar haar had precies dezelfde kleur, zacht oranje, het was opgestoken, zodat alle aandacht naar haar oren kon gaan, hoewel ze zich daar helemaal niet bewust van leek, ze droeg een fototoestel in een tasje op de heup, wat haar extra sympathiek maakte, even later haalde ze ook nog een boek boven, ik kon niet zien welk, maar toen was ik helemaal verloren, ze had iets guitigs maar het kwam toch vooral door de oren, waarom menen wij steeds te moeten ingrijpen in de natuur, ze had een reiskoffer bij, op wieltjes, wellicht is ze niet van hier, dacht ik, maar van ergens ver, ja ik was er zeker van dat ze geboren was in een land waar flaporen nog heel gewoon zijn.

Dubbelganger

Vanochtend stapte ik op tram negentien, ging zitten en schrok, de man tegenover me leek sprekend op Bart De Wever, de zwaarlijvige versie evenwel, iets ouder ook, hij had vooral sprekend dezelfde ogen, dezelfde cynische blik en die diepe dubbele groef tussen zijn wenkbrauwen als was dat zijn dagdagelijkse gelaatsuitdrukking, de gelijkenis trof mij zo, dat ik moeite had om niet naar hem te kijken, maar telkens ik keek, wierp hij me zo’n kwade blik toe dat ik meteen de mijne afwendde, maar ook dan nog voelde ik aldoor zijn boze ogen in mij priemen, het moet vervelend zijn om als het evenbeeld van Bart De Wever door het leven te gaan, dacht ik, misschien had de man aan mij gezien dat ik hem herkend had, ik bedoel, dat ik zijn gelijkenis met de politicus had opgemerkt.

Berglucht in Beekkant

Vanochtend stapte ik in Beekkant op de metro en snoof een kruidige houtgeur op die me meteen naar Oostenrijk voerde, naar het gezin waar ik als achttienjarige in de zomervakantie Duits zou leren, maar dat viel tegen want ze zeiden “Muuch” in plaats van “Milch”, ik verstond hen nauwelijks, ze woonden in een zelfgebouwd houten huis boven op een berg, aten vegetarisch en waren naturist, ik was er eerder een toerist, speelde met de vijf jonge kinderen, die heel creatief waren en ’s nachts buiten op het balkon sliepen, werkte in de bovenmaatse moestuin, plukte “Schachtelheim” in het woud waarmee ik een onkruidbestrijdend product brouwde, zeker een uur moest ik er in roeren met een houten stok, in wijzerzin en wanneer een draaikolk ontstond in tegenwijzerzin en dan weer in wijzerzin, zo eindeloos door, tot het brouwsel het toppunt van zijn middelpuntvliedende én onkruidbestrijdende kracht had bereikt en we er de tuin mee konden besprenkelen, ik werd er bedwelmd door klankschalen, we aten er “Hirseauflauf” en “Ribiselkuchen”, ik viel er in de kleine benauwde keuken flauw bij het schillen van op het houtfornuis gekookte aardappelen voor zeven personen, hielp met het schuren van balken in het tweede, grotere houten huis dat ze wat hoger op de berg aan het bouwen waren, schreef er vele brieven aan mijn lief en aan mijn ouders en ondernam dagelijks een queeste naar onze brievenbus beneden in het dal – in de hoop dat er nog een bericht was uit de bewoonde wereld.