Toeval

Waar word ik gelukkig van?

Ik word gelukkig van ’s ochtends vroeg in Brussel op stap zijn.

Ik douche, ontbijt en ga dan meteen naar buiten.

Vandaag moet ik naar de dokter.

Om tien over acht sta ik bij de tramhalte.

Ik neem tram 19 naar Stuyvenberg.

Ik ben 20 minuten te vroeg.

Het is heel koud. Ik hou van de kou als de zon schijnt.

Ik wandel langs de Houba de Strooperlaan.

Daar staan mooie huizen. En je kan het atomium zien aan het einde van de straat.

Ik zie drie doodkisten in een etalage.

Het zijn ecologische doodkisten.

Een kist van karton met bloemen erop.

Een blauwe kist van hout.

En een kist van riet. Hij lijkt op een picknickmand.

Ik ril. De kisten maken mij bang.

Het is tijd om naar de dokter te gaan.

Een uur later sta ik weer op straat.

Ik loop weer naar de tramhalte.

Tram 19 komt er net aan.

Ik spring op de tram.

Ik rijd graag met de tram door de stad.

De tram rijdt snel en je kan goed naar buiten kijken.

We komen voorbij het park en het kerkhof van Jette.

Ik moet bijna afstappen. Bij halte Astrid.

Bij de halte staat een grote man met een bruine jas en een rode muts.

Ik zou hem uit een miljoen mensen herkennen.

Het is mijn man.

De tram stopt. De deuren gaan open.

Mijn man stapt achteraan op de tram. Ik ga vooraan afstappen.

Maar ik stap niet af.

Ik loop door de tram naar mijn man.

Ik kijk naar hem. Hij ziet mij niet.

Hij biept met zijn MOBIB-pas.

Ik leg mijn hand op zijn arm.

Dan ziet hij mij.

We geven elkaar een kus.

Hij bloost.

Hij begrijpt het niet.

Ik leg het uit.

‘Ik ben naar huis gekomen met de tram. Jij gaat naar je werk met dezelfde tram.’

‘Waarom ben je niet afgestapt?’ vraagt hij.

‘Omdat ik jou zag,’ zeg ik. ‘Ik rijd nog één halte met je mee.’

Wat een toeval dat we dezelfde tram genomen hebben.

Het toeval kan heel mooi zijn.

Zeker als je verliefd bent.

Bloost mijn man daarom?

Bij halte Spiegel geven we elkaar nog een kus.

Ik stap af.

‘Tot vanavond!’ zegt mijn man.

‘Tot vanavond!’

Advertenties

Winterochtend

_DSC3937 (2).JPGEr is weinig wat mij zo gelukkig maakt als vroeg in deze stad op pad zijn. ’s Ochtends douchen, ontbijten en dan meteen naar buiten. Vanochtend heb ik een doktersafspraak. Om tien na acht sta ik bij de tramhalte. Ik neem tram 19 richting De Wand. Bij Stuyvenberg stap ik uit. Ik hou van de buurt rond Stuyvenberg, met de Eendjesvijver en de zijstraten van de Houba de Strooperlaan die uitkijken op het atomium. Er staan veel prachtige herenhuizen in deze buurt. Ik ben twintig minuten te vroeg. Ik wandel langs de mooie laan met geen ander doel dan wat tijd voorbij te laten gaan. Ik geniet van de kou. De koude doet enorm veel deugd.

Op de Houba de Strooperlaan zie ik een zaak met ecologische doodkisten. Er staan drie kisten in een verder lege etalage. De ene lijkt van wit karton, er zijn lelijke lelies op geschilderd. De andere is van hout, hij heeft de kleur van een stralend blauwe hemel. De middelste kist is van riet. Het lijkt een picknickmand, maar dan voor een lijk. Deze kisten staan hier zo troosteloos op een rij. Ze zijn lelijk en goedkoop. Ze passen totaal niet bij elkaar. En ze staan rechtop. Dat is raar. Een kist moet liggen. Een huivering gaat door me heen. Dan is het tijd voor de dokter.

Een uur later sta ik weer op straat. Zal ik nog even naar de nabije Albert Heijn gaan? Als halve Nederlandse heb ik soms heimwee naar eten uit mijn kindertijd, zoals krentenbollen en Calvé pindakaas.

Nee, ik ga naar huis. Ik stap naar de tramhalte bij de Eendjesvijver. Er stopt net een tram, ik ren om hem te halen. Ik spring op de tram. Mijn wangen voelen rood. Warm van het praten met de dokter, bevroren door de kou. De tram is het fijnste vervoermiddel. Niets heerlijkers dan door deze stad te zoeven en naar buiten te kijken. We passeren het Jeugdpark en vervolgens het kerkhof van Jette.

