Honderd jaar Herfst

schubert‘Er ligt een boek voor me klaar, “Schuberts Winterreise” van Ian Bostridge. Ik heb gisteren gebeld.’ Ludovic van Passa Porta overhandigt me het boek. Het staat niet op het rek met gereserveerde boeken achter hem, maar ligt vlak naast hem, hij hoeft zijn arm maar even te strekken om het te pakken. ‘Het ziet er heel mooi uit, een perfect verjaardagscadeau.’ ‘Het is overal lovend gerecenseerd,’ zegt hij. In zilverglanzend papier pakt hij het boek voor me in. Het cadeaupapier is hier altijd zo mooi dat ik ooit eens vroeg wie hun cadeaupapierleverancier was, maar ik ben het vergeten.

Blij loop ik de zonnige stad in, het boek onder de arm. Het is nog lang geen winter, we zijn nog maar net aan onze herfstreis begonnen. Bij de Anspachlaan spreekt een bedelaar me aan, ik haal een muntstuk uit mijn portefeuille en geef het hem. Ik kan niet verdragen dat anderen het moeilijk hebben wanneer het leven mij toelacht. Ik wandel naar de bushalte bij het Centraal Station. Een jongeman spreekt me aan, hij vraagt in het Frans of hij een kort telefoontje mag plegen met mijn gsm. De persoon zal hem daarna terugbellen op mijn gsm. Zelf heeft hij geen belkrediet meer of zijn batterij is leeg, ik heb het niet goed begrepen. Onderzoekend bekijk ik hem. Kan ik hem vertrouwen?

Ik zeg dat mijn bus over vijf minuten komt. Hij antwoordt dat het nog zal lukken. Ik kan nu niet meer terug. Mijn gsm is voorhistorisch, die zal hij niet stelen. Voor de zekerheid blijf ik toch dicht bij hem staan terwijl hij kort telefoneert en even later wordt opgebeld. Dan valt mijn oog op enkele tassen die eenzaam bij de ingang van het Centraal Station staan. Daar zie ik Nel, de geliefde van schilder Rik Wouters. Gedrukt op een plastic zak. Ik ken die zak, want ik heb er zelf ook zo één thuis. En ernaast staat een zak waarop een blauwe rivier is afgebeeld.

_dsc0909Wie heeft deze zakken daar neergezet? Een clochard? Ik haal mijn fototoestel uit mijn tas, neem twee foto’s. Ik moet snel zijn denk ik, zo meteen worden ze opgepikt. Intussen hou ik de jongeman met mijn gsm in de gaten, hij mag zijn gesprek nu wel afronden, vind ik. ‘Waarom neem je foto’s van mijn zakken?’ vraagt hij. ‘O, zijn het jouw zakken?’ Ik vertel dat ik hou van het schilderij dat erop staat. Dat het van Rik Wouters is, een schilder die omstreeks 1900 leefde en veel te jong aan een hersentumor overleed. Dat de vrouw op het schilderij zijn echtgenote en muze Nel is. Dat hij haar de hele tijd schilderde bij haar dagelijkse bezigheden. Ik vertel dat dit schilderij “Herfst” heet en honderd jaar geleden werd geschilderd.

Hij kijkt me verbaasd aan. Het moet bevreemdend zijn om mijn argwaan te zien omslaan in enthousiasme voor zijn tas. Ineens ben ik niet meer iemand die hem met tegenzin haar telefoon heeft geleend, maar iemand die graag iets met hem wil delen. Hij luistert geïnteresseerd. ‘Het is nochtans een gewone zak van de supermarkt,’ merkt hij geamuseerd op. ‘In het Modemuseum in Antwerpen loopt momenteel een tentoonstelling over Rik Wouters, een aanrader’ ga ik verder. Daar is bus 66. We nemen afscheid, hij vraagt of hij mijn foto’s ergens kan zien. Ik geef hem nog snel de naam van mijn blog. Hij kent geen Nederlands, maar hij is het aan het leren, zegt hij.  Dan geeft hij me mijn gsm terug. Bijna was ik hem vergeten.

