Onder het station

Enkele maanden geleden maakte ik een bijzondere avondwandeling in het Jetse Boudewijnpark. Het was een erg warme dag geweest. In de vooravond had het hard geregend. Rond een uur of acht ’s avonds was het weer opgeklaard. Ik besloot te gaan wandelen. Ik herkende het park niet meer. Het was in een mysterieuze nevel gehuld. Ik was er alleen. Ik leek in een fantasiewereld terecht te zijn gekomen. Ik nam veel foto’s en schreef er een verhaal over. Niet veel later zond ik enkele foto’s uit deze reeks in voor de wedstrijd ‘Jette in beeld’. Tot mijn blijdschap werd een van de foto’s uitgekozen. Deze komt in de voetgangerstunnel onder het Jetse station te hangen. Samen met de foto’s van zeven andere Jetse fotografen: Caroline Adam, Paul Barbieux, Willy Dirckx, Fabrice Grégoir, Michel Picard, Ludivine Szaba en Werner Van den Mooter. We exposeren ons werk ook in Atelier 34zero muzeum.

De tunnel onder Jette station wordt ingehuldigd op 29/09 om 18u30. Welkom!

Expo Jetse fotografen in Atelier 34zero van 29/09-07/10

Lees hier over mijn bijzondere wandeling.

Advertenties

Bomen

Ik loop door de lange straat die van het Jetse station naar het Spiegelplein gaat. Bij het Garcetpark wacht ik op de hoek om over te steken. Aan de overkant staat een man met kortgeschoren haar. In zijn rechterhand houdt hij een sigaret, in zijn linkerhand zijn smartphone. Hij steekt de straat over, lezend op zijn smartphone. Dan pas herken ik hem. We kruisen elkaar, ik besluit hem niet te storen. Het is nog maar tien dagen geleden dat ik hem toevallig tegenkwam, in de koelafdeling van de Colruyt. Toen vroeg hij meteen hoe het met me ging.

Intussen heb ik weinig nieuws te melden, behalve dat ik een week geleden in de smalste, rustigste straat van onze gemeente ben aangereden. En dat ik ongelooflijk veel geluk heb dat ik nog in leven ben.

Van dat geluk geniet ik in stilte – en in pijn. Ik loop hem dus voorbij, begroet hem niet.

Wanneer ik thuiskom, stuur ik hem een berichtje: ‘Ik ben je zonet gekruist in de Leon Theodorstraat maar je was druk aan het roken en op je smartphone aan het lezen. Ik heb je maar niet gestoord. Ik had je ook wat te laat herkend met je nieuwe frisse coupe!’

Hij antwoordt: “Aha 🙂 Ja, ik ben ‘gekapt’, liever dat dan de bomen.”

Wij kennen elkaar niet goed. Maar hij weet van mijn verdriet om de gekapte bomen voor mijn huis.

Ik lach.

Na de regen

Het is avond.
Het heeft geregend.
Het heeft heel hard geregend na een warme dag.
Nu is het gestopt.
Ik ga naar buiten.
Naar het park.
Elke avond wandel ik in het Boudewijnpark.
In het park is er goede lucht.
Er is vandaag niemand in het park.
Ik ben alleen.
Ik herken het park niet.
Het is anders.
Zo heb ik het park nog nooit gezien.
Er hangt mist.
Maar het is geen mist.
Het zijn geen wolken die naar beneden zijn gekomen.
Het is de regen die als rook uit de warme grond komt.
Zo mooi.
Net een sprookje. Of een film.
Ik ben in een andere wereld. Of is dit de hemel?
Het ruikt heel lekker.
Naar gras en naar daslook.
Fris en pittig.