Ik nader mijn afstaphalte, Astrid. Bij de halte zie ik een grote man met een beige jas en een bordeaux muts. Ik zou hem uit miljoenen meteen herkennen. Hij steekt er altijd een beetje bovenuit. Het is mijn man. Hij kijkt door zijn grootte dan weer altijd een beetje over me heen. Ik sta op het punt vooraan van de tram te stappen, hij staat klaar om achteraan op te stappen. Ik loop door de tram naar hem toe. Hij stapt op, haalt zijn metropasje boven, laat het biepen. Het is vreemd je geliefde te bespieden. Pas wanneer ik vlak naast hem sta en mijn hand op zijn arm leg, ziet hij mij. Intussen zijn de tramdeuren gesloten.

We kussen elkaar. Hij bloost. Eerst begrijpt hij het niet. Dat ik ben gekomen met de tram waarmee hij vertrekt. Ik moet het uitleggen. Waarom ik niet afstapte? ‘Omdat ik je zag. En jij achteraan opstapte. Ik rijd een halte met je mee,’ zeg ik. Het is laat. Het is kwart na tien. Meestal is hij nu al lang vertrokken. Er was veel toeval nodig om deze ontmoeting plaats te laten vinden. Alsof het zo moest zijn. Een toevallige ontmoeting is intens. Ook als je elke nacht samen slaapt. Bloost hij daarom?

Bij halte Spiegel kussen we elkaar nog eens. Ik stap ik af. ‘Tot vanavond!’

Op zoek naar Pêle-Mêle

Ik ben op zoek naar Pêle-Mêle, de bekende Brusselse tweedehandsboekenwinkel. In geen eeuwigheid ben ik er nog geweest. Mijn man was er onlangs. Hij heeft me gezegd dat de zaak in al die jaren niet veranderd is. Dat er nog steeds zo’n gezellige sfeer hangt en dat je er echt koopjes kunt doen. Daar wil ik me van vergewissen. Ik weet niet meer precies waar de boekhandel gevestigd is, zo lang is het geleden.

Ik wandel van het Anneessensplein naar de Beurs. Ik loop aan de schaduwkant van de straat. De schrale noordoostenwind die het kmi vanochtend voorspelde, maakt dat het bij 4°C stevig lijkt te vriezen. Ik wil aan de overkant gaan lopen, waar de zon schijnt. Bij het oversteken zie ik mensen gewoon in het midden van de Lemonnierlaan lopen. O ja, dit is de voetgangerszone. Ik ben er nog steeds niet aan gewend. Ik loop dan ook maar in het midden van de boulevard.

Ik kom voorbij het voormalige Italiaanse restaurant de ‘Rugantino’. Het is nog steeds gesloten. Het ziet er ook niet naar uit dat het binnenkort zal heropenen. Hoe lang is het geleden dat het restaurant bij een gasexplosie zwaar beschadigd raakte? Zou het prachtige interieur nog te restaureren zijn? In gedachten proef ik weer de flinterdunne pizza’s, ik zie weer de altijd norse obers, ik hoor weer de pianist die hier geregeld zat te spelen. Ik denk aan de mooie avonden die ik hier doorbracht, in wisselend gezelschap. Ik denk aan mijn nonkel, de bon vivant, die me dit restaurant leerde kennen. Voor hem en zijn vrouw was het hun tweede huiskamer. Wanneer ik hier kwam eten, was er veel kans dat ik hen tegenkwam. Nu is het zeker een jaar geleden dat ik mijn nonkel zag. Hoewel we allebei in Brussel wonen, gaan we uiterst zelden bij elkaar op bezoek. In twintig jaar ben ik misschien vijf keer bij hem thuis geweest, hij nooit bij mij. We komen elkaar niet zo vaak tegen. Soms eens in het theater.

