Pluisje

Het is vakantie. Het is heel warm.

De jongste dochter verhuist binnenkort naar de kamer van de oudste dochter.

Ze wil graag wat nieuwe spullen kopen voor haar nieuwe kamer.

Een rekje, een wandplank, een prikbord en lampjes.

We gaan naar het woonwarenhuis.

We nemen de tram.

Ik ga links bij het raam zitten, mijn dochter rechts.

Met het gangpad tussen ons in.

Ik kijk naar mijn dochter.

Ze is mooi. Haar nieuwe gele jumpsuit met zonnebloemen staat haar goed.

Mijn dochter plukt iets van het t-shirt van de man die voor haar zit.

Ze gooit het omhoog.

Het is een pluisje. Van een paardenbloem, denk ik.

Het pluisje dwarrelt naar beneden, mijn dochter vangt het op en gooit het weer omhoog.

Dat doet ze telkens opnieuw.

‘Ik had nooit gedacht dat ik me zo kon amuseren met een pluisje,’ zegt ze.

Maar dan is ze het pluisje kwijt. Ze doet alsof ze verdrietig is.

Ineens komt het pluisje weer aangevlogen.

Mijn dochter gaat verder met haar spelletje.

Dan krijg ik een berichtje van mijn moeder.

Ik heb haar net ge-sms’t dat we op weg zijn naar het woonwarenhuis.

Ze antwoordt: ‘Wil je voor mij pluizenrollers kopen? (om de pluisjes van mijn breiwerk weg te rollen).’

Mijn mama breit graag. Ze kan heel goed breien. Maar nadien hangt ze altijd vol pluisjes.

Mijn mama kan niet weten dat haar kleinkind juist nu met een pluisje aan het spelen is.

Wat een toeval.

We stappen over op de metro. Het pluisje blijft achter op de tram.

In het woonwarenhuis is het rustig en fris.

We gaan zitten in de zetels. We testen een grijze driezit. Wat zit hij lekker.

In het restaurant van de winkel eten we gehaktballetjes met saus en frietjes, en een ijsje.

We kopen nieuwe glazen, want we moeten veel water drinken met het warme weer.

We vinden alles wat we nodig hebben voor de nieuwe kamer van mijn dochter.

Dan wandelen we naar de pluizenrollers.

We kopen er acht voor mijn mama en vier voor onszelf.

Pluizenrollers komen altijd van pas.

Vlakbij de pluizenrollers staat een mand met grote strooien hoeden.

Een moeder past zo’n hoed, samen met haar zoontje en haar dochtertje.

Ze zijn heel mooi, alledrie met hun strooien hoed. Ze hebben plezier.

Alsof ze op het strand zijn.

Ik zou een foto van hen willen nemen, maar dat durf ik niet te vragen.

‘Echt vakantie,’ zeg ik. ‘En het is hier nog koel en rustig ook.’

‘Meer hoeft dat niet te zijn,’ lacht de moeder.

Advertenties

Bomen

Ik loop door de lange straat die van het Jetse station naar het Spiegelplein gaat. Bij het Garcetpark wacht ik op de hoek om over te steken. Aan de overkant staat een man met kortgeschoren haar. In zijn rechterhand houdt hij een sigaret, in zijn linkerhand zijn smartphone. Hij steekt de straat over, lezend op zijn smartphone. Dan pas herken ik hem. We kruisen elkaar, ik besluit hem niet te storen. Het is nog maar tien dagen geleden dat ik hem toevallig tegenkwam, in de koelafdeling van de Colruyt. Toen vroeg hij meteen hoe het met me ging.

Intussen heb ik weinig nieuws te melden, behalve dat ik een week geleden in de smalste, rustigste straat van onze gemeente ben aangereden. En dat ik ongelooflijk veel geluk heb dat ik nog in leven ben.

Van dat geluk geniet ik in stilte – en in pijn. Ik loop hem dus voorbij, begroet hem niet.

Wanneer ik thuiskom, stuur ik hem een berichtje: ‘Ik ben je zonet gekruist in de Leon Theodorstraat maar je was druk aan het roken en op je smartphone aan het lezen. Ik heb je maar niet gestoord. Ik had je ook wat te laat herkend met je nieuwe frisse coupe!’

Hij antwoordt: “Aha 🙂 Ja, ik ben ‘gekapt’, liever dat dan de bomen.”

Wij kennen elkaar niet goed. Maar hij weet van mijn verdriet om de gekapte bomen voor mijn huis.

Ik lach.