Terwijl de bus door de Middaglijnstraat schuifelt, denk ik: ‘Nel moest het eens weten. Dat zij, in haar dagelijkse bezigheden, honderd jaar later het straatbeeld nog siert, onwetende mensen vergezelt in hún dagelijkse bezigheden.’ Een half uur later schenk ik mijn jarige vriendin haar ‘Winterreise’. Zij woont hoog in de Brusiliatoren. Vanuit haar appartement hebben we een prachtig zicht op de geel en rood kleurende boomkruinen van het Josephatpark. Wat is Brussel toch mooi in de herfst.

_dsc0915

Advertenties

Vakantie in Brussel

We stappen uit in premetro Parvis de Saint-Gilles, met de glanzend blauwe tegeltjes waarop fragmenten uit de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens zijn aangebracht, één letter op elke tegel, met monnikenwerk moet het tot stand gekomen zijn. Dit indrukwekkende kunstwerk werd ontworpen door Françoise Schein. Haar naam laat misschien geen belletje rinkelen, maar zij ontwierp ook de Parijse metrohalte Concorde. “Brussel op zijn best, is Brussel op z’n Parijs” schreef Bernard Dewulf eens in de goede oude De Morgen-tijd.

In de zomer wordt Brussel weer van de Brusselaars. De automobilisten blijven dan liever buiten de ring, de pendelaars verblijven in het buitenland of binnen hun vertrouwde bebouwde kom. De toeristen, voor zover ze nog durven te komen, beperken zich tot de omgeving van Manneke Pis, met eventueel een uitstapje naar het atomium. Kortom, de Brusselaars zien hun geliefde stad weer leefbaar worden.

Het is stralend weer. Op de Parvis willen we pittazaak Chana bezoeken waarover we veel goeds hebben gelezen in Agenda toen die nog bestond. Vroeger had je hier alleen den Union en de Brasserie Verschueren, maar de voorbije jaren is het plein, mede door de aanwezigheid van deze twee authentieke cafés zo populair geworden dat je er het ene gezonde restaurantje naast het andere hippe eethuisje vindt.

Chana is met vakantie. Dan toch naar de Verschueren. Vroeger kon je hier een soep en een croque eten, vandaag niet meer. Maar we kunnen gerust wat eten gaan halen bij Manuka, de biowinkel om de hoek, zegt de vriendelijke en knappe ober. Hij beveelt ons hun lunchbox aan. We steken de straat over. We kunnen nog net de laatste lunchbox kopen, wat een geluk. En een stokbrood en een stuk kaas, voor acht euro hebben we onze lunch.

We lopen terug naar de Verschueren en begroeten documentairemaker Farzad Moloudi, die op het terras zit. Farzad maakte de aangrijpende documentaire Zone Zero, over de bezetting van de Gésukerk in de Koningsstraat door 150 mensen met verschillende achtergrond, van 2011 tot 2013. Een uniek document, aangezien hij er zelf woonde en alle gebeurtenissen van nabij volgde.

De Verschueren is afgestemd op een publiek van bohémiens. Cafés waar je je eten zelf mag meebrengen, zie je nog zelden. We krijgen zelfs bestek. We smullen bij een soundtrack van oude hits. Na het eten schrijven we elk een postkaartje. Voor onze dochters die op kamp zijn. Wanneer we bijna klaar zijn en de kaartjes uitwisselen om onze naam erop te schrijven, hoor ik nog net deze zinnen zingen voor het volgende nummer begint: “Send me a postcard darling/Send me a postcard now”. Deze noodkreet van Shocking Blue uit 1968 moet de hele tijd gespeeld hebben terwijl we aan het schrijven waren. We lachen om zoveel toeval.

