We woonden in de mooie Richard Neyberghlaan in Laken. Zo’n vijftien jaar geleden. Ik had nog niet zo lang geleden mijn eerste kindje gekregen en zocht een parttime job met goede uren, niet te ver van huis. In de Stadskrant zag ik een aantrekkelijke vacature: de blindenbibliotheek zocht iemand om deeltijds boeken in te lezen. De blindenbibliotheek lag om de hoek. Ik wist dat ze er vaak met vrijwillige inlezers werkten. Maar dit was een betaalde job. Ik kon het me nauwelijks voorstellen. Dat ik mijn brood zou kunnen verdienen met het luidop lezen van romans. Dictie had ik nooit gevolgd, ik had een huig-r, maar geen slechte stem. Ik vond dat ik vlot en foutloos kon voorlezen, geïntoneerd maar ook niet overdreven. Ik waagde mijn kans en solliciteerde. Niet lang erna werd ik uitgenodigd voor een leesproef.
Ik kwam in een kleine opnamestudio die ik me herinner als een warme ruimte met beige tapijt en een houten cabine. Ik werd ontvangen door een vriendelijke oude man met dikke brilglazen. Hij was de technicus van de opnamestudio. Na een kort praatje mocht ik plaatsnemen in de cabine, achter de microfoon. Ik moest een stuk uit een roman van Hugo Claus lezen, ik weet niet meer dewelke, misschien ‘Onvoltooid verleden’. Het ging goed, ik had er plezier in. Ik beeldde me in dat ik voortaan, naast mijn bestaan met een baby die veel aandacht vroeg, een inlezend leven hier zou leiden, met een vriendelijke oude man die naar me luisterde en me opnam. Door het venster van mijn cabine zag ik hem zitten. Achter zijn installatie, in de rechterhoek van de smalle kamer.
Vanuit mijn ooghoeken zag ik Willy Courteaux binnenkomen. Hij nam plaats in een zeteltje in de linkerhoek van de kamer. Ik wist dat hij hier wekelijks als vrijwilliger boeken inlas. Ik kende hem als de strenge Dwarskijker en de Man in het venster van de Humo. En van zijn Shakespeare vertalingen. Ik werd een beetje zenuwachtig maar las vastberaden door, met de twee mannen als toehoorders.
Toen ik klaar was en de cabine uitkwam, stapte Willy Courteaux op me af, schudde me hartelijk de hand en zei: ‘Heel mooi gelezen!’ Wat we verder nog zeiden, weet ik niet meer. Wel dat er een warme band was tussen de twee oude mannen. Nadien kreeg ik nog een rondleiding in de blindenbibliotheek, waar toen nog heel veel audiocassettes stonden. Ik maakte een goede kans op de job, dacht ik, te meer daar het leek alsof er geen andere kandidaten waren.
Maar ik vernam niets meer. Twee weken na mijn stemproef las ik een overlijdensbericht in de krant. De naam van de overledene kwam me enigszins bekend voor. Het was de technicus van de blindenbibliotheek. Twee weken geleden had ik Claus’ woorden aan hem voorgelezen, nu leefde hij niet meer. Ik had me een toekomst met hem ingebeeld, deze was nu verleden tijd. Onze kennismaking was ons afscheid. Zonder technicus was er ook van de vacature geen sprake meer.
Willy Courteaux heb ik nadien nooit meer ontmoet. Toen ik het nieuws van zijn overlijden vernam, op 93 jaar, beleefde ik dat ene moment opnieuw. Moge hij ons van hierboven nog eens voorlezen. De technicus zit al klaar.

Willy Courteaux leest voor op de verwendag van Luisterpunt in 2009. Foto: Saskia Boets

Willy Courteaux las in totaal 200 boeken in. 20 jaar lang las hij 2 halve dagen per week boeken in voor de luisterbibliotheek. Luister naar een fragment uit ‘Het kleine meisje van meneer Linh’ van Philippe Claudel.  Een mooie passage die ook over oud en nieuw leven gaat.