Hoor ik mijn nonkel nu spreken in mijn hoofd? Het is zijn stem. Ik kijk opzij en zie een buik onder een beige regenjas. Daarboven een hoofd onder een donkere muts. Ik herken hem niet meteen. Ik ga een klein beetje dichterbij. Ja, het zijn mijn nonkel en zijn vrouw. We moeten al even naast elkaar hebben gelopen. Ook zij herkennen mij niet meteen. Ik heb ook een muts op en ze hebben me nog niet gezien met mijn nieuwe bril. Ik vertel dat ik net aan hen aan het denken was, omdat ik de Rugantino passeerde. ‘We zijn de patron een tijd geleden tegengekomen. Hij zei dat hij in december zou heropenen. Maar het is nog steeds dicht. Al vijf jaar. Waarschijnlijk heeft hij er geen zin meer in. Hij was al oud. Hij geniet nu zeker van zijn pensioen.’
Ik wandel verder met mijn nonkel en zijn vrouw door de voetgangerszone. Een kort eindje praten we wat bij. Mijn tante neemt afscheid bij de Delhaize waar ze haar boodschappen gaat doen. Ik wandel met mijn nonkel door tot aan de Brouckère. Ik vraag waar hij mee bezig is. Met een boek over Oostende, zegt hij en met een radio-uitzending over mei ’68. Met naar de cinema gaan en met heel veel lezen. Ik vraag wat hij leest. ‘Annie Ernaux – zware kost.’ Ik hoop dat ik later een even actieve gepensioneerde zal zijn.

We komen aan bij de Brouckère. Mijn nonkel gaat naar Muntpunt, ik ga de metro in. We nemen afscheid. Wie weet duurt het weer een jaar eer we elkaar nog eens zien.

Pêle-Mêle vind ik wel een volgende keer.

Verdwenen

Misschien omdat er geen deur was. Je er zo kon binnenstappen. Misschien omdat hij in mijn hoofd geen naam had. Of omdat je je bezoeken nooit bewust plande. Je er gewoon heen ging  als je in de buurt was. Omdat het handig was. En snel. Misschien omdat het hier zo goed draaide. Het altijd druk was. En niet echt mooi. Of omdat hij te midden van een ongezellige plek lag. Misschien omdat ik er nooit bekenden tegenkwam. Misschien omdat het leek of er zo dertien in een dozijn waren. Misschien omdat ik er nooit langer dan nodig bleef. Of omdat er geen wc was. Misschien omdat ik me een beetje schaamde om hier te komen. Het een gemakkelijkheidsoplossing was. Misschien omdat ik hier al mijn hele Brusselse leven kwam.

Nooit ben ik bang geweest dat deze plek er op een dag niet meer zou zijn. Nooit is het bij me opgekomen dat ik verdriet zou hebben bij zijn verdwijnen.

‘Bunny Snack déménage’. Geschokt lees ik het briefje. Talloze broodjes at ik hier. Maar ik wist niet dat hij Bunny Snack heette. Naar Bugs Bunny. Er overvalt me een instant gemis. Van de rode formica tafeltjes. Van de Italiaanse specialiteiten in het interieur van een Amerikaanse diner. Van de samen lunchende collega’s met hun stropdassen en de shoppende vriendinnen die even bekomen met hun boodschappentassen. Van de kleine toog waarachter een ongelooflijke bedrijvigheid heerste. Van de lange file die wachtte op een broodje om mee te nemen. Tot ver in de City 2 stonden de klanten.

Toen Le Suisse overstapte op afbakstokbrood, bood het lekker knapperige stokbrood van de Bunny Snack me troost.

Mijn dochter en ik staan verweesd te kijken. We herinneren ons nog goed de laatste keer dat we hier waren. Niet zo lang geleden. Mijn dochter at een overheerlijke panini met gegrilde groenten en mozzarella. We wisten niet dat het onze laatste keer was. Graag had ik toen bewuster afscheid genomen. Met een dessert of zo, of een glaasje cava. En nog wat foto’s gemaakt.

Ik herinner me nog dat ik hier vaak een broodje kwam halen, ten tijde van mijn eerste job. Ik werkte toen op de personeelsdienst van H&M. Zij hadden hun kantoren in de Nieuwstraat. Twintig jaar geleden. Een broodje tonijn, zalm met cressonette, pain de veau, omelet, tomaat-mozzarella of gegrilde groenten met ricotta. Vaak at ik het wandelend op. Altijd hopend dat ik geen bekenden zou tegenkomen. Want met iemand moeten spreken terwijl je net lekker wandelend een broodje aan het eten bent, is vervelend.

Op het briefje staat dat de Bunny Snack naar de kelderverdieping van de City 2 verhuisd is. Aan de uitgang van de metro. Ik vind het een magere troost. Ik heb geen enkele hoop. Maar ook niet meteen een alternatief. Mijn dochter en ik nemen de roltrap naar beneden. We zien hem meteen. De snack heeft de plaats van de Mothercare ingenomen, een winkel van babyspullen. Maar de geborgenheid is weg. Van het interieur word ik niet warm. De snackbar is vier keer groter dan vroeger. Er loopt vier keer zoveel personeel rond. Aan Bugs Bunny-tempo. Ook de mensen die de metro in- en uitstromen, komen als opgejaagde konijnen voorbij. De rust is ver te zoeken. De stilte ook. In de vorige zaak zat je een beetje uit de drukte van het shopping center. Er meer middenin dan hier kun je niet zitten.