Een wandelaar komt voorbij.
‘Bonjour,’ zegt hij.
Hij zegt dag omdat er niemand anders is.
Ik loop verder.
Ik maak veel foto’s.
Ik hou veel van bomen.
Al van toen ik kind was.
Ik ben graag dicht bij bomen.
Nu zijn de bomen dicht bij mij.
Ze komen naar mij toe.
Alsof ze tegen mij spreken.
Mij troosten.
Mij alleen.
Waar zijn alle mensen?
Denken ze dat het nog regent?
Zitten ze binnen voor de tv?
Zo spijtig.Ik kom bij de vijver.
Nog nooit was het hier zo stil.
Ineens ben ik bang.
Ik zit in een griezelfilm.
Straks komt er een monster. Of een zombie.
Maar het is ook romantisch.

Ik wil hier niet weg.
Dit zou ik willen tonen.
Aan mijn vrienden, aan mijn familie.
Ik loop naar de overkant van het park.
Naar de andere vijver, bij de speeltuin.
Ik denk aan een schilderij.
Er zijn geen kinderen in de speeltuin.
Zo stil is het hier nog nooit geweest.

Snoeilingen

In de Vanderborghtstraat valt altijd iets te beleven. Misschien omdat het er zo rustig is. Bijna geen verkeer, weinig voetgangers. Of omdat ze zo lang is en zo breed. Of omdat ze door twee gemeenten loopt – Koekelberg en Ganshoren. In plaats van bus 13 of 14 te nemen, loop ik heel graag van Simonis tot aan mijn huis via de Vanderborghtstraat. Die wandeling duurt ongeveer een kwartier.

De ene keer vind ik er in een doos met afgedankte boeken de sprookjes van Godfried Bomans. De andere keer een ronde rode poef of een grote bruine fluwelen sofa. Of kamerplanten in kleurige cache-pots die worden uitgelaten op een vensterbank. In de zomer bloeien er de prachtigste clematissen en stokrozen. Eén keer vond ik er een mooi oud nachtkastje. Het staat nu, glanzend wit geschilderd, naast het bed van mijn dochter.

In de Vanderborghtstraat is het goed wonen. Ik ken een man en een vrouw die een huis wilden kopen en zeiden: ‘Het maakt niet uit wat voor huis het is, als het maar in de Vanderborghtstraat ligt.’ Dat vertelden ze me op de jaarlijkse rommelmarkt in september, waar de bewoners hun overbodige spullen voor de deur uitstallen. Het buurtcomité van de Vanderborghtstraat is erg actief. In de straat wonen ook twee gedreven politici. Burgemeester van Jette Hervé Doyen en Brussels parlementslid voor Groen Annemie Maes. Ongetwijfeld leveren ook zij een bijdrage aan het aangename karakter van deze straat.

Vanmiddag liep ik dus nog eens door de Vanderborghtstraat. Ik zag dat er hier en daar mozaïektegels zijn gelegd. Vast en zeker het werk van Jean-Christophe Duperron of zijn cursisten. Deze mozaïekmaker en -restaurateur heeft in de Vanderborghtstraat zijn eigen privé-school Art Mosaico, die zeer het bezoeken waard is.

Meer dan de mozaïektegels, wekte iets anders mijn aandacht. Het groenafval in de Vanderborghtstraat zou worden opgehaald. Snoeisel weet mij altijd te boeien – net als op straat achtergelaten schoeisel trouwens, dat ik steeds fotografeer. Ik kijk er graag naar, het tijdelijke, afgedankte groen op de grijze stoeptegels. De kronkelende samengebonden takken. Het groen is grillig en gaat nooit gewillig in de voorbestemde groene zakken. Het vergt enige creativiteit om het bijeen te houden. Er komt stapeltalent en vlechtwerk aan te pas, touw of wol of zelfs een paar versleten panties. Vol verbazing kan ik ernaar staren.

Een openluchttentoonstelling van sprietjes, blaadjes, struiken, takken, twijgen, stammen en stronken. Afgemaaid, afgeknipt, afgezaagd of omgehakt. Soms zou ik die snoeilingen willen meenemen en me er in mijn kleine stadstuin mee omringen.

Toeval

Waar word ik gelukkig van?

Ik word gelukkig van ’s ochtends vroeg in Brussel op stap zijn.