Advertenties

Ontmoeting in Muntpunt

Ik ben in Muntpunt.
Muntpunt is de bibliotheek van Brussel.
Op het Muntplein.
Ik kijk bij de boeken over naaien.
Ik neem een boek uit de kast.
‘Love at first stitch’ is de titel.
Liefde op de eerste steek.
Niet op het eerste zicht.
Een man komt naar mij toe.
Ik vind hem knap.
Hij heeft een briefje vast.
‘Ik zoek,’ zegt hij.
Hij toont me het briefje.
Ik lees: ‘525’.
Hij zoekt 525.
‘Een boek over wiskunde,’ zegt hij.
De boeken over wiskunde hebben nummer 525.
‘Ik zal je helpen zoeken,’ zeg ik.
‘Misschien om de hoek,’ zeg ik.
We gaan kijken.
We zien een bordje: ‘opvoeding’.
‘Nee hier staan ze niet.’
We lopen terug.
‘Zijn we op de juiste verdieping?’ vraag ik.
We kijken op het grote bord.
Wiskunde is op de derde verdieping.
Daar zijn we. We zijn juist. We moeten verder zoeken.
‘Soms is het moeilijk,’ zeg ik.
‘Hier!’
‘Nee, hier is informatica,’ zegt de man.
‘Misschien in de volgende kast? Ja, hier! Onderaan.’
We hebben de boeken over wiskunde gevonden.
De man is blij. ‘Bedankt,’ zegt hij.
‘Graag gedaan,’ zeg ik. Ik lach. Ik help graag mensen.
Ik loop weg.
Ik kijk nog even naar de man.
Hij heeft zijn hand uitgestoken.
Hij wou mij een hand geven.
Ik zie het nu pas.
Ik ben dat niet gewoon.
Dat iemand ‘dank u’ zegt met een hand.
Ik wil teruglopen.
Zijn hand schudden.
Maar ik durf niet.
Ik ben al te ver.

Sneeuw

Begin december 2016, een natte winteravond. Ik liep naar het Kaaitheater. Bus 14 had me tot bij Thurn en Taxis gebracht. Ik had niet, zoals gewoonlijk, de metro naar Yzer genomen. Waarom ik de bus had genomen? Afwisseling is soms nodig. De bus of de metro, het zijn van die kleine beslissingen die het verschil kunnen maken in een leven, in goede of in slechte zin.

Het was donker langs het kanaal. Ik liep over de brug. In het midden van de brug werd het voetpad versperd door het statief van een fotograaf. Ik probeerde te zien wat hij fotografeerde. Het nachtelijk verkeer dat vanuit de stad de brug over reed. Ik zag de poëzie er wel van in. Ik had zin om de man aan te spreken, maar durfde niet goed. Hij was heel toegewijd bezig, leek alle tijd van de wereld te hebben. Ik niet, ik had een beetje haast. Ik liep naar het theater, haalde mijn ticket af. De fotograaf bleef in mijn gedachten. Misschien had er een verhaal in gezeten.

Tot mijn verbazing zag ik hem even later in de inkomhal van het theater. Weer had hij zijn statief opgesteld. Hij nam foto’s van de foyer en van de neon van Tim Etchells die er boven de deuren hangt: ‘Al we have is words all we have is worlds’. Ik verzamelde mijn moed en sprak hem aan. Waarom nam hij foto’s, wat deed hij ermee? Was hij beroepsfotograaf? Nee, dat niet. Hij had in de sociale sector gewerkt en was sinds enige tijd werkloos. Elke dag ging hij wandelen door Brussel om foto’s te nemen, ‘om niet gedeprimeerd te raken’. Ik vroeg of ik zijn beelden ergens kon zien, hij schreef zijn naam voor me op een briefje. Toen moesten we afscheid nemen, de voorstelling begon.
De volgende dag waren we vrienden op facebook. Zo snel gaat dat soms in deze wereld. We hadden geen gemeenschappelijke vrienden, wat ik prettig vond. We bewegen ons te vaak in dezelfde vertrouwde kringen waarin vrienden vrienden van vrienden zijn. Ik zag de foto die hij van de foyer van het Kaaitheater had genomen. Het was niet de volle foyer waarin ik me had bevonden, maar de verlaten foyer tijdens de voorstelling, met één persoon die in schemerlicht op deall-we-have-2 bank zit te wachten onder de woorden ‘Optimism in practice’.