Mijn dochter bestelt dezelfde panini als vorige keer. Hij is niet zo lekker. Veel te erg gepeperd. Ze haalt de boosdoener, de aubergine, er tussenuit. Ik neem een hap van mijn platgedrukte stokbrood. Het smaakt naar nooit meer.

Wie was Bugs Bunny weer, vraag ik me even later thuis af. Ik zoek het op. Tot mijn verbazing lees ik dat Bob Givens, de geestelijke vader van Bugs Bunny, overleed op 14 december 2017. Een maand geleden. Hij was 99 jaar. De Brusselse Bunny Snack ging hem achterna.

Bus 84

Rechts en links draag ik boodschappentassen die ongeveer even zwaar zijn. Je moet het gewicht goed gelijk verdelen aan beide zijden, heeft de kinesiste me ’s ochtends gezegd. Een autoloos bestaan is met rugklachten niet altijd even makkelijk. Ik loop naar de bushalte. Ik heb geen goede dag vandaag. Zo snel mogelijk wil ik nu thuis zijn. Ik stap stevig door naar de bushalte. Ik voel twee tranen over mijn wangen lopen. Hun gewicht is ook goed verdeeld. Ik denk aan het eten in mijn tassen. De soep, het broodbeleg. Die zijn voor straks, als ik thuis ben.

Bijna ben ik bij de bushalte. Ik zie een 84 naderen. Wat een geluk. Ik hoef niet te wachten. Achter het stuur van de bus zit een vrouw. Een oudere vrouw, tegen de zestig schat ik. Ze heeft een bruine huid en grijs haar, losjes in een knot. Ze draagt geen MIVB-hemd, maar een zachtrood fleece jasje. Ze heeft bolle blozende wangen en hoge jukbeenderen. Een oma, met een lief hartvormig gezicht. Haar bus is volledig leeg. Het lijkt alsof ze hem heeft gekaapt om mij te komen oppikken. Ik zeg ‘bonjour’ zonder haar aan te kijken bij het opstappen, bang dat ze mijn tranen zal zien.

Ik ga schuin achter haar zitten, zodat ik haar nog in profiel kan bekijken. Ik geniet van haar rustige, zelfzekere rijstijl. Zou zij vroeger met een schoolbus hebben gereden? Dat zou goed bij haar passen. Ik ben benieuwd naar haar verhaal, zou graag een foto van haar nemen. Wat is ze mooi. Wat doet ze haar job goed. Ik moet nog wat verlegenheid overwinnen om de verhalen te kunnen schrijven die ik echt wil schrijven. Ik wil haar niet storen in haar rust, dat mag ook niet volgens de voorschriften. Maar ik hoop nu al dat ik binnenkort nog eens op haar bus zit.

Intussen zijn er nog een paar andere mensen opgestapt. Kennelijk ben ik niet de enige die deze bus kan zien. Zij is er voor iedereen. Ik ben aangekomen bij mijn halte, de Eeuwfeestsquare. Ik stap af, steek voor de bus het zebrapad over. Nog even kijk ik haar in de ogen en zij mij. In gedachten bedank ik haar.

Wasserette

De afwasmachine en de wasmachine zijn stuk. Twee dagen voor Kerstmis hebben beide toestellen het gelijktijdig begeven. Wel toeval, twee toestellen die stuk gaan op dezelfde dag. Ze zijn van hetzelfde merk. Zouden ze, zoals sommige printers, in de fabriek geprogrammeerd zijn om op deze dag de geest te geven? Of zou het ergens anders aan liggen? Misschien is er weer een overdruk geweest door de werken voor onze deur. Eerder ging ook onze waterdrukregelaar kapot. Je moet wat over hebben voor een nieuwe tram. Ik stuur een mailtje naar de ombudsman, met de vraag of er aan het water gewerkt werd en of het defect aan de machines hier een gevolg van kan zijn.

In afwachting van zijn antwoord wassen we weer met de hand af. Dat vind ik niet zo erg. Er moeten altijd kleine dingen misgaan opdat we zouden beseffen hoe goed we het doorgaans hebben. Heel mijn jeugd heb ik met de hand afgewassen en afgedroogd, samen met mijn broer. Mijn broer zette dan goede muziek op, we lachten en praatten. In het algemeen bewaar ik daar vrij aangename herinneringen aan. Het warme water aan mijn handen vind ik ook rustgevend.

