José

‘Dit is José, ze hoopt vurig op een nieuwe eigenaar die leuke plannen voor haar heeft, anders moet José naar het containerpark. Dit valiesje is nog in goede staat, vermoedelijk gemaakt uit similileer. Zoekt jouw toneelgroep nog een valies met karakter of kan ze dienen als pronkstuk in je fotoshoots? Geef mij dan een seintje! José meet 41x65cm en is 17cm diep, met deze afmetingen en bij gebrek aan wieltjes is ze waarschijnlijk niet meer geschikt voor de catwalk. José is oud maar nog jong van geest! Ophalen vlakbij Zwarte Vijvers na de kantooruren.’

José wordt weggegeven op Brussel Verniet. Op die facebookpagina krijgen dingen een nieuw leven: meubelen en kleren uiteraard, maar ook passe-vites, fietstassen, woordenboeken, wandhorloges, trampolines, typmachines, inktpatronen, dieetboeken, lichaamsolie enzovoort. Eén keer ook een kakkedoor.
Een collega heeft me getagd in het bericht. ’Dit is echt een exemplaar voor jou!’ Mijn oudste dochter schrijft: ‘Ik wou haar ook taggen! Doen, mama!’ Ik maak mijn interesse kenbaar, maar ben te laat. José is al vergeven.

José is een rode valies. Uiteraard wil ik haar. Maar ik geloof graag dat de dingen lopen zoals ze moeten lopen in het leven. In het mijne, maar ook in dat van José. Ze zal ergens naartoe gaan. Dat is goed.

Ik geloof ook graag dat wat of wie je loslaat, vanzelf weer naar je toekomt als het zo moet zijn. José is al uit mijn gedachten als ik een berichtje krijg. Met de vraag of ik nog interesse heb. José is niet opgehaald. Ik mag haar gaan ophalen in de Verhuizersstraat.

Of ze me iets meer kan vertellen over José, vraag ik de schenker. José is van haar oma geweest en stond al een tijd bij haar ouders. Zij zijn hun huis aan het opruimen en wilden José weggooien. De dochter vond haar nog veel te goed en wou er iemand blij mee maken. Maar eerst is ze zelf nog één keer met José naar zee geweest.

Vreemd dat mensen vroeger koffers zonder wieltjes hadden. Die zie je nu nooit meer. Het moet veel mooier geweest zijn om te zien, al die mensen met een valiesje in de stations. Die valiesjes hadden meer karakter, verschilden ook meer van elkaar. Waarom hadden ze toen nog geen wieltjes? Het wiel is toch in de nieuwe steentijd uitgevonden? Zouden mensen toen lichter gereisd hebben? Of waren ze toen sterker? Niet verwonderlijk dat er toen nog geen fitnesscentra nodig waren.

Mijn milde schenker denkt dat haar oma José afdankte toen ze vliegvakanties begon te maken. Daarvoor was José niet geschikt. Te kwetsbaar voor een tijdperk waarin alles snel moet gaan. Hoe komt de koffer aan haar naam? ‘Heette je oma ook José?’ vraag ik. Nee, haar oma heette Marie-Ange. Ze vond de naam José gewoon mooi bij de valies passen.

Met blijdschap neem ik José mee. Ik wandel met haar naar huis. Ik voel me een beetje opvallen in het straatbeeld met mijn grote rode valies. Een vrouw spreekt me aan. Ze vraagt me de weg naar metrostation Belgica. Ik verbaas me erover dat ik er nog steeds uitzie als iemand van hier, ook met de valies. Dicht bij mijn huis bots ik tegen een vriendin. Ze komt buiten bij de Kringwinkel. Ik toon haar José. Ik vertel over mijn blog ‘De rode valies’. Ze wist nog niet dat ik schreef. ‘Ik heb over mijn vorige toevallige ontmoeting met jou ook geschreven,’ zeg ik. Die herinnert ze zich nog goed.