We zetten onze tocht verder. We wandelen langs de lange Lyceumlaan die leeg is, geen auto’s, geen voetgangers. We komen voorbij het Athenée Royal Victor Horta, een prachtig schoolgebouw dat dringend nieuwe ramen nodig heeft. Het dateert van 1903 en werd ontworpen door gemeentearchitect Edmond Quétin, zo lees ik later._DSC0313

Dan zien we de ingang van een parkje, het Pierre Pauluspark. We besluiten een kleine omweg te maken en er even door te wandelen. We komen terecht in een sprookjesachtig park met grote hoogteverschillen. Het is geïnspireerd op de romantische Engelse tuin, lees ik achteraf in de inventaris van het natuurkundig erfgoed van Brussel. We kunnen onze verbazing niet op over dit vrij goed verstopte bijzondere parkje, vooral wanneer een kip met haar tien kuikentjes voor onze voeten een smal paadje oversteekt. Dromen we? Is dit Brussel?

Via de Bordeauxstraat gaan we verder. Ook daar weer een mooi maar erg verwaarloosd schoolgebouw, de gemeenteschool J.J. Michel. Later verneem ik dat het ontworpen werd door dezelfde architect als de Victor Horta-atheneum, Edmond Quétin, in 1891. Er zijn zoveel verkommerde schoolgebouwen die hoogdringend aan renovatie toe zijn. Dan zien we rechts van ons een opmerkelijk modernistisch huis. Het dateert van 1931 en is ontworpen door F. Vervalcke/A. Marit. Er is weinig geweten over dit duo en dit is hun enige huis in Brussel. Misschien dat we er daardoor nog nooit van gehoord hebben. Maar wat een prachtig huis met die gedurfde oranje-zwarte facade. We zijn jaloers op de bewoners.

We steken de Chaussée de Charleroi over en komen aan bij het einddoel van onze wandeling: de tentoonstelling van Jean Prouvé in La Patinoire Royale, een galerie die vorig jaar zijn deuren opende in een voormalige rolschaatsbaan. De renovatie van het gebouw uit 1877 is ronduit indrukwekkend. Sober maar met de mooiste, duurste materialen. Wanneer we even naar de blinkende wc gaan, hebben we het gevoel in een vijfsterrenhotel te gast te zijn. Wat een contrast met de verwaarloosde schoolgebouwen die we op onze weg zagen. Waarom investeren rijke mensen vaker in galerieën met dure kunst, dan in onderwijs, in jeugd, in de kunstenaars van morgen vraag ik me ietwat naïef af. Jean Prouvé is een meubelontwerper wiens kasten, stoelen en tafels nu enorm gegeerd zijn. Zijn ontwerpen zijn eenvoudig, functioneel, solide, elegant, ingenieus, modern en warm. In La Patinoire Royale staat, behalve een selectie van zijn meubels, een paviljoen van hem opgesteld dat oorspronkelijk als klaslokaal was bedoeld. Er omheen een houten terras en een vijver met vissen. Het kan niet op.

Verbluft staan we even later weer op straat. We kijken uit op de lege, zonnige Rue Blanche, een smalle straat met statige witte huizen die van Haussman zouden kunnen zijn, oude straatlantaarns en volle boomkruinen die haar overkoepelen. Brussel op z’n Parijs.

_DSC0346

21 juli 2016

_DSC0279Biep biep! De Villo-fiets mag uit zijn staander worden bevrijd. De zon schijnt op deze Nationale Feestdag en de straten zijn leeg. Ik heb zin in de tocht naar het centrum. Dagelijks vind ik het onbegrijpelijk dat er bij de heraanleg van het Simonisplein geen fietspad werd voorzien, maar ook daar is het vandaag zo kalm dat ik er zonder gevaar kon fietsen. Even later brengt het heerlijke fietspad langs het kanaal me naar de Dansaertstraat.

Er zijn veel fietsers vandaag, meer dan anders. We zouden onze plaats als fietser moeten opeisen in deze stad, ook op dagen dat er meer verkeer is. Als we zouden beginnen met één vaste dag in de week, dinsdag bijvoorbeeld, waarop we afspreken dat iedereen die enigszins in de mogelijkheid is, zich met de fiets te verplaatst? En we maken fluojasjes, niet van die wijde lelijke dingen in geel of oranje maar hippe jasjes in het groen en we drukken er “dinsdag op de fiets/mardi à vélo” op zodat iedereen die deelneemt aan de actie, herkenbaar is? Fietsend fantaseer ik over een betere stad.