De was is een ander verhaal. Op de tweede dag van het nieuwe jaar begeef ik me met twee waszakken naar de wasserette. Gelukkig is er een in onze straat. Het is er rustig. Ik tref er de vrouw van de kruidenier die jarenlang in onze straat was gevestigd. Het was een prachtig winkeltje, een hoekpand met een jaren ’50-’60-interieur. In de retro-rekken in leuke kleurtjes lagen alle appels altijd netjes op een rij, de gele, de groene en de rode, met de steeltjes in dezelfde richting. ‘Niet aankomen!’ stond er dreigend bij. De eigenaar was een licht neurotische perfectionist, zijn winkel moest er altijd picobello uitzien. Hij verkocht een mooie selectie van lekkere wijnen en charcuterie, artisanale confituur en speculaas en verse eieren, die in een grote rieten mand lagen. Ik kwam er altijd graag, hoewel de kruidenier en zijn vrouw niet meteen joie de vivre uitstraalden. Maar ze werkten hard en met veel toewijding in hun zaak.

Hoewel zij zelf erg stug waren, luchtten de buurtbewoners graag hun hart bij hen. Luisteren konden ze goed. Vaak stond je er wat lang te wachten omdat de klant voor je ‘zijn parler’ moest doen. Oude mensen wier enige ‘sortie’ de dagelijkse boodschappen bij de kruidenier om de hoek waren. De kruidenier en zijn vrouw waren van alles op de hoogte. Van de vakanties, de inbraken, de branden, de ziektes, de geboortes en de sterfgevallen.

Op een dag zag ik dat het pand te koop stond. Ik vroeg of ze ermee zouden stoppen. ‘Nee hoor, het is de woning hierboven die te koop staat,’ zeiden ze. Pas later begreep ik dat ze geen afscheid hadden willen nemen. Toen ik de nieuwe eigenaars stukken van het vernielde retro-interieur naar buiten zag dragen.

De vrouw van de kruidenier heeft haar wasmachine al gelanceerd. Ik zie haar kleren met veel schuim draaien achter het ronde raampje. ‘Is uw wasmachine ook stuk?’ vraag ik. Haar wasmachine is stuk gegaan op dezelfde dag als de onze. Wat een toeval. Ik besluit dat ik verder buurtonderzoek moet doen.

‘Hoe gaat het? Kunt u het wennen, het pensioen?’ vraag ik. Ze ziet er meer ontspannen uit dan vroeger. In het begin is het wel moeilijk geweest, zegt ze. Maar nu geniet ze er wel van. ‘Ik vind het zo erg dat jullie winkeltje er niet meer is. Zo spijtig van het mooie interieur,’ zeg ik. ‘Hoe gaat het met uw dochters? Hoe oud zijn ze nu?’ vraagt ze. Ik heb een lastig onderwerp aangesneden. Als vroeger een appel met de steel in de verkeerde richting onverdraaglijk was, hoe pijnlijk moet het dan zijn om je hele winkelinterieur vernield te zien worden?

‘Ze zijn nu elf en zestien,’ zeg ik en vertel een beetje over hen. ‘Jullie hebben een mooi huis,’ zegt ze. Ze verbaast zich erover dat we er al elf jaar wonen. ‘Zo lang al? Ik heb die mevrouw nog gekend die er voordien woonde. Dat was zo’n lieve mevrouw. Erg oud al.’ Dat heeft ze me al eens eerder verteld.  Ik vind het mooi. Ik geloof dat iets van de vorige bewoner in een huis blijft hangen. ‘Ik had haar graag gekend,’ zeg ik. ‘Of eens een foto van haar gezien.’

Ik lanceer mijn was. De vrouw van de kruidenier helpt mij, want de instructies zijn niet erg duidelijk. ‘Iemand heeft het mij ook moeten uitleggen,’ zegt zij.

Wanneer ook mijn kleren achter de patrijspoort draaien, vertrek ik voor even naar huis. Ik neem afscheid van de vrouw van de kruidenier. ‘Het is wel prettig, een kapotte wasmachine. Zo praat je nog eens met je buren.’ We lachen. ‘Tot ziens.’

De volgende dag zegt mijn man: ‘Ik heb met de wasmachinefirma gebeld. Er moeten twee reparateurs komen: één voor de afwasmachine, één voor de wasmachine. Elk zijn specialisatie. Ze komen op dezelfde middag. Niet met dezelfde wagen. Maar we moeten toch maar één keer verplaatsingskosten betalen. Het duurt wel nog lang: ze kunnen pas over acht dagen komen.’