Ik douche, ontbijt en ga dan meteen naar buiten.

Vandaag moet ik naar de dokter.

Om tien over acht sta ik bij de tramhalte.

Ik neem tram 19 naar Stuyvenberg.

Ik ben 20 minuten te vroeg.

Het is heel koud. Ik hou van de kou als de zon schijnt.

Ik wandel langs de Houba de Strooperlaan.

Daar staan mooie huizen. En je kan het atomium zien aan het einde van de straat.

Ik zie drie doodkisten in een etalage.

Het zijn ecologische doodkisten.

Een kist van karton met bloemen erop.

Een blauwe kist van hout.

En een kist van riet. Hij lijkt op een picknickmand.

Ik ril. De kisten maken mij bang.

Het is tijd om naar de dokter te gaan.

Een uur later sta ik weer op straat.

Ik loop weer naar de tramhalte.

Tram 19 komt er net aan.

Ik spring op de tram.

Ik rijd graag met de tram door de stad.

De tram rijdt snel en je kan goed naar buiten kijken.

We komen voorbij het park en het kerkhof van Jette.

Ik moet bijna afstappen. Bij halte Astrid.

Bij de halte staat een grote man met een bruine jas en een rode muts.

Ik zou hem uit een miljoen mensen herkennen.

Het is mijn man.

De tram stopt. De deuren gaan open.

Mijn man stapt achteraan op de tram. Ik ga vooraan afstappen.

Maar ik stap niet af.

Ik loop door de tram naar mijn man.

Ik kijk naar hem. Hij ziet mij niet.

Hij biept met zijn MOBIB-pas.

Ik leg mijn hand op zijn arm.

Dan ziet hij mij.

We geven elkaar een kus.

Hij bloost.

Hij begrijpt het niet.

Ik leg het uit.

‘Ik ben naar huis gekomen met de tram. Jij gaat naar je werk met dezelfde tram.’

‘Waarom ben je niet afgestapt?’ vraagt hij.

‘Omdat ik jou zag,’ zeg ik. ‘Ik rijd nog één halte met je mee.’

Wat een toeval dat we dezelfde tram genomen hebben.

Het toeval kan heel mooi zijn.

Zeker als je verliefd bent.

Bloost mijn man daarom?

Bij halte Spiegel geven we elkaar nog een kus.

Ik stap af.

‘Tot vanavond!’ zegt mijn man.

‘Tot vanavond!’

Winterochtend

_DSC3937 (2).JPGEr is weinig wat mij zo gelukkig maakt als vroeg in deze stad op pad zijn. ’s Ochtends douchen, ontbijten en dan meteen naar buiten. Vanochtend heb ik een doktersafspraak. Om tien na acht sta ik bij de tramhalte. Ik neem tram 19 richting De Wand. Bij Stuyvenberg stap ik uit. Ik hou van de buurt rond Stuyvenberg, met de Eendjesvijver en de zijstraten van de Houba de Strooperlaan die uitkijken op het atomium. Er staan veel prachtige herenhuizen in deze buurt. Ik ben twintig minuten te vroeg. Ik wandel langs de mooie laan met geen ander doel dan wat tijd voorbij te laten gaan. Ik geniet van de kou. De koude doet enorm veel deugd.

Op de Houba de Strooperlaan zie ik een zaak met ecologische doodkisten. Er staan drie kisten in een verder lege etalage. De ene lijkt van wit karton, er zijn lelijke lelies op geschilderd. De andere is van hout, hij heeft de kleur van een stralend blauwe hemel. De middelste kist is van riet. Het lijkt een picknickmand, maar dan voor een lijk. Deze kisten staan hier zo troosteloos op een rij. Ze zijn lelijk en goedkoop. Ze passen totaal niet bij elkaar. En ze staan rechtop. Dat is raar. Een kist moet liggen. Een huivering gaat door me heen. Dan is het tijd voor de dokter.