De foto was genomen op dag 29 van de ‘Défi 365 jours’ die de fotograaf zich gesteld had. Nog 336 foto’s te gaan, nog 336 dagen rondwandelen in Brussel. Sindsdien volg ik hem. Ik vind zijn foto’s niet altijd goed. Maar het gaat niet om goed zijn. Ook niet om consequent zijn. Het gaat om het wandelen, het ontdekken, het onderzoek: van de stad en van de fotografie. De ene dag in kleur, de andere dag in zwart-wit. De ene dag bewerkt, de andere dag niet. De ene dag figuratief, de andere abstract. De ene dag een studie van gezichten weerspiegeld in ramen, de andere dag de regendruppels op die ramen. Ik deel zijn interesse voor bomen, mensen en vensters. Die keren steeds terug in zijn werk. Het is een plezier om elke dag mee te kijken naar mijn geliefde Brussel door de ogen van deze fotograaf.kim-sattler-2

Gisteren lag de eerste sneeuw van deze winter in onze stad. Ik ging niet naar buiten: het was te koud en te glad, bovendien had ik binnen te veel werk. ’s Avonds zag ik Kims foto. Een bankje in het Warandepark. Een man zit erop, met één been in de sneeuw. De voet van zijn andere been rust op de knie van het been dat in de sneeuw staat. Het been dient als een bankje voor een tengere gestalte in amazonezit. Haar benen bungelen in een grappig benenspel naast de zijne, haar voeten in elkaar gehaakt. Ze draagt een jas met grote ruiten die haar kleine lichaam benadrukken. Hun hoofden zijn versmolten in een innige kus. Ze zijn zo klein in vergelijking met de bomen. Die kijken stilzwijgend naar het leven dat beneden voorbijgaat. De vluchtigheid van de kus versus de eeuwigheid van hun kruinen.

Even ben ik het weer wier benen boven de sneeuw bungelen. Dan zoom ik uit en zie ik de fotograaf staan, een eind van hen verwijderd, in zijn aangename eenzaamheid. Ik ben hem dankbaar voor de wandeling die ik vandaag zelf niet kon maken. Hoeveel boeiende, getalenteerde mensen lopen zo nog rond in deze stad? Het enige wat je moet doen is om je heen kijken en iemand aanspreken. Het helpt om niet gedeprimeerd te raken.

Foto’s: Kim Sattler – met dank!

Vakantie in Brussel

We stappen uit in premetro Parvis de Saint-Gilles, met de glanzend blauwe tegeltjes waarop fragmenten uit de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens zijn aangebracht, één letter op elke tegel, met monnikenwerk moet het tot stand gekomen zijn. Dit indrukwekkende kunstwerk werd ontworpen door Françoise Schein. Haar naam laat misschien geen belletje rinkelen, maar zij ontwierp ook de Parijse metrohalte Concorde. “Brussel op zijn best, is Brussel op z’n Parijs” schreef Bernard Dewulf eens in de goede oude De Morgen-tijd.

In de zomer wordt Brussel weer van de Brusselaars. De automobilisten blijven dan liever buiten de ring, de pendelaars verblijven in het buitenland of binnen hun vertrouwde bebouwde kom. De toeristen, voor zover ze nog durven te komen, beperken zich tot de omgeving van Manneke Pis, met eventueel een uitstapje naar het atomium. Kortom, de Brusselaars zien hun geliefde stad weer leefbaar worden.

Het is stralend weer. Op de Parvis willen we pittazaak Chana bezoeken waarover we veel goeds hebben gelezen in Agenda toen die nog bestond. Vroeger had je hier alleen den Union en de Brasserie Verschueren, maar de voorbije jaren is het plein, mede door de aanwezigheid van deze twee authentieke cafés zo populair geworden dat je er het ene gezonde restaurantje naast het andere hippe eethuisje vindt.