‘Zo snel al?’ zeg ik.

 

 

José

‘Dit is José, ze hoopt vurig op een nieuwe eigenaar die leuke plannen voor haar heeft, anders moet José naar het containerpark. Dit valiesje is nog in goede staat, vermoedelijk gemaakt uit similileer. Zoekt jouw toneelgroep nog een valies met karakter of kan ze dienen als pronkstuk in je fotoshoots? Geef mij dan een seintje! José meet 41x65cm en is 17cm diep, met deze afmetingen en bij gebrek aan wieltjes is ze waarschijnlijk niet meer geschikt voor de catwalk. José is oud maar nog jong van geest! Ophalen vlakbij Zwarte Vijvers na de kantooruren.’

José wordt weggegeven op Brussel Verniet. Op die facebookpagina krijgen dingen een nieuw leven: meubelen en kleren uiteraard, maar ook passe-vites, fietstassen, woordenboeken, wandhorloges, trampolines, typmachines, inktpatronen, dieetboeken, lichaamsolie enzovoort. Eén keer ook een kakkedoor.
Een collega heeft me getagd in het bericht. ’Dit is echt een exemplaar voor jou!’ Mijn oudste dochter schrijft: ‘Ik wou haar ook taggen! Doen, mama!’ Ik maak mijn interesse kenbaar, maar ben te laat. José is al vergeven.

José is een rode valies. Uiteraard wil ik haar. Maar ik geloof graag dat de dingen lopen zoals ze moeten lopen in het leven. In het mijne, maar ook in dat van José. Ze zal ergens naartoe gaan. Dat is goed.

Ik geloof ook graag dat wat of wie je loslaat, vanzelf weer naar je toekomt als het zo moet zijn. José is al uit mijn gedachten als ik een berichtje krijg. Met de vraag of ik nog interesse heb. José is niet opgehaald. Ik mag haar gaan ophalen in de Verhuizersstraat.

Of ze me iets meer kan vertellen over José, vraag ik de schenker. José is van haar oma geweest en stond al een tijd bij haar ouders. Zij zijn hun huis aan het opruimen en wilden José weggooien. De dochter vond haar nog veel te goed en wou er iemand blij mee maken. Maar eerst is ze zelf nog één keer met José naar zee geweest.

Vreemd dat mensen vroeger koffers zonder wieltjes hadden. Die zie je nu nooit meer. Het moet veel mooier geweest zijn om te zien, al die mensen met een valiesje in de stations. Die valiesjes hadden meer karakter, verschilden ook meer van elkaar. Waarom hadden ze toen nog geen wieltjes? Het wiel is toch in de nieuwe steentijd uitgevonden? Zouden mensen toen lichter gereisd hebben? Of waren ze toen sterker? Niet verwonderlijk dat er toen nog geen fitnesscentra nodig waren.

Mijn milde schenker denkt dat haar oma José afdankte toen ze vliegvakanties begon te maken. Daarvoor was José niet geschikt. Te kwetsbaar voor een tijdperk waarin alles snel moet gaan. Hoe komt de koffer aan haar naam? ‘Heette je oma ook José?’ vraag ik. Nee, haar oma heette Marie-Ange. Ze vond de naam José gewoon mooi bij de valies passen.

Met blijdschap neem ik José mee. Ik wandel met haar naar huis. Ik voel me een beetje opvallen in het straatbeeld met mijn grote rode valies. Een vrouw spreekt me aan. Ze vraagt me de weg naar metrostation Belgica. Ik verbaas me erover dat ik er nog steeds uitzie als iemand van hier, ook met de valies. Dicht bij mijn huis bots ik tegen een vriendin. Ze komt buiten bij de Kringwinkel. Ik toon haar José. Ik vertel over mijn blog ‘De rode valies’. Ze wist nog niet dat ik schreef. ‘Ik heb over mijn vorige toevallige ontmoeting met jou ook geschreven,’ zeg ik. Die herinnert ze zich nog goed.

Zij vertelt dat ze net terug is van een reis naar Parijs. Op straat toont ze me de foto’s. Ik stel voor iets te gaan drinken in café de Sportvriend op de hoek. Daar praat het iets rustiger dan op straat. Ze vindt het goed, ze heeft wel wat tijd. José mag al meteen mee op café.