Een uur later sta ik weer op straat. Zal ik nog even naar de nabije Albert Heijn gaan? Als halve Nederlandse heb ik soms heimwee naar eten uit mijn kindertijd, zoals krentenbollen en Calvé pindakaas.

Nee, ik ga naar huis. Ik stap naar de tramhalte bij de Eendjesvijver. Er stopt net een tram, ik ren om hem te halen. Ik spring op de tram. Mijn wangen voelen rood. Warm van het praten met de dokter, bevroren door de kou. De tram is het fijnste vervoermiddel. Niets heerlijkers dan door deze stad te zoeven en naar buiten te kijken. We passeren het Jeugdpark en vervolgens het kerkhof van Jette.

Ik nader mijn afstaphalte, Astrid. Bij de halte zie ik een grote man met een beige jas en een bordeaux muts. Ik zou hem uit miljoenen meteen herkennen. Hij steekt er altijd een beetje bovenuit. Het is mijn man. Hij kijkt door zijn grootte dan weer altijd een beetje over me heen. Ik sta op het punt vooraan van de tram te stappen, hij staat klaar om achteraan op te stappen. Ik loop door de tram naar hem toe. Hij stapt op, haalt zijn metropasje boven, laat het biepen. Het is vreemd je geliefde te bespieden. Pas wanneer ik vlak naast hem sta en mijn hand op zijn arm leg, ziet hij mij. Intussen zijn de tramdeuren gesloten.

We kussen elkaar. Hij bloost. Eerst begrijpt hij het niet. Dat ik ben gekomen met de tram waarmee hij vertrekt. Ik moet het uitleggen. Waarom ik niet afstapte? ‘Omdat ik je zag. En jij achteraan opstapte. Ik rijd een halte met je mee,’ zeg ik. Het is laat. Het is kwart na tien. Meestal is hij nu al lang vertrokken. Er was veel toeval nodig om deze ontmoeting plaats te laten vinden. Alsof het zo moest zijn. Een toevallige ontmoeting is intens. Ook als je elke nacht samen slaapt. Bloost hij daarom?

Bij halte Spiegel kussen we elkaar nog eens. Ik stap ik af. ‘Tot vanavond!’

Op zoek naar Pêle-Mêle

Ik ben op zoek naar Pêle-Mêle, de bekende Brusselse tweedehandsboekenwinkel. In geen eeuwigheid ben ik er nog geweest. Mijn man was er onlangs. Hij heeft me gezegd dat de zaak in al die jaren niet veranderd is. Dat er nog steeds zo’n gezellige sfeer hangt en dat je er echt koopjes kunt doen. Daar wil ik me van vergewissen. Ik weet niet meer precies waar de boekhandel gevestigd is, zo lang is het geleden.

Ik wandel van het Anneessensplein naar de Beurs. Ik loop aan de schaduwkant van de straat. De schrale noordoostenwind die het kmi vanochtend voorspelde, maakt dat het bij 4°C stevig lijkt te vriezen. Ik wil aan de overkant gaan lopen, waar de zon schijnt. Bij het oversteken zie ik mensen gewoon in het midden van de Lemonnierlaan lopen. O ja, dit is de voetgangerszone. Ik ben er nog steeds niet aan gewend. Ik loop dan ook maar in het midden van de boulevard.

Ik kom voorbij het voormalige Italiaanse restaurant de ‘Rugantino’. Het is nog steeds gesloten. Het ziet er ook niet naar uit dat het binnenkort zal heropenen. Hoe lang is het geleden dat het restaurant bij een gasexplosie zwaar beschadigd raakte? Zou het prachtige interieur nog te restaureren zijn? In gedachten proef ik weer de flinterdunne pizza’s, ik zie weer de altijd norse obers, ik hoor weer de pianist die hier geregeld zat te spelen. Ik denk aan de mooie avonden die ik hier doorbracht, in wisselend gezelschap. Ik denk aan mijn nonkel, de bon vivant, die me dit restaurant leerde kennen. Voor hem en zijn vrouw was het hun tweede huiskamer. Wanneer ik hier kwam eten, was er veel kans dat ik hen tegenkwam. Nu is het zeker een jaar geleden dat ik mijn nonkel zag. Hoewel we allebei in Brussel wonen, gaan we uiterst zelden bij elkaar op bezoek. In twintig jaar ben ik misschien vijf keer bij hem thuis geweest, hij nooit bij mij. We komen elkaar niet zo vaak tegen. Soms eens in het theater.

Hoor ik mijn nonkel nu spreken in mijn hoofd? Het is zijn stem. Ik kijk opzij en zie een buik onder een beige regenjas. Daarboven een hoofd onder een donkere muts. Ik herken hem niet meteen. Ik ga een klein beetje dichterbij. Ja, het zijn mijn nonkel en zijn vrouw. We moeten al even naast elkaar hebben gelopen. Ook zij herkennen mij niet meteen. Ik heb ook een muts op en ze hebben me nog niet gezien met mijn nieuwe bril. Ik vertel dat ik net aan hen aan het denken was, omdat ik de Rugantino passeerde. ‘We zijn de patron een tijd geleden tegengekomen. Hij zei dat hij in december zou heropenen. Maar het is nog steeds dicht. Al vijf jaar. Waarschijnlijk heeft hij er geen zin meer in. Hij was al oud. Hij geniet nu zeker van zijn pensioen.’
Ik wandel verder met mijn nonkel en zijn vrouw door de voetgangerszone. Een kort eindje praten we wat bij. Mijn tante neemt afscheid bij de Delhaize waar ze haar boodschappen gaat doen. Ik wandel met mijn nonkel door tot aan de Brouckère. Ik vraag waar hij mee bezig is. Met een boek over Oostende, zegt hij en met een radio-uitzending over mei ’68. Met naar de cinema gaan en met heel veel lezen. Ik vraag wat hij leest. ‘Annie Ernaux – zware kost.’ Ik hoop dat ik later een even actieve gepensioneerde zal zijn.

We komen aan bij de Brouckère. Mijn nonkel gaat naar Muntpunt, ik ga de metro in. We nemen afscheid. Wie weet duurt het weer een jaar eer we elkaar nog eens zien.

Pêle-Mêle vind ik wel een volgende keer.

Sneeuw

Vanochtend ging ik naar mijn osteopaat. Mijn nek zat al tien dagen geblokkeerd. Ik begaf me door de sneeuw naar de halte van bus 49. Die kwam er snel aan. Ik hoefde niet lang in de kou te wachten. Ik hoefde ook niet lang op de bus te zitten. Na tien minuten kwam ik aan bij de mooie cité van Diongre in Molenbeek. Ik was twintig minuten te vroeg, maar dat deerde me niet. Ik las een boek in de knusse roze barokke fauteuil in de warme wachtzaal van mijn osteopaat. Daarna kreeg ik een heerlijke, diepe, soms een beetje pijnlijke massage. Ik hoorde dat de osteopaat, een zachte gespierde kerel, er buiten adem van was. Hij legde een warmtekussen op mijn rug en liet me even rusten. Na tien minuten kwam hij me kraken. Ik kon nu weer goed bewegen. Ik kon er weer voor drie maand tegen.

Nog snel deed ik wat boodschappen bij de Carrefour om de hoek. Zo hoefde ik vandaag niet meer buiten te komen. Er was tien centimeter sneeuw voorspeld. Met mijn zware boodschappentas schuifelde ik de straat over naar de bushalte. Daar stond een bus 49 klaar. Ik stapte op. Het duurde heel lang eer de 49 vertrok. Hij reed twee haltes verder. De chauffeur zei: ‘Verder geraak ik niet. Jullie moeten hier afstappen.’