Zij vertelt dat ze net terug is van een reis naar Parijs. Op straat toont ze me de foto’s. Ik stel voor iets te gaan drinken in café de Sportvriend op de hoek. Daar praat het iets rustiger dan op straat. Ze vindt het goed, ze heeft wel wat tijd. José mag al meteen mee op café.

Enkele dagen geleden werd het woord ‘koesterkoffer’ verkozen tot woord van het jaar. Onnodig te zeggen dat ik het een heel mooi woord vind. Een koesterkoffer is een koffer met tastbare herinneringen om een jong gezin te ondersteunen na het verlies van een kind. Gelukkig heb ik geen kind verloren. Maar een koesterkoffer heb ik al lang: een oude valies met foto’s van overleden dierbaren, rouwkaartjes, brieven en een klein geel handbeschreven treinkaartje van een geliefde waarmee hij op mijn zestiende verjaardag naar mij toe is gereisd.

Ook José koester ik. Weldra mag ze nog eens mee naar zee.

 

Advertenties

Bezoek

Ik klop. Er komt geen antwoord. Zacht open ik de deur. Ik zie haar voeten en kuiten, gehuld in bruine panty’s, liggend op het knalrode, harige sprei. De rest van haar lichaam zie ik niet vanuit de deuropening. Ze doet haar middagdutje. Ik wil weer weggaan. Dan slaat een andere deur op de gang hard dicht. Ze schrikt wakker. ‘Kom binnen,’ zegt ze. ‘Ha, jij bent het. Ze staat recht. Ze is weer een beetje gekrompen, ze loopt wat meer voorovergebogen. Ze heeft ook nog wat meer rimpeltjes gekregen. Het is te lang geleden dat ik haar zag. Zij is mijn oudste vriendin. ‘Ik ga je geen kus geven, want ik ben verkouden,’ zegt ze.

‘Ik heb een thermos met thee mee,’ zeg ik, ‘en kaastaart.’ Ze dekt het kleine vierkante tafeltje. Ze vertelt dat er op de binnenkoer twee zwerfkatten zitten en dat ze hen te eten geeft. Zelf heeft ze vanmiddag stoofvlees gegeten, maar het was waterig. Ze mist haar groenten. Ze at zo graag verse groenten van de biomarkt. Hier zijn het vaak aardappelen, daar houdt ze niet van.

Haar zoon is vanochtend langs geweest. Ze heeft hem zijn nieuwe trui meegegeven. Ik heb spijt dat ik hem niet gezien heb. Ik hou van haar breiwerken. Breien kan ze nog als de beste. ‘Het is een zomerpull, in dunne wol, grijs met beige. Ik heb er lang over gedaan. Mijn zoon zei dat hij niet tot de zomer zou kunnen wachten om hem aan te doen. Hij heeft verstand van mode. Het is een plezier om voor hem te breien.’

Ze vertelt over haar 89e verjaardag, drie maanden geleden. Haar familie was onverwacht op bezoek gekomen. Ineens zaten ze daar, beneden in de eetzaal. Ze was zo verbouwereerd dat ze met haar rollator rechtsomkeert had gemaakt. Bij de deur hadden ze haar tegengehouden. Ze schiet er opnieuw mee in de lach. Ach, ze krijgt zo weinig bezoek, ze is dat niet meer gewoon, zoveel volk. Ze toont me een foto van die dag. Zij zit in het midden, met een zachtroze bloes aan. Stijlvol gekleed als altijd. Ze vertelt me wie de dierbaren om haar heen op de foto zijn. Oma Brussel noemen ze haar.