Chana is met vakantie. Dan toch naar de Verschueren. Vroeger kon je hier een soep en een croque eten, vandaag niet meer. Maar we kunnen gerust wat eten gaan halen bij Manuka, de biowinkel om de hoek, zegt de vriendelijke en knappe ober. Hij beveelt ons hun lunchbox aan. We steken de straat over. We kunnen nog net de laatste lunchbox kopen, wat een geluk. En een stokbrood en een stuk kaas, voor acht euro hebben we onze lunch.

We lopen terug naar de Verschueren en begroeten documentairemaker Farzad Moloudi, die op het terras zit. Farzad maakte de aangrijpende documentaire Zone Zero, over de bezetting van de Gésukerk in de Koningsstraat door 150 mensen met verschillende achtergrond, van 2011 tot 2013. Een uniek document, aangezien hij er zelf woonde en alle gebeurtenissen van nabij volgde.

De Verschueren is afgestemd op een publiek van bohémiens. Cafés waar je je eten zelf mag meebrengen, zie je nog zelden. We krijgen zelfs bestek. We smullen bij een soundtrack van oude hits. Na het eten schrijven we elk een postkaartje. Voor onze dochters die op kamp zijn. Wanneer we bijna klaar zijn en de kaartjes uitwisselen om onze naam erop te schrijven, hoor ik nog net deze zinnen zingen voor het volgende nummer begint: “Send me a postcard darling/Send me a postcard now”. Deze noodkreet van Shocking Blue uit 1968 moet de hele tijd gespeeld hebben terwijl we aan het schrijven waren. We lachen om zoveel toeval.

We zetten onze tocht verder. We wandelen langs de lange Lyceumlaan die leeg is, geen auto’s, geen voetgangers. We komen voorbij het Athenée Royal Victor Horta, een prachtig schoolgebouw dat dringend nieuwe ramen nodig heeft. Het dateert van 1903 en werd ontworpen door gemeentearchitect Edmond Quétin, zo lees ik later._DSC0313

Dan zien we de ingang van een parkje, het Pierre Pauluspark. We besluiten een kleine omweg te maken en er even door te wandelen. We komen terecht in een sprookjesachtig park met grote hoogteverschillen. Het is geïnspireerd op de romantische Engelse tuin, lees ik achteraf in de inventaris van het natuurkundig erfgoed van Brussel. We kunnen onze verbazing niet op over dit vrij goed verstopte bijzondere parkje, vooral wanneer een kip met haar tien kuikentjes voor onze voeten een smal paadje oversteekt. Dromen we? Is dit Brussel?

Via de Bordeauxstraat gaan we verder. Ook daar weer een mooi maar erg verwaarloosd schoolgebouw, de gemeenteschool J.J. Michel. Later verneem ik dat het ontworpen werd door dezelfde architect als de Victor Horta-atheneum, Edmond Quétin, in 1891. Er zijn zoveel verkommerde schoolgebouwen die hoogdringend aan renovatie toe zijn. Dan zien we rechts van ons een opmerkelijk modernistisch huis. Het dateert van 1931 en is ontworpen door F. Vervalcke/A. Marit. Er is weinig geweten over dit duo en dit is hun enige huis in Brussel. Misschien dat we er daardoor nog nooit van gehoord hebben. Maar wat een prachtig huis met die gedurfde oranje-zwarte facade. We zijn jaloers op de bewoners.

We steken de Chaussée de Charleroi over en komen aan bij het einddoel van onze wandeling: de tentoonstelling van Jean Prouvé in La Patinoire Royale, een galerie die vorig jaar zijn deuren opende in een voormalige rolschaatsbaan. De renovatie van het gebouw uit 1877 is ronduit indrukwekkend. Sober maar met de mooiste, duurste materialen. Wanneer we even naar de blinkende wc gaan, hebben we het gevoel in een vijfsterrenhotel te gast te zijn. Wat een contrast met de verwaarloosde schoolgebouwen die we op onze weg zagen. Waarom investeren rijke mensen vaker in galerieën met dure kunst, dan in onderwijs, in jeugd, in de kunstenaars van morgen vraag ik me ietwat naïef af. Jean Prouvé is een meubelontwerper wiens kasten, stoelen en tafels nu enorm gegeerd zijn. Zijn ontwerpen zijn eenvoudig, functioneel, solide, elegant, ingenieus, modern en warm. In La Patinoire Royale staat, behalve een selectie van zijn meubels, een paviljoen van hem opgesteld dat oorspronkelijk als klaslokaal was bedoeld. Er omheen een houten terras en een vijver met vissen. Het kan niet op.