Bij de Villo-standplaats in de Dansaertstraat is er zelfs plaats om te parkeren. Ik haast me naar Passa Porta. Heerlijk toch, een boekenwinkel die bijna alle dagen van het jaar open is? De lichten gaan net uit, maar ik kan nog het boek kopen waarvoor ik gekomen ben: “Een klein leven” van Hanya Yanagihara. Het is een dik boek voor een klein leven, 750 blz. Het schijnt heel aangrijpend te zijn. Graag zou ik het uit hebben tegen 6 oktober, dan komt de auteur naar Passa Porta.

Met het boek ga ik zitten op het terras van De Markten. Het is er rustig. Zijn de mensen bang om buiten te komen, na de aanslag in Nice op de Nationale Feestdag? Of zijn ze met vakantie? Twee militairen, het machinegeweer over de schouder, wandelen voorbij. Ook Arno waakt over ons, hij zit op zijn vaste plek, tegen het raam van de Payon Royal, met een grote groene spruitsticker van de “Sprout to be Brussels”-campagne boven het hoofd. Als een patroonheilige van de Brusselaars. “De zestigers, zoals mezelf, hebben niets meer te zeggen. Wij zijn met pensioen. Het zijn mensen van veertig en vijftig die de macht hebben. Ik zeg niet dat ze zo conservatief zijn, maar ze laten dingen gebeuren waartegen gereageerd moet worden,” zei hij gisteren in de krant. Ik behoor tot die generatie, die dingen laat gebeuren. Ik wil graag reageren. Maar hoe? Buitenkomen, actief deelnemen aan het leven in deze stad, oog hebben voor de mensen om ons heen, gesprekken aangaan – dat is een begin. Dat kunnen gepensioneerden trouwens ook.

Mijn lief is aangekomen, we verhuizen naar de Monk, waar de bediening beter is. Ook hier zit bijna niemand. Twintig jaar geleden vierden we hier de ondertekening van ons eerste huurcontract in Brussel, het was toen nog een echt bruin café. Gelukkig is het altijd een bruin café gebleven. De koffietafel voor mijn begrafenis mag hier worden gehouden, graag met goeie knapperige pistolets, in het zaaltje achteraan dat vroeger het feestzaaltje was en waar mensen nu dagelijks aanschuiven voor de heerlijke spaghetti, de ene keer een klassieke bolognaise, de andere keer met pickles of jenever.

Maar die koffietafel is voor later. Vanavond mosselen bij Den Boer, nog een Brussels instituut. Achteraan zit een oude man in zijn eentje te smullen, een tafel verder zit een oud koppel met hun zoon van vijftig die nooit uitvloog, naast ons beleeft een vrouw een blije reünie met een Amerikaanse vriendin. Verder heerst ook hier kalmte.

_DSC0271Na de maaltijd wandelen we naar ijssalon Gaston. Ik zal het ijs van de knorpot van Comus en Gastera, die altijd alle tijd van de wereld had, voor eeuwig missen, wanneer ik deze mensen met een businessplan bezoek. Maar het ijs van Gaston is ook heel lekker, we likken ervan op de ramblas van de Handelskaai. Daar zit een groepje oudere Marokkaanse vrouwen te praten. Een van de vrouwen zit in een bordeaux rolstoel, haar vriendin draagt een hoofddoek in dezelfde kleur. Een mooi duo. Hoog boven ons hoofd, op het dak van een appartementsblok, wappert een Belgische vlag. Weinig vlaggen hangen nog uit op deze dag, spijtig, ik zie hen graag in al hun variaties aan verschillende façades.

We nemen de metro naar het Elisabethpark. Bij Bar Elisa speelt Hussein Rassim op zijn luit. Mensen dansen, er is ambiance. Alle nationaliteiten, arm en rijk, buurtbewoners en mensen van verder zitten hier door elkaar, van de bourgeois tot de clochard. Samen vieren we de Nationale Feestdag.