Ze neemt nog deel aan de activiteiten. De gymnastiek, het bloemschikken, de filmnamiddagen. Met het koor is ze opgehouden, ze was nog de enige en solo zingen zag ze niet zitten. Meestal zit ze op haar kamer te lezen, te breien of tv te kijken. Ja, ze heeft ook naar ‘Thomas speelt het hard’ gekeken. Zo mooi. Maar waarom hebben ze dat concert niet live op tv uitgezonden? Ze kijkt ook naar het programma over kinderen van collaborateurs. Soms kan ze er niet naar blijven kijken. Er komen beelden van lang geleden naar boven. Van meisjes die verliefd waren geworden op een Duitse jongen en die in een stal voor het hele dorp ten schande werden gezet. Kaalgeschoren, met een hakenkruis op hun hoofd. Voor één meisje was het de foute tijd van de maand geweest, zij had naakt, met haar rug naar de mensen, op een emmer gezeten. Dat was zo vernederend geweest. Ze kan niet tegen onrecht.

Ze maakt zich ook zorgen over de wereld nu. Ze volgt het nieuws nog. ‘Noord-Korea, ik ben er niet gerust in. En dan Strumpf. Ah nee, dat zijn Duitse kousen, ik zeg altijd Strumpf. Misschien is het gewoon spierballerij. Maar ik maak me toch zorgen. Niet meer voor mij, ik zal het niet meer meemaken. Enfin, we mogen er niet van wakker liggen. We kunnen niet weten wat de toekomst brengt.’

Ze vraagt hoe het met mij gaat. Ik vertel het haar. Ik toon haar foto’s van mijn dochters en van mijn man. Ze kent hem ergens van. ‘Heeft hij niet aan de Slimste Mens meegedaan?’ Nee, dat niet, maar misschien heeft ze hem weleens voorbij haar raam zien wandelen toen ze nog in haar service flat woonde? Dat zou kunnen.

Ik vraag of ze nog geschreven heeft. Nee, het is lang geleden. Een brief aan haar moeder toen ze zich een tijd geleden niet goed voelde. Soms is ze wel eenzaam. Ik zeg dat ze me altijd mag bellen. Dat doet ze nooit. Ze is altijd blij als ik er ben, maar verwacht niets van mij.

We ruimen de tafel af. Ik zeg dat het fijn was haar terug te zien. Ik wil haar een kus geven. ‘Zou je dat wel doen?’ ‘Ik ben al verkouden geweest deze winter, ik kan er wel tegen,’ zeg ik en geef haar een dikke kus. ‘Tot volgend jaar!’

Ik loop haar kamer uit. Ze komt me achterna met haar wandelstok. ‘Ik begeleid je tot aan de lift.’ Ik vertraag mijn pas, samen lopen we verder. Ik roep de lift, hij komt snel, ik stap in. ‘Daag!’ zegt ze nog terwijl de liftdeuren toegaan.

Beneden in de inkomhal kijk ik op het activiteitenbord. Volgende week is het kerstfeest met Marijn Devalck.

Sneeuw

Vanochtend ging ik naar mijn osteopaat. Mijn nek zat al tien dagen geblokkeerd. Ik begaf me door de sneeuw naar de halte van bus 49. Die kwam er snel aan. Ik hoefde niet lang in de kou te wachten. Ik hoefde ook niet lang op de bus te zitten. Na tien minuten kwam ik aan bij de mooie cité van Diongre in Molenbeek. Ik was twintig minuten te vroeg, maar dat deerde me niet. Ik las een boek in de knusse roze barokke fauteuil in de warme wachtzaal van mijn osteopaat. Daarna kreeg ik een heerlijke, diepe, soms een beetje pijnlijke massage. Ik hoorde dat de osteopaat, een zachte gespierde kerel, er buiten adem van was. Hij legde een warmtekussen op mijn rug en liet me even rusten. Na tien minuten kwam hij me kraken. Ik kon nu weer goed bewegen. Ik kon er weer voor drie maand tegen.

Nog snel deed ik wat boodschappen bij de Carrefour om de hoek. Zo hoefde ik vandaag niet meer buiten te komen. Er was tien centimeter sneeuw voorspeld. Met mijn zware boodschappentas schuifelde ik de straat over naar de bushalte. Daar stond een bus 49 klaar. Ik stapte op. Het duurde heel lang eer de 49 vertrok. Hij reed twee haltes verder. De chauffeur zei: ‘Verder geraak ik niet. Jullie moeten hier afstappen.’