Verbluft staan we even later weer op straat. We kijken uit op de lege, zonnige Rue Blanche, een smalle straat met statige witte huizen die van Haussman zouden kunnen zijn, oude straatlantaarns en volle boomkruinen die haar overkoepelen. Brussel op z’n Parijs.

_DSC0346

Herfstige zondag

De voorlaatste zondag van augustus, de laatste dag van mijn vakantie. Het waait en het regent. Je zou denken dat de herfst is begonnen, als ze niet voor de komende dagen, wanneer ik weer werk, tropische temperaturen hadden voorspeld. Ik kijk uit het raam. Veel marktkramers van de zondagsmarkt zijn thuisgebleven. Zij die er die wel zijn, krijgen hun kraam door de wind maar moeizaam opgesteld. Mijn plan om naar het Vossenplein te gaan, laat ik varen. Ik trek mijn regenjas boven mijn nachtkleedje aan, om pistolets te halen bij het bakkerskraam dat voor onze deur op de stoep staat. Er is nog niemand, de bakkerin zit rustig haar koffie te drinken. Ik zie meteen dat ze haar nieuwe kunstgebit in heeft. Vorige week heeft ze het al aangekondigd. Al jaren ken ik haar met slechts twee boventanden. Ze leek daardoor op een lieve heks, ook omdat ze lang en smal is, bleek ziet en een stevige neus heeft. Makkelijk verstaanbaar was ze nooit. Ze heeft nu een stralende lach terwijl ze mijn pistolets en boterkoeken in een zak steekt. Het verschil is immens – ze is iemand anders. Ze praat zacht, moeizaam nog. Ze klaagt over de pijn. Pas half september zal ze weer kunnen eten. Ze heeft maagpijn doordat ze zo slecht kan kauwen. De tijd die ik win omdat ik niet naar de bakkerij drie straten verder hoef te lopen, verlies ik omdat de bakkerin me zo lang aan de praat houdt. “Iedereen zegt dat ik er nu tien jaar jonger uitzie. Maar mij kan het niet veel schelen.” Ik zeg dat ik kou heb en weer naar binnen ga en wens haar goede moed. Tot volgende week, dan zal het wel al beter gaan.

Een straatje in Molenbeek

 

VermicelliEen somber en vuil straatje in Molenbeek: de Vermicellifabriekstraat. Mocht ik er wonen, dan zou ik mijn adres ongetwijfeld in het Frans zeggen: Rue de la Vermicellerie. Het genot die “vermicellerie” over mijn tong te laten rollen… Het is in Brussel heel gebruikelijk dat je als Nederlandstalige bepaalde straatnamen in het Frans zegt. Zo noemt iedereen de Maria Christinastraat de rue Marie-Christine, of zelfs kortweg de Marie-Christine. Weinigen zeggen Vlaamsesteenweg, want het is een foute vertaling van Rue de Flandre. De woorden avenue en boulevard verliezen hun grandeur in het Nederlands, waar ze allebei “laan” heten. Een Brusselaar kiest de bekendste of de best klinkende naam, vaak de Franse. De Boulevard Anspach of de Anspachlaan, de keuze is snel gemaakt. Dat laat me denken aan de “Avenue du Boulevard” in Sint-Joost. In het Nederlands heet die natuurlijk niet de Laanlaan, maar de Bolwerklaan.