Deze plek maakt mijn zomer goed. Het is een oude droom van me, dat het bouwvallige paviljoentje in dit park tot ontmoetingsplek zou omgetoverd worden. Dat ook in andere parken mensen weer meer zouden samenkomen. Het is mooi dat ook in deze verwarrende tijden nog dromen in vervulling gaan.

_DSC0348Rond tien uur vertrekken we in de avondschemering. Onderweg zien we op de stoep een kast met daarop een nachtkastje staan wachten op Net Brussel. We bekijken het nachtkastje aandachtig. Mits wat schuurwerk en een laag witte lakverf wordt het weer mooi. Boven ons hoofd komt een man door zijn raam kijken, hij heeft ons gehoord. “On peut l’emporter?” vragen we. “Bien sûr!” Je ziet dat hij blij is dat het nachtkastje, dat misschien nog aan zijn grootmoeder toebehoorde, een nieuw leven krijgt.

Mijn lief tilt het nachtkastje op zijn schouder. Zo wandelen we naar huis.

Een straatje in Molenbeek

 

VermicelliEen somber en vuil straatje in Molenbeek: de Vermicellifabriekstraat. Mocht ik er wonen, dan zou ik mijn adres ongetwijfeld in het Frans zeggen: Rue de la Vermicellerie. Het genot die “vermicellerie” over mijn tong te laten rollen… Het is in Brussel heel gebruikelijk dat je als Nederlandstalige bepaalde straatnamen in het Frans zegt. Zo noemt iedereen de Maria Christinastraat de rue Marie-Christine, of zelfs kortweg de Marie-Christine. Weinigen zeggen Vlaamsesteenweg, want het is een foute vertaling van Rue de Flandre. De woorden avenue en boulevard verliezen hun grandeur in het Nederlands, waar ze allebei “laan” heten. Een Brusselaar kiest de bekendste of de best klinkende naam, vaak de Franse. De Boulevard Anspach of de Anspachlaan, de keuze is snel gemaakt. Dat laat me denken aan de “Avenue du Boulevard” in Sint-Joost. In het Nederlands heet die natuurlijk niet de Laanlaan, maar de Bolwerklaan.

De Vermicellifabriekstraat. Ik passeerde er vandaag voor de tweede keer, en meteen voelde ik hetzelfde als de eerste keer. Een instant-geluksgevoel. Vermicelli, het laat me denken aan de soepen van mijn grootmoeder. Net als tapioca, een op kikkerdril gelijkend ingrediënt zonder enige smaak. Ze zijn een beetje in onbruik geraakt. Marokkanen gebruiken nog veel vermicelli in hun keuken, in soepen of in gefrituurde hapjes. Zou deze straatnaam van voor of na hun komst dateren?

Er staat geen vermicellifabriek in de Vermicellifabriekstraat. Zoals er in de betonnen Peterseliestraat geen sprietje groen groeit. Maar dat bederft de pret niet, nee, het prikkelt de fantasie.

Soms heb ik weinig nodig om vrolijk te worden. Een bordje met “Rue de la Vermicellerie” is al voldoende. Zelfs als het een troosteloos straatje is, en een miezerige dag.