Ik stapte af, liep met mijn zware tas richting Basiliek. Mijn handen bevroren, ik was mijn handschoenen vergeten. Ik stak één hand in mijn jaszak, met de andere hand moest ik mijn paraplu vasthouden. Wanneer de hand te koud werd, wisselde ik de paraplu van hand en verwarmde de koude hand in de jaszak. Mijn schoenen waren ook niet waterdicht genoeg voor de dikke laag sneeuw. Mijn voeten werden nat. Ik begaf me naar de halte van de 19, wachtte daar tien minuten. Ook de tram kwam niet. Een oude dame zei dat ze te voet zou verder gaan. ‘Wees voorzichtig,’ maande ik haar aan. ‘Hoe is het toch mogelijk, ik heb een vriendin in Rusland, daar is het soms -50°C. En hier, van zodra het een beetje vriest, ligt het hele leven plat.’ Ze vertrok. Ik besloot ook te voet te gaan.

Mijn tas woog erg zwaar. Langzaam voelde ik de weldaad van de osteopaat wegebben. Toen zag ik iets liggen op straat. Bovenop een vuilniszak. Een kerstboom van donker hout, een soort letterbak. Hij was oud en duidelijk zelfgemaakt. Er lag een beetje sneeuw in, maar hij was in goede staat. Wat een mooi ding. Ik zou er zeker een nieuwe bestemming voor vinden.

Dit was de beloning voor de vermoeiende voettocht. Ik was nu nog zwaarder geladen en kon mijn handen ook niet meer in mijn jaszakken verwarmen. Dat deerde me niet. Langzaam wandelde ik verder naar huis.

Brandnetels

Het regent. ’s Morgens krijg ik een bericht in mijn mailbox. Iemand vraagt of ze de trip-trapstoel die ik op tweedehands.be te koop heb aangeboden, vandaag kan komen ophalen. Ze wil hem morgen schenken voor een verjaardag. Meteen overvalt me een gevoel van melancholie. Het is geen dag om de stoel waarop mijn twee dochters groot werden, weg te doen. Ik wacht met antwoorden.

Ik ga naar buiten. Een paraplu kopen. Wij hebben thuis drie paraplu’s voor vier. Dat was tot nu toe nooit een probleem. Maar vandaag wel. Ik koop een zwarte paraplu bij de Veritas in mijn straat. Dan stap ik binnen bij ‘Il Cappuccino’. Er zit maar één klant koffie te drinken. Een vrouw met blonde haren en een broek met vlinders en rozen erop en het woord ‘Love’ in zwierige letters. De eigenaar staat niet achter de bar. Ik zie hem niet. Ik ga in het hoekje achteraan zitten en lees in mijn boek. ‘Nora’ van Colm Toíbín. Zelden kies ik de boeken die ik lees. De boeken dienen zich aan. Ik ga naar de boekenwinkel of bibliotheek en laat de boekenruggen tot mij spreken. Intuïtief kies ik er één uit.

De schrijver heeft twaalf jaar aan ‘Nora’ geschreven, een verhaal geïnspireerd op het leven van zijn moeder. In het online archief van de Standaard lees ik: ‘Meestal vindt Tóibín inspiratie in de muziek wanneer hij op zoek is naar een vorm voor zijn verhalen. Met name kamermuziek en de cantates van Bach zijn voor hem erg belangrijk. De vorm van Nora Webster vergelijkt hij niet met muziek maar met de schilderijen van Agnes Martin, waarop je een heel geleidelijke, aanvankelijk nauwelijks zichtbare verschuiving ziet in kleur en patroon.’ Ik hou van Bach en van Agnes Martin. En van boeken waarin weinig gebeurt, over het gewone leven.