De Vermicellifabriekstraat. Ik passeerde er vandaag voor de tweede keer, en meteen voelde ik hetzelfde als de eerste keer. Een instant-geluksgevoel. Vermicelli, het laat me denken aan de soepen van mijn grootmoeder. Net als tapioca, een op kikkerdril gelijkend ingrediënt zonder enige smaak. Ze zijn een beetje in onbruik geraakt. Marokkanen gebruiken nog veel vermicelli in hun keuken, in soepen of in gefrituurde hapjes. Zou deze straatnaam van voor of na hun komst dateren?

Er staat geen vermicellifabriek in de Vermicellifabriekstraat. Zoals er in de betonnen Peterseliestraat geen sprietje groen groeit. Maar dat bederft de pret niet, nee, het prikkelt de fantasie.

Soms heb ik weinig nodig om vrolijk te worden. Een bordje met “Rue de la Vermicellerie” is al voldoende. Zelfs als het een troosteloos straatje is, en een miezerige dag.

Het ivoren aapje

Na het werk liep ik nog even de stad in
Ik moest nog even naar de Nieuwstraat
Ik dacht, ik loop langs Het Ivoren Aapje
Het was een eeuwigheid geleden
Ik was benieuwd welke boeken het toeval me zou brengen

Ik keek in de etalage
In het midden stond overwegend Russische literatuur
“Eerste liefde” van Toergenjev
Toen richtte ik mijn blik wat meer naar links
Hij viel op de titel “De man voor het venster”
Wat ik grappig vond
Vermits ik daar een vrouw voor het venster was
Toen zag ik pas dat het van Maurice Gilliams was

Ik ging naar binnen
Vroeg wat het boekje van Gilliams kostte
En of ik het eens mocht inkijken
“Boek” verbeterde de verkoper me
Het was inderdaad dikker dan ik dacht
Hij pakte het en zei
Dertien euro
Dat vond ik een gelukkige prijs
Ik doorbladerde het en zag dat er artikels in zaten
Een kaart
En tekeningen

Ik kocht het
Zag de verkoper nog wat nieuwsgierig kijken
Misschien in de hoop dat ik uitleg zou geven bij mijn aankoop
Maar dat deed ik niet

Ik ging naar buiten, het boek nog in de hand
Zag aan de overkant een goede vriend
Ik zwaaide met de ene hand, stak met de andere het boek op
Hij stak de straat over
We keken er samen in
Ik zag op zijn gezicht hetzelfde plezier als ik voelde
Misschien zelfs een tikkeltje jaloezie
Wat heb je ervoor betaald, vroeg hij

Dertien euro
Dat is niet te veel, zei hij
We namen afscheid

Later op de metro doorbladerde ik het boek
Het is gedrukt in 1943
Het werd gekocht in januari 1955
De kindertekeningen dateren van 1954
De lidmaatschapskaart van het Thijmgenootschap
– Vereniging tot het bevorderen van de beoefening der wetenschap onder katholieken in Nederland – van 1964
Het artikel uit Elsevier van 1980
In de loop van zijn leven heeft Drs. K.C.J.W. de Vries uit Maastricht
Van tijd tot tijd dit boek geopend
En er iets tussen gestoken

Er staat een mooi ex-libris in met een vlinder erop

Dubbelganger

Vanochtend stapte ik op tram negentien, ging zitten en schrok, de man tegenover me leek sprekend op Bart De Wever, de zwaarlijvige versie evenwel, iets ouder ook, hij had vooral sprekend dezelfde ogen, dezelfde cynische blik en die diepe dubbele groef tussen zijn wenkbrauwen als was dat zijn dagdagelijkse gelaatsuitdrukking, de gelijkenis trof mij zo, dat ik moeite had om niet naar hem te kijken, maar telkens ik keek, wierp hij me zo’n kwade blik toe dat ik meteen de mijne afwendde, maar ook dan nog voelde ik aldoor zijn boze ogen in mij priemen, het moet vervelend zijn om als het evenbeeld van Bart De Wever door het leven te gaan, dacht ik, misschien had de man aan mij gezien dat ik hem herkend had, ik bedoel, dat ik zijn gelijkenis met de politicus had opgemerkt.