Verdwaald

Zaterdagochtend, ik zit op tram 81, stap uit bij de bareel van Sint-Gillis, hier ga ik vandaag naar een brocanteverkoop, ergens in een herenhuis, ik ben te gehaast vertrokken en mijn bril vergeten, ik loop door de straten van Sint-Gillis, het ochtendlijke zonlicht schijnt op de bleke gevels, het is vooral het licht dat ik waarneem, zonder bril zie ik de wereld door een filter, dat me tegelijk beschermt voor te veel indrukken maar ook kwetsbaar maakt, omdat ik de mensen om me heen pas echt zie als ze vlakbij zijn en omdat ik hondendrollen of kotsplassen pas op het laatste moment opmerk, ik heb geen plan meegenomen, ik word niet graag voor een toerist aangezien in eigen stad, ik denk dat ik het adres op basis van vage instructies wel zal vinden, vind het ook niet erg wat te verdwalen, maar de straatnaambordjes zijn moeilijk leesbaar zonder bril, ik moet er vlak onder gaan staan, dat bemoeilijkt de zoektocht, ik kom een gezellig koffiehuis tegen, bestel er een cappuccino, vraag de weg maar de eigenares heeft nog nooit van het adres gehoord, wanneer ik even later weer buiten sta spreek ik een echtpaar aan, zij zeggen dat ik terug naar beneden moet en dan de derde naar links, onderweg kruis ik een hond die sprekend op Bobbie van Kuifje lijkt, ik kom weer beneden bij het plein, daar staat een stadsgids met een groepje mensen, zij vertelt over het beeld van de waterdraagster, ik onderbreek haar en vraag de weg, ook zij heeft nog nooit gehoord van de straat waar ik moet zijn, intussen ben ik zelf al twee keer aangesproken door mensen die mij de weg vragen naar een adres dat ik niet ken, ik moet er nu zelf mensen uitpikken zoals ik er vaak uitgepikt word, en begrijp welke afwegingen men daarbij maakt, achtereenvolgens probeer ik tevergeefs een jonge vrouw met een caddy, een clochard, een knappe Marokkaan en een oude autochtoon, iemand van wie ik denk dat hij al lang in deze buurt woont, hij zegt dat hij het niet weet, een jonge Afrikaanse vrouw die mijn vraag gehoord heeft draait zich om en zegt dat ik weer naar boven moet en de eerste straat rechts, ik volg haar, ze wijst me waar ik in moet slaan, even later kom ik bij de Jean Robiestraat aan.

 

Het ivoren aapje

Na het werk liep ik nog even de stad in
Ik moest nog even naar de Nieuwstraat
Ik dacht, ik loop langs Het Ivoren Aapje
Het was een eeuwigheid geleden
Ik was benieuwd welke boeken het toeval me zou brengen

Ik keek in de etalage
In het midden stond overwegend Russische literatuur
“Eerste liefde” van Toergenjev
Toen richtte ik mijn blik wat meer naar links
Hij viel op de titel “De man voor het venster”
Wat ik grappig vond
Vermits ik daar een vrouw voor het venster was
Toen zag ik pas dat het van Maurice Gilliams was

Ik ging naar binnen
Vroeg wat het boekje van Gilliams kostte
En of ik het eens mocht inkijken
“Boek” verbeterde de verkoper me
Het was inderdaad dikker dan ik dacht
Hij pakte het en zei
Dertien euro
Dat vond ik een gelukkige prijs
Ik doorbladerde het en zag dat er artikels in zaten
Een kaart
En tekeningen

Ik kocht het
Zag de verkoper nog wat nieuwsgierig kijken
Misschien in de hoop dat ik uitleg zou geven bij mijn aankoop
Maar dat deed ik niet

Ik ging naar buiten, het boek nog in de hand
Zag aan de overkant een goede vriend
Ik zwaaide met de ene hand, stak met de andere het boek op
Hij stak de straat over
We keken er samen in
Ik zag op zijn gezicht hetzelfde plezier als ik voelde
Misschien zelfs een tikkeltje jaloezie
Wat heb je ervoor betaald, vroeg hij

Dertien euro
Dat is niet te veel, zei hij
We namen afscheid

Later op de metro doorbladerde ik het boek
Het is gedrukt in 1943
Het werd gekocht in januari 1955
De kindertekeningen dateren van 1954
De lidmaatschapskaart van het Thijmgenootschap
– Vereniging tot het bevorderen van de beoefening der wetenschap onder katholieken in Nederland – van 1964
Het artikel uit Elsevier van 1980
In de loop van zijn leven heeft Drs. K.C.J.W. de Vries uit Maastricht
Van tijd tot tijd dit boek geopend
En er iets tussen gestoken

Er staat een mooi ex-libris in met een vlinder erop