De man van ‘Il Cappuccino’ heeft me eindelijk opgemerkt. Ik zie dat hij blij is me te zien. Zijn warme lach verbaast me vandaag. ‘Een cappuccino?’ vraagt hij. ‘Oui,’ zeg ik. Hij brengt de koffie. Hij heeft er een bloempje in getekend. Ik denk aan de stoel van mijn dochters. Zal ik hem verkopen? Of toch voor de mogelijke kleinkinderen bewaren? We hebben niet veel plaats in ons huis. En zo bijzonder is die stoel nu ook weer niet. Ik zal me vermannen en hem verkopen. Ik zal de nieuwe eigenaar vragen naar welk kind de stoel gaat. Dat zal de pijn verzachten.

Ik loop nog even de Carrefour binnen. Tot mijn verbazing speelt er een nummer van ‘Tears for fears’, ‘Everybody wants to rule the world’. Vreemd, het is al de tweede keer in korte tijd dat ik de geliefde groep uit mijn tienerjaren in de supermarkt hoor. Ik koop uien voor de brandnetelsoep. Nog nooit heb ik brandnetelsoep gegeten. Al jaren ben ik er benieuwd naar. Maar ik durfde ze nooit goed zelf te plukken, uit angst dat ze bespoten met gif of door honden beplast zouden zijn. Gisteren heb ik via ‘La Ruche qui dit oui’ een zakje brandnetels gekocht.

Wanneer ik de Carrefour verlaat, is het aan het stortregenen. Het waait ook hard. Mijn nieuwe paraplu waait bijna binnenstebuiten. Opmerkelijk dat wanneer je een paraplu koopt, ze hem in de winkel steeds eerst even opendoen – om te controleren of hij intact is. Dat doen ze natuurlijk omdat hij vijf minuten later al kapot gewaaid kan zijn en ze hem dan niet willen terugbetalen.

Thuis steek ik kaarsjes aan. Ik luister naar Dinah (take 2) van Thelonious Monk, een nummer dat vele malen vrolijker is dan ik. De telefoon gaat. Ik neem op en hoor een telefoon overgaan. Ik haak in voor ik de televerkoper aan de lijn krijg. Ik ga naar boven. Ik draag de stoel van mijn dochters één trap naar beneden. Hij staat nu op de tussenverdieping.

De brandnetels zijn mooi. De blaadjes zijn met veel zorg van de taaiere stelen gehaald. Ze ruiken naar een wandeling in de natuur na een regenbui, gezond en wild. Ik snuif de geur op en sluit de ogen. In gedachten zie ik de man die ze me verkocht. Een magere man met lange grijze haren in een staart en een lieve lach. Met latex handschoenen aan was ik de netels. Ze prikken door de dunne handschoenen heen. Netelbeten zijn niet erg. Ze laten je voelen dat je leeft. Het is fijn dat ik mijn pijn aan de netels kan toeschrijven.

De soep pruttelt zoals het recept van de Boerinnenbond voorschrijft – met spek erin. Ik wil antwoorden op het bericht over de kinderstoel. Dat het goed is. Dat hij klaar staat. Maar het bericht is opgelost in cyberspace. Ik vind het niet meer terug. Ook niet erg. Allicht heb ik te lang getwijfeld. Er is geen tijd voor traagheid meer.

De soep is klaar. Ze is heerlijk. Even later is de zon daar.

Vrienden

Ik ben in Antwerpen, mijn tweede thuisstad sinds mijn ouders er wonen.

Ik bezoek een initiatief dat Brussel van mij meteen mag overnemen. Amici in de hippe Kammenstraat. Amici is een koffiebar die wordt uitgebaat door mensen met een mentale beperking.

Het is een kleine bar. Er staan maar drie tafeltjes en er zijn vier mensen aan het werk. Dat zorgt voor een gezellige ambiance.