Enkele dagen geleden werd het woord ‘koesterkoffer’ verkozen tot woord van het jaar. Onnodig te zeggen dat ik het een heel mooi woord vind. Een koesterkoffer is een koffer met tastbare herinneringen om een jong gezin te ondersteunen na het verlies van een kind. Gelukkig heb ik geen kind verloren. Maar een koesterkoffer heb ik al lang: een oude valies met foto’s van overleden dierbaren, rouwkaartjes, brieven en een klein geel handbeschreven treinkaartje van een geliefde waarmee hij op mijn zestiende verjaardag naar mij toe is gereisd.

Ook José koester ik. Weldra mag ze nog eens mee naar zee.

 

Bezoek

Ik klop. Er komt geen antwoord. Zacht open ik de deur. Ik zie haar voeten en kuiten, gehuld in bruine panty’s, liggend op het knalrode, harige sprei. De rest van haar lichaam zie ik niet vanuit de deuropening. Ze doet haar middagdutje. Ik wil weer weggaan. Dan slaat een andere deur op de gang hard dicht. Ze schrikt wakker. ‘Kom binnen,’ zegt ze. ‘Ha, jij bent het. Ze staat recht. Ze is weer een beetje gekrompen, ze loopt wat meer voorovergebogen. Ze heeft ook nog wat meer rimpeltjes gekregen. Het is te lang geleden dat ik haar zag. Zij is mijn oudste vriendin. ‘Ik ga je geen kus geven, want ik ben verkouden,’ zegt ze.

‘Ik heb een thermos met thee mee,’ zeg ik, ‘en kaastaart.’ Ze dekt het kleine vierkante tafeltje. Ze vertelt dat er op de binnenkoer twee zwerfkatten zitten en dat ze hen te eten geeft. Zelf heeft ze vanmiddag stoofvlees gegeten, maar het was waterig. Ze mist haar groenten. Ze at zo graag verse groenten van de biomarkt. Hier zijn het vaak aardappelen, daar houdt ze niet van.

Haar zoon is vanochtend langs geweest. Ze heeft hem zijn nieuwe trui meegegeven. Ik heb spijt dat ik hem niet gezien heb. Ik hou van haar breiwerken. Breien kan ze nog als de beste. ‘Het is een zomerpull, in dunne wol, grijs met beige. Ik heb er lang over gedaan. Mijn zoon zei dat hij niet tot de zomer zou kunnen wachten om hem aan te doen. Hij heeft verstand van mode. Het is een plezier om voor hem te breien.’

Ze vertelt over haar 89e verjaardag, drie maanden geleden. Haar familie was onverwacht op bezoek gekomen. Ineens zaten ze daar, beneden in de eetzaal. Ze was zo verbouwereerd dat ze met haar rollator rechtsomkeert had gemaakt. Bij de deur hadden ze haar tegengehouden. Ze schiet er opnieuw mee in de lach. Ach, ze krijgt zo weinig bezoek, ze is dat niet meer gewoon, zoveel volk. Ze toont me een foto van die dag. Zij zit in het midden, met een zachtroze bloes aan. Stijlvol gekleed als altijd. Ze vertelt me wie de dierbaren om haar heen op de foto zijn. Oma Brussel noemen ze haar.

Ze neemt nog deel aan de activiteiten. De gymnastiek, het bloemschikken, de filmnamiddagen. Met het koor is ze opgehouden, ze was nog de enige en solo zingen zag ze niet zitten. Meestal zit ze op haar kamer te lezen, te breien of tv te kijken. Ja, ze heeft ook naar ‘Thomas speelt het hard’ gekeken. Zo mooi. Maar waarom hebben ze dat concert niet live op tv uitgezonden? Ze kijkt ook naar het programma over kinderen van collaborateurs. Soms kan ze er niet naar blijven kijken. Er komen beelden van lang geleden naar boven. Van meisjes die verliefd waren geworden op een Duitse jongen en die in een stal voor het hele dorp ten schande werden gezet. Kaalgeschoren, met een hakenkruis op hun hoofd. Voor één meisje was het de foute tijd van de maand geweest, zij had naakt, met haar rug naar de mensen, op een emmer gezeten. Dat was zo vernederend geweest. Ze kan niet tegen onrecht.

Ze maakt zich ook zorgen over de wereld nu. Ze volgt het nieuws nog. ‘Noord-Korea, ik ben er niet gerust in. En dan Strumpf. Ah nee, dat zijn Duitse kousen, ik zeg altijd Strumpf. Misschien is het gewoon spierballerij. Maar ik maak me toch zorgen. Niet meer voor mij, ik zal het niet meer meemaken. Enfin, we mogen er niet van wakker liggen. We kunnen niet weten wat de toekomst brengt.’