Ik stapte af, liep met mijn zware tas richting Basiliek. Mijn handen bevroren, ik was mijn handschoenen vergeten. Ik stak één hand in mijn jaszak, met de andere hand moest ik mijn paraplu vasthouden. Wanneer de hand te koud werd, wisselde ik de paraplu van hand en verwarmde de koude hand in de jaszak. Mijn schoenen waren ook niet waterdicht genoeg voor de dikke laag sneeuw. Mijn voeten werden nat. Ik begaf me naar de halte van de 19, wachtte daar tien minuten. Ook de tram kwam niet. Een oude dame zei dat ze te voet zou verder gaan. ‘Wees voorzichtig,’ maande ik haar aan. ‘Hoe is het toch mogelijk, ik heb een vriendin in Rusland, daar is het soms -50°C. En hier, van zodra het een beetje vriest, ligt het hele leven plat.’ Ze vertrok. Ik besloot ook te voet te gaan.

Mijn tas woog erg zwaar. Langzaam voelde ik de weldaad van de osteopaat wegebben. Toen zag ik iets liggen op straat. Bovenop een vuilniszak. Een kerstboom van donker hout, een soort letterbak. Hij was oud en duidelijk zelfgemaakt. Er lag een beetje sneeuw in, maar hij was in goede staat. Wat een mooi ding. Ik zou er zeker een nieuwe bestemming voor vinden.

Dit was de beloning voor de vermoeiende voettocht. Ik was nu nog zwaarder geladen en kon mijn handen ook niet meer in mijn jaszakken verwarmen. Dat deerde me niet. Langzaam wandelde ik verder naar huis.

Ochtendwandeling

Donderdagochtend. De oudste dochter wil graag haar winterjas aan, hoewel de herfst nog moet beginnen. De winterjas is in de stomerij. Ik beloof hem vandaag te zullen halen. Wanneer man en dochters vertrokken zijn naar werk en school vertrek ik ook. Het is uitstekend weer om te wandelen: koud maar zonnig, een vrij stevige wind zorgt voor gezonde lucht. Ik vertrek naar het park.

Ik wandel langs het Homeplein. Wat een vreemde naam toch. ‘Waar woon je?’ ‘Op het Homeplein.’ Lijkt me niet fijn om te zeggen. Gekke combinatie van Engels en Nederlands. Huisplein zou ook een beetje absurd zijn. Een zekere charme heeft het plein wel. Misschien verwijst de naam naar home sweet home. Maar een home is ook een rusthuis. Geen home te bekennen hier. Hoe zou het plein aan zijn naam komen?

Ik kom bij het boekenkastje. Ik open het luikje. In het boekenkastje ligt een grote stapel Delhaize magazines en vier versleten videocassettes. Niet echt leesvoer. Ik sla rechtsaf, de cité in.

Hier staan bijna allemaal dezelfde huizen met gezellige voortuintjes. Het is hier zo stil, je zou vergeten dat je in Brussel bent. Eén grijs huis valt me op, ik heb het gevoel dat de bewoners er gelukkig zijn. Ik lees de namen op de deurbel: Thierry Donatienne Arthur Zoë. Altijd mooi als het hele gezin met de voornaam op de deurbel wordt vermeld. Het leven moet hier heel anders zijn dan langs mijn drukke laan. De geur van een heerlijke stoofpot waait me tegemoet. Hij komt uit het kruideniertje dat in deze woonwijk ligt. Kleine kruideniertjes fascineren me. Ze hebben allemaal hun eigen persoonlijkheid. Altijd vind je er wel iets wat je nergens anders vindt. Vaak spring ik er binnen. Maar nu niet.

Bij de ingang van het park doet een jonge gespierde man stretchoefeningen. Zijn fiets staat een eindje verderop. Zijn smartphone ligt op het zadel. Dat kan nu gerust, het is zo stil in het park, hij zal niet gestolen worden.

Ik loop naar mijn bankje, sla mijn boek open. Ook in mijn boek is een jongeman aan het sporten. Hij krijgt basketbaltraining op een highschool in Amerika. Zijn coach zegt hem dat hij om te scoren niet naar de vliegende bal mag kijken, maar steeds de basket in de gaten moet houden. Dat is moeilijk. In de verte hoor ik spelende kinderen op de speelplaats van de school die aan het park grenst. Een jogster komt voorbij. Net voor mij kruist ze een grootouderpaar met een jongetje in de buggy. Er vallen twee druppels op mijn boek. Even lijkt het bij die twee druppels te blijven. Maar dan begint het toch stevig te regenen. Ik heb geen paraplu bij. Ik zet mijn kap op en loop het park uit.

Ik ben bij de spoorweg. Het regent niet meer. Zal ik de wat onaangename tunnel onder de spoorweg nemen of nog wat verder wandelen, over de brug van Magritte heen? Magritte beeldde de brug af op ‘Le mal du pays’ – één van zijn meest persoonlijke schilderijen. Hij maakte het kort na de inval van de Duitsers in 1940. De schilder beleefde toen ook op persoonlijk vlak een moeilijke periode. Ik ga toch maar onder de spoorweg door. Dan nog een stukje door het kleine park. Nu ben ik bij de Delhaize. Heb ik nog iets nodig?

Gladfolie. Misschien nog iets anders. Ik ga de Delhaize binnen, neem een mandje. Neem wat druiven en de folie. Ook hier is het nog kalm. Een paar oude mensen doen hun dagelijkse boodschappen. Uit de luidspreker klinkt ‘Head over heels’ van Tears for fears. Twaalf jaar was ik toen dat liedje werd uitgebracht. Ik hield van Tears for fears en van zanger Curt Smith. Hij hing boven mijn bed. Het lied wordt onderbroken voor reclame. Dan gaat het verder. Zullen ze het tot het einde spelen, wanneer een elektronisch vervormde stem ‘Time flies’ zingt? Ik blijf nog even dralen tot ik de laatste woorden hoor.

Ik begeef me naar de kassa. Een grote, stevige, beetje afgeleefde man is voor me. De caissière wijst hem erop dat hij twee kranten heeft genomen. De man zegt dat de andere krant voor zijn moeder is. Dat maakt hem sympathiek. Hij vraagt de caissière of ze al lang terug is. Ze vertelt dat ze veertien jaar in deze Delhaize heeft gewerkt, vervolgens vier jaar in Basilix en nu alweer twee jaar terug hier. Ik reken. Twintig jaar aan een kassa. Hoeveel biepjes zouden dat zijn? ‘Vous avez toujours bonne mine,’ zegt hij. Nu heeft de caissière pas echt bonne mine. Ze straalt nog steeds als ze mijn boodschappen inscant. Ik steek de gladfolie en de druiven in het opvouwbaar Magritte-tasje dat steeds in mijn handtas zit. Een blauwe duif vliegt door de blauwe lucht boven de blauwe zee, wolken vullen zijn lichaam.

Ik loop naar huis. Het is weer beginnen te regenen. De wandeling heeft geen deugd gedaan. In gedachten loop ik hem nog eens. Misschien kan ik erover schrijven. Spijtig dat ik geen foto’s heb gemaakt. Ik heb er geen enkel moment aan gedacht.

Morgen ga ik mijn wandeling opnieuw maken, denk ik. Een beetje verheug ik me erop.

Bewaren

Sneeuw

Begin december 2016, een natte winteravond. Ik liep naar het Kaaitheater. Bus 14 had me tot bij Thurn en Taxis gebracht. Ik had niet, zoals gewoonlijk, de metro naar Yzer genomen. Waarom ik de bus had genomen? Afwisseling is soms nodig. De bus of de metro, het zijn van die kleine beslissingen die het verschil kunnen maken in een leven, in goede of in slechte zin.

Het was donker langs het kanaal. Ik liep over de brug. In het midden van de brug werd het voetpad versperd door het statief van een fotograaf. Ik probeerde te zien wat hij fotografeerde. Het nachtelijk verkeer dat vanuit de stad de brug over reed. Ik zag de poëzie er wel van in. Ik had zin om de man aan te spreken, maar durfde niet goed. Hij was heel toegewijd bezig, leek alle tijd van de wereld te hebben. Ik niet, ik had een beetje haast. Ik liep naar het theater, haalde mijn ticket af. De fotograaf bleef in mijn gedachten. Misschien had er een verhaal in gezeten.