Achter de bar staat een mooie grote man met een dikke zwarte snor en baard en donker haar dat met brillantine achterover gekamd is. Een volbloed hipster. Hij draagt een jeanshemd en een bruine leren schort. Hij is de baas van de koffiemachine en van de drie medewerkers. Hun taken zijn duidelijk verdeeld: iemand ontvangt de klanten, iemand bedient, iemand wast en rekent af.

‘Ik vind dat eigenlijk niet zo schoon, zo’n leren schort,’ zegt de vrouw die de klanten ontvangt. ‘Enfin, voor een baas is dat goed maar ik moet het niet hebben.’ De eerlijkheid en de kwaliteit van de conversaties zijn hier heerlijk.

‘Hebt ge die Ferrari zien passeren? vraagt de Aziatische ober aan de Afrikaanse afwasser. ‘Nee, alleen gehoord,’ antwoordt hij.

Twee vriendinnen zitten koffie te drinken. Wat vind je ervan? vraagt de ober. ‘Straf,’ zegt één van de vrouwen. Ze is hoogzwanger. ‘Ze is niet veel gewoon,’ lacht haar vriendin.

‘Hoe lang nog?’ vraagt de ober aan de zwangere vrouw. ‘Nog drie weken.’ ‘Zijn vrouw is ook zwanger,’ zegt de ober en wijst naar de barista. ‘Ja, nog twee en een halve maand. Dus ik ken het syndroom,’ lacht hij.

De tengere Aziatische ober lacht zijn tanden bloot. ‘Dat is geen syndroom he…dat is… het begin van geluk.’ Terwijl ik nog stilsta bij zijn mooie oneliner loopt hij naar buiten. Hij gaat de bestelling van de klanten op de binnenkoer opnemen, vermoed ik.

Even later komt hij weer binnen. ‘We hebben twee nieuwe likes op onze Facebook pagina!’ roept hij blij naar zijn baas. Dat heeft hij snel opgemerkt.

‘Eén is van mij,’ zeg ik. ‘En is die andere dan van u?’ vraagt hij aan de vrouw tegenover me. We lachen.

 

Bewaren

Bewaren

Ochtendwandeling

Donderdagochtend. De oudste dochter wil graag haar winterjas aan, hoewel de herfst nog moet beginnen. De winterjas is in de stomerij. Ik beloof hem vandaag te zullen halen. Wanneer man en dochters vertrokken zijn naar werk en school vertrek ik ook. Het is uitstekend weer om te wandelen: koud maar zonnig, een vrij stevige wind zorgt voor gezonde lucht. Ik vertrek naar het park.

Ik wandel langs het Homeplein. Wat een vreemde naam toch. ‘Waar woon je?’ ‘Op het Homeplein.’ Lijkt me niet fijn om te zeggen. Gekke combinatie van Engels en Nederlands. Huisplein zou ook een beetje absurd zijn. Een zekere charme heeft het plein wel. Misschien verwijst de naam naar home sweet home. Maar een home is ook een rusthuis. Geen home te bekennen hier. Hoe zou het plein aan zijn naam komen?

Ik kom bij het boekenkastje. Ik open het luikje. In het boekenkastje ligt een grote stapel Delhaize magazines en vier versleten videocassettes. Niet echt leesvoer. Ik sla rechtsaf, de cité in.

Hier staan bijna allemaal dezelfde huizen met gezellige voortuintjes. Het is hier zo stil, je zou vergeten dat je in Brussel bent. Eén grijs huis valt me op, ik heb het gevoel dat de bewoners er gelukkig zijn. Ik lees de namen op de deurbel: Thierry Donatienne Arthur Zoë. Altijd mooi als het hele gezin met de voornaam op de deurbel wordt vermeld. Het leven moet hier heel anders zijn dan langs mijn drukke laan. De geur van een heerlijke stoofpot waait me tegemoet. Hij komt uit het kruideniertje dat in deze woonwijk ligt. Kleine kruideniertjes fascineren me. Ze hebben allemaal hun eigen persoonlijkheid. Altijd vind je er wel iets wat je nergens anders vindt. Vaak spring ik er binnen. Maar nu niet.