Ze vraagt hoe het met mij gaat. Ik vertel het haar. Ik toon haar foto’s van mijn dochters en van mijn man. Ze kent hem ergens van. ‘Heeft hij niet aan de Slimste Mens meegedaan?’ Nee, dat niet, maar misschien heeft ze hem weleens voorbij haar raam zien wandelen toen ze nog in haar service flat woonde? Dat zou kunnen.

Ik vraag of ze nog geschreven heeft. Nee, het is lang geleden. Een brief aan haar moeder toen ze zich een tijd geleden niet goed voelde. Soms is ze wel eenzaam. Ik zeg dat ze me altijd mag bellen. Dat doet ze nooit. Ze is altijd blij als ik er ben, maar verwacht niets van mij.

We ruimen de tafel af. Ik zeg dat het fijn was haar terug te zien. Ik wil haar een kus geven. ‘Zou je dat wel doen?’ ‘Ik ben al verkouden geweest deze winter, ik kan er wel tegen,’ zeg ik en geef haar een dikke kus. ‘Tot volgend jaar!’

Ik loop haar kamer uit. Ze komt me achterna met haar wandelstok. ‘Ik begeleid je tot aan de lift.’ Ik vertraag mijn pas, samen lopen we verder. Ik roep de lift, hij komt snel, ik stap in. ‘Daag!’ zegt ze nog terwijl de liftdeuren toegaan.

Beneden in de inkomhal kijk ik op het activiteitenbord. Volgende week is het kerstfeest met Marijn Devalck.

Sneeuw

Vanochtend ging ik naar mijn osteopaat. Mijn nek zat al tien dagen geblokkeerd. Ik begaf me door de sneeuw naar de halte van bus 49. Die kwam er snel aan. Ik hoefde niet lang in de kou te wachten. Ik hoefde ook niet lang op de bus te zitten. Na tien minuten kwam ik aan bij de mooie cité van Diongre in Molenbeek. Ik was twintig minuten te vroeg, maar dat deerde me niet. Ik las een boek in de knusse roze barokke fauteuil in de warme wachtzaal van mijn osteopaat. Daarna kreeg ik een heerlijke, diepe, soms een beetje pijnlijke massage. Ik hoorde dat de osteopaat, een zachte gespierde kerel, er buiten adem van was. Hij legde een warmtekussen op mijn rug en liet me even rusten. Na tien minuten kwam hij me kraken. Ik kon nu weer goed bewegen. Ik kon er weer voor drie maand tegen.

Nog snel deed ik wat boodschappen bij de Carrefour om de hoek. Zo hoefde ik vandaag niet meer buiten te komen. Er was tien centimeter sneeuw voorspeld. Met mijn zware boodschappentas schuifelde ik de straat over naar de bushalte. Daar stond een bus 49 klaar. Ik stapte op. Het duurde heel lang eer de 49 vertrok. Hij reed twee haltes verder. De chauffeur zei: ‘Verder geraak ik niet. Jullie moeten hier afstappen.’

Ik stapte af, liep met mijn zware tas richting Basiliek. Mijn handen bevroren, ik was mijn handschoenen vergeten. Ik stak één hand in mijn jaszak, met de andere hand moest ik mijn paraplu vasthouden. Wanneer de hand te koud werd, wisselde ik de paraplu van hand en verwarmde de koude hand in de jaszak. Mijn schoenen waren ook niet waterdicht genoeg voor de dikke laag sneeuw. Mijn voeten werden nat. Ik begaf me naar de halte van de 19, wachtte daar tien minuten. Ook de tram kwam niet. Een oude dame zei dat ze te voet zou verder gaan. ‘Wees voorzichtig,’ maande ik haar aan. ‘Hoe is het toch mogelijk, ik heb een vriendin in Rusland, daar is het soms -50°C. En hier, van zodra het een beetje vriest, ligt het hele leven plat.’ Ze vertrok. Ik besloot ook te voet te gaan.

Mijn tas woog erg zwaar. Langzaam voelde ik de weldaad van de osteopaat wegebben. Toen zag ik iets liggen op straat. Bovenop een vuilniszak. Een kerstboom van donker hout, een soort letterbak. Hij was oud en duidelijk zelfgemaakt. Er lag een beetje sneeuw in, maar hij was in goede staat. Wat een mooi ding. Ik zou er zeker een nieuwe bestemming voor vinden.

Dit was de beloning voor de vermoeiende voettocht. Ik was nu nog zwaarder geladen en kon mijn handen ook niet meer in mijn jaszakken verwarmen. Dat deerde me niet. Langzaam wandelde ik verder naar huis.