Tot mijn verbazing zag ik hem even later in de inkomhal van het theater. Weer had hij zijn statief opgesteld. Hij nam foto’s van de foyer en van de neon van Tim Etchells die er boven de deuren hangt: ‘Al we have is words all we have is worlds’. Ik verzamelde mijn moed en sprak hem aan. Waarom nam hij foto’s, wat deed hij ermee? Was hij beroepsfotograaf? Nee, dat niet. Hij had in de sociale sector gewerkt en was sinds enige tijd werkloos. Elke dag ging hij wandelen door Brussel om foto’s te nemen, ‘om niet gedeprimeerd te raken’. Ik vroeg of ik zijn beelden ergens kon zien, hij schreef zijn naam voor me op een briefje. Toen moesten we afscheid nemen, de voorstelling begon.
De volgende dag waren we vrienden op facebook. Zo snel gaat dat soms in deze wereld. We hadden geen gemeenschappelijke vrienden, wat ik prettig vond. We bewegen ons te vaak in dezelfde vertrouwde kringen waarin vrienden vrienden van vrienden zijn. Ik zag de foto die hij van de foyer van het Kaaitheater had genomen. Het was niet de volle foyer waarin ik me had bevonden, maar de verlaten foyer tijdens de voorstelling, met één persoon die in schemerlicht op deall-we-have-2 bank zit te wachten onder de woorden ‘Optimism in practice’.

De foto was genomen op dag 29 van de ‘Défi 365 jours’ die de fotograaf zich gesteld had. Nog 336 foto’s te gaan, nog 336 dagen rondwandelen in Brussel. Sindsdien volg ik hem. Ik vind zijn foto’s niet altijd goed. Maar het gaat niet om goed zijn. Ook niet om consequent zijn. Het gaat om het wandelen, het ontdekken, het onderzoek: van de stad en van de fotografie. De ene dag in kleur, de andere dag in zwart-wit. De ene dag bewerkt, de andere dag niet. De ene dag figuratief, de andere abstract. De ene dag een studie van gezichten weerspiegeld in ramen, de andere dag de regendruppels op die ramen. Ik deel zijn interesse voor bomen, mensen en vensters. Die keren steeds terug in zijn werk. Het is een plezier om elke dag mee te kijken naar mijn geliefde Brussel door de ogen van deze fotograaf.kim-sattler-2

Gisteren lag de eerste sneeuw van deze winter in onze stad. Ik ging niet naar buiten: het was te koud en te glad, bovendien had ik binnen te veel werk. ’s Avonds zag ik Kims foto. Een bankje in het Warandepark. Een man zit erop, met één been in de sneeuw. De voet van zijn andere been rust op de knie van het been dat in de sneeuw staat. Het been dient als een bankje voor een tengere gestalte in amazonezit. Haar benen bungelen in een grappig benenspel naast de zijne, haar voeten in elkaar gehaakt. Ze draagt een jas met grote ruiten die haar kleine lichaam benadrukken. Hun hoofden zijn versmolten in een innige kus. Ze zijn zo klein in vergelijking met de bomen. Die kijken stilzwijgend naar het leven dat beneden voorbijgaat. De vluchtigheid van de kus versus de eeuwigheid van hun kruinen.

Even ben ik het weer wier benen boven de sneeuw bungelen. Dan zoom ik uit en zie ik de fotograaf staan, een eind van hen verwijderd, in zijn aangename eenzaamheid. Ik ben hem dankbaar voor de wandeling die ik vandaag zelf niet kon maken. Hoeveel boeiende, getalenteerde mensen lopen zo nog rond in deze stad? Het enige wat je moet doen is om je heen kijken en iemand aanspreken. Het helpt om niet gedeprimeerd te raken.

Foto’s: Kim Sattler – met dank!