Bij de ingang van het park doet een jonge gespierde man stretchoefeningen. Zijn fiets staat een eindje verderop. Zijn smartphone ligt op het zadel. Dat kan nu gerust, het is zo stil in het park, hij zal niet gestolen worden.

Ik loop naar mijn bankje, sla mijn boek open. Ook in mijn boek is een jongeman aan het sporten. Hij krijgt basketbaltraining op een highschool in Amerika. Zijn coach zegt hem dat hij om te scoren niet naar de vliegende bal mag kijken, maar steeds de basket in de gaten moet houden. Dat is moeilijk. In de verte hoor ik spelende kinderen op de speelplaats van de school die aan het park grenst. Een jogster komt voorbij. Net voor mij kruist ze een grootouderpaar met een jongetje in de buggy. Er vallen twee druppels op mijn boek. Even lijkt het bij die twee druppels te blijven. Maar dan begint het toch stevig te regenen. Ik heb geen paraplu bij. Ik zet mijn kap op en loop het park uit.

Ik ben bij de spoorweg. Het regent niet meer. Zal ik de wat onaangename tunnel onder de spoorweg nemen of nog wat verder wandelen, over de brug van Magritte heen? Magritte beeldde de brug af op ‘Le mal du pays’ – één van zijn meest persoonlijke schilderijen. Hij maakte het kort na de inval van de Duitsers in 1940. De schilder beleefde toen ook op persoonlijk vlak een moeilijke periode. Ik ga toch maar onder de spoorweg door. Dan nog een stukje door het kleine park. Nu ben ik bij de Delhaize. Heb ik nog iets nodig?

Gladfolie. Misschien nog iets anders. Ik ga de Delhaize binnen, neem een mandje. Neem wat druiven en de folie. Ook hier is het nog kalm. Een paar oude mensen doen hun dagelijkse boodschappen. Uit de luidspreker klinkt ‘Head over heels’ van Tears for fears. Twaalf jaar was ik toen dat liedje werd uitgebracht. Ik hield van Tears for fears en van zanger Curt Smith. Hij hing boven mijn bed. Het lied wordt onderbroken voor reclame. Dan gaat het verder. Zullen ze het tot het einde spelen, wanneer een elektronisch vervormde stem ‘Time flies’ zingt? Ik blijf nog even dralen tot ik de laatste woorden hoor.

Ik begeef me naar de kassa. Een grote, stevige, beetje afgeleefde man is voor me. De caissière wijst hem erop dat hij twee kranten heeft genomen. De man zegt dat de andere krant voor zijn moeder is. Dat maakt hem sympathiek. Hij vraagt de caissière of ze al lang terug is. Ze vertelt dat ze veertien jaar in deze Delhaize heeft gewerkt, vervolgens vier jaar in Basilix en nu alweer twee jaar terug hier. Ik reken. Twintig jaar aan een kassa. Hoeveel biepjes zouden dat zijn? ‘Vous avez toujours bonne mine,’ zegt hij. Nu heeft de caissière pas echt bonne mine. Ze straalt nog steeds als ze mijn boodschappen inscant. Ik steek de gladfolie en de druiven in het opvouwbaar Magritte-tasje dat steeds in mijn handtas zit. Een blauwe duif vliegt door de blauwe lucht boven de blauwe zee, wolken vullen zijn lichaam.

Ik loop naar huis. Het is weer beginnen te regenen. De wandeling heeft geen deugd gedaan. In gedachten loop ik hem nog eens. Misschien kan ik erover schrijven. Spijtig dat ik geen foto’s heb gemaakt. Ik heb er geen enkel moment aan gedacht.

Morgen ga ik mijn wandeling opnieuw maken, denk ik. Een beetje verheug ik me erop.

